15 oktober. Gedachtenis
33. HEILIGE THERESIA VAN ÁVILA, MAAGD EN KERKLERARES
De heilige kerklerares Theresia van Jezus werd in Ávila
geboren op 28 maart 1515. Op achttienjarige leeftijd trad zij in bij de
Karmelietessen. Toen zij vijfenveertig oud was, nam zij, als antwoord op de buitengewone
genade die zij van de Heer ontving, de hervorming van de Orde op zich, geholpen
door de heilige Johannes van het Kruis. Zij doorstond kordaat vele
moeilijkheden en tegenstand. Haar geschriften zijn een veilig model om God te
bereiken. Zij overleed in Alba de Tormes op 4 oktober 1582. Paulus vi riep
haar uit tot kerklerares op 17 september 1970.
-Noodzaak van het gebed. Het hoogste belang van het gebed in
het christelijk leven. -Omgang met de allerheiligste Mensheid van Jezus.
-Moeilijkheden bij het gebed.
33.1 De heilige Theresia heeft
ons een getuigenis nagelaten hoe door gebed de 'onmogelijke dingen' toch
mogelijk worden, dat wat menselijk gesproken onoverwinnelijk leek en dat de
Heer soms van ons vraagt.
Meer dan eens beluisterde zij in haar leven de woorden van de
Heer: Wat vreest gij? En die vrouw -volwassen, ziek,
vermoeid- kreeg weer moed voor haar ondernemingen en ging weer op de bres
staan, alle hindernissen overwinnend. Op een dag, na de communie, toen haar
lichaam zich tegen nieuwe stichtingen leek te verzetten, hoorde zij in haar
binnenste Jezus die tot haar zei: «Wat vrees je? Ben Ik ooit niet bij je
geweest? Dezelfde die Ik altijd ben geweest, ben Ik nu nog; laat niet na die
twee stichtingen ten uitvoer te brengen» -waarbij de Heer doelde op Palencia en
Burgos-. Theresia riep uit: «O, grote God, wat zijn uw woorden toch verschillend
van die van de mensen!» En «ik was -vervolgt de heilige- zo vastbesloten en zo
vol moed, dat niemand of niets ter wereld in staat was geweest mij er nog tegen
te doen opzien.»1 Jaren later zal zij over de
stichting in Palencia, waarin zich heel wat moeilijkheden voordeden, schrijven:
«In deze stichting gaat ons alles zo goed, dat ik niet weet wat daaruit moet
worden.»2 En op een andere plaats: «Iedere dag
wordt duidelijker hoe geslaagd het was hier deze stichting te verwezenlijken.»3 En hetzelfde zal zij zeggen van de andere stad: «Ook
in Burgos zijn er zovele meisjes die willen intreden, dat het jammer is dat we
daar geen huis hebben.»4 Dat vervulde haar van
vreugde en blijdschap, ondanks de vele moeite die het haar kostte: «Waarom moet
ik naar Burgos gaan, terwijl ik zo ziek ben [...], met die hevige koude, het
lijkt me ondoenlijk.»5 De Heer liet haar nooit
alleen.
Uit het gebed halen wij de krachten om voort te gaan, om ten
uitvoer te brengen wat de Heer van ons vraagt. En dat gebeurt evenzo in het
leven van de priester, van de huismoeder, de religieuze, de student... Daarom
spant de duivel zich zo sterk in om ons van ons dagelijks gebed af te brengen
of om ervoor te zorgen, dat we het onverschillig, slecht doen, want «de
verrader weet dat de ziel die in het gebed volhardt, voor hem verloren is en
dat, hoe vaak hij haar ook doet vallen, dit door Gods goedheid de ziel nog
helpt om met des te groter sprongen in zijn dienst vooruit te gaan; hij heeft
er dus enig belang bij.»6 De zielen die altijd
dicht bij God hebben gestaan, hebben ons gesproken van het grote belang van het
gebed in het leven van de christen. «Laat het ons dus niet verwonderen -zo
leerde de heilige Pastoor van Ars-, dat de duivel al het mogelijke doet om ons
van het gebed af te brengen of het ons slecht te doen beoefenen.»7
Het gebed is het hechte fundament voor volharding, want «als
men maar niet ophoudt met lopen en verder gaat -leert de heilige-, dan komt men
er toch vroeg of laat. Volgens mij is het verliezen van de weg hetzelfde als
het nalaten van het gebed.»8 Daarom moeten we
het met zoveel zorg voorbereiden: wetend dat wij vóór de levende en
verheerlijkte Christus staan, die ons ziet en ons hoort zoals degenen die naar
Hem toekwamen in de jaren waarin Hij zichtbaar op aarde verbleef. Hoe verschillend
is toch de dag dat wij, in rust, met liefde, dat dagelijkse uur goed verzorgd
hebben, dat wij hebben gewijd aan een gesprek met de Heer, die ons met alle
aandacht aanhoort! Wat een vreugde, dat we nu bij Christus mogen zijn! «Moet je
eens kijken wat een hoop ongegronde redenen de vijand je voorzet met de
bedoeling dat je stopt met bidden: 'Ik heb helaas geen tijd' -terwijl je
voortdurend je tijd loopt te verknoeien-; 'dat is niets voor mij', 'het raakt
mijn hart niet'... -Het gebed is geen kwestie van spreken of voelen, maar van
liefhebben. En je hebt lief als je je best doet om iets tegen de Heer te
zeggen, al zeg je in feite misschien niets.»9
Laten wij het voornemen maken nooit met bidden te stoppen, om
er de best mogelijke tijd voor vrij te maken, op de beste plaats, vóór het
tabernakel, als onze bezigheden dat toelaten.
33.2 Ons gebed zal gemakkelijker
verlopen als wij, samen met de vastberaden zorg om geen verstrooiingen toe te
laten, trachten om te gaan met de allerheiligste Mensheid van Jezus, de
onuitputtelijke bron van liefde, die zozeer de vervulling van de goddelijke wil
vergemakkelijkt.
De heilige zelf vertelt ons van het doorslaggevende belang
dat in haar leven een kleine gebeurtenis heeft gegeven, die een onuitwisbaar
spoor in haar ziel heeft achtergelaten: «Toen ik op een dag in de bidplaats
kwam -schrijft zij- zag ik een afbeelding die ze daar ter bewaring naar toe
hadden gebracht [...]. Ze stelde Christus voor, met wonden overdekt, en stemde
zo tot godsvrucht, dat ze mij bij de aanblik ervan tot in het diepst van de
ziel beroerde, Hem in zo'n staat voor mij te zien, want zij drukte heel goed
uit wat Hij voor ons doorstaan heeft. Zozeer betreurde ik mijn ondankbaarheid
jegens zoveel lijden, dat mijn hart leek te breken en ik mij onder een vloed
van tranen op Hem stortte en Hem smeekte, dat Hij mij nu de kracht zou geven
Hem nooit meer te beledigen.»10 Het was geen
sentimentaliteit die haar deed schreien, maar liefde voor Christus, die ons
zozeer bemint en zoveel voor ons heeft geleden als bewijs van zijn liefde. En
het is heel logisch in een afbeelding, in een schilderij het gelaat dat men
bemint, te zoeken! Daarom zal zij verderop eraan toevoegen: «Ongelukkig degenen
die door eigen schuld dit grote goed verloren laten gaan! Het is duidelijk dat
zij de Heer niet beminnen, want als ze Hem wel liefhadden, zouden ze er behagen
in scheppen zijn beeltenis te aanschouwen, zoals we hier ook blij zijn als we
de beeltenis kunnen zien van iemand die we liefhebben.»11
Vaak kan het ons ook helpen, als we gebruik maken van ons
voorstellingsvermogen om ons met duidelijke beelden Jezus voor te stellen die
in Betlehem geboren wordt, die in het gezelschap van Maria en Jozef vertoeft,
die leert werken..., de zorgen van Maria's hart tijdens de vlucht naar Egypte...,
haar smart op Calvarië. Een andere keer voegen we ons bij de groep van intieme
vrienden, aan wie Jezus een parabel uitlegde; we zullen Hem vergezellen op zijn
lange tochten van stad naar stad, van dorp naar dorp...; we zullen met Hem het
huis van zijn vrienden in Bethanië binnengaan en de liefde aanschouwen waarmee
die broer en zussen Hem onthalen, en wij zullen leren beter met Hem om te gaan
in het tabernakel. Wij mogen geen onduidelijk en vaag beeld van Jezus hebben.
Hij is de Vriend, altijd dichtbij en vol aandacht.
In het innerlijk gebed zullen we de levende Christus
ontmoeten die op ons wacht. «Theresia nam stelling tegen de boeken die meditatie
voorstelden als een vaag opgaan in de goddelijkheid (vgl. Leven, 22,1), of als
een 'aan niets denken' (vgl. Innerlijke Burcht, 4,3,6); zij zag hierin het
gevaar dat men in zichzelf keerde en zich verwijderde van Jezus, van wie 'alle
goeds tot ons komt' (vgl. Leven, 22,4). Vandaar haar uitroep: 'zich van
Christus verwijderen... dat kan ik niet verdragen' (Leven, 22,1). Deze kreet
geldt ook in onze dagen tegen sommige gebedstechnieken die niet geïnspireerd
worden door het evangelie en die praktisch neigen naar een voorbijgaan aan
Christus, ten gunste van een geestelijke leegte die binnen het christendom geen
betekenis heeft.»12
Vele moeilijkheden verdwijnen wanneer wij ons voor zijn aanschijn
plaatsen en grote zorg besteden aan het voorbereidingsgebed dat we gewoon
moeten zijn te bidden: Heer, ik geloof vast dat Gij hier aanwezig zijt, dat Gij
mij ziet, dat Gij mij hoort; ik aanbid U met diepe eerbied... En als we in zijn
tegenwoordigheid zijn, zoals degenen die Hem aanhoorden in Nazaret of in
Bethanië, dan zijn wij al aan het bidden. Wij zien naar Hem, Hij ziet naar
ons...; wij richten een bede tot Hem...; we maken wat we misschien aan het lezen
zijn tot het onze, door stil te staan bij een paragraaf, en door een voornemen
te maken voor ons dagelijkse leven: beter voor het gezin zorgen, glimlachen ook
al zijn we vermoeid of verkeren we in moeilijkheden, intensiever werken, met
God voor ogen, met een vriend spreken opdat die gaat biechten... Ons zal
overkomen wat ook de heilige Theresia overkwam en allen die waarlijk gebeden
hebben: «Ik kwam altijd getroost uit het gebed en met nieuwe krachten»13, zo bekent zij ons.
33.3 Laten we niet ontmoedigd
raken als het gebed ons ondanks alles moeite kost, als we verstrooid raken, als
het ons toeschijnt dat we niet veel vruchten verkrijgen. Ontmoediging is in
veel gevallen de grootste moeilijkheid om in het gebed te volharden. De heilige
Theresia vertelt ons ook van haar strijd en problemen: «Enkele jaren lang hield
ik mij dikwijls meer bezig met uitzien naar het einde van het uur dat ik wilde
volmaken, en met luisteren of de klok nog niet sloeg, dan met andere, goede
dingen; ik weet niet welke zware boetedoening men mij dikwijls had kunnen opleggen
die ik liever volbracht had, dan mij in eenzaamheid terug te trekken voor het
gebed.»14
Als wij trachten de verstrooiingen te verdrijven en we ons inspannen
om liever 'de Heer van de vertroosting dan de vertroosting van God' te zoeken,
zoals zovele geestelijke schrijvers hebben opgemerkt, dan zal ons gebed
uiteindelijk altijd vruchtbaar zijn. In vele gevallen zal het zelfs een groot
goed zijn voelbare troost te ontberen, om zó met nog meer oprechtheid van
bedoeling Jezus te zoeken en ons inniger met Hem te verenigen. Soms is deze
dorheid die men in het gebed ervaart, geen beproeving van God, maar het
resultaat van gebrek aan echte belangstelling om met Hem te spreken, van het
niet voorbereid hebben van de geest, van gebrek aan edelmoedigheid in het
vasthouden van de verbeelding... We zullen edelmoedig en bereid moeten weten te
zuiveren. «In ieder geval zullen voor wie zich serieus inzet, tijden komen
waarin hij meent te dolen in een woestijn en hij ondanks alle inspanningen
niets van God 'voelt'. Hij moet dan weten, dat deze beproevingen niemand
bespaard blijven die het gebed ernstig neemt. Maar hij moet deze ervaring, die
alle biddende christenen gemeen hebben, niet onmiddellijk vereenzelvigen met de
'donkere nacht' van mystieke aard. Hij moet zich in ieder geval in die perioden
krachtig inspannen om het gebed te bewaren want, hoewel het hem de indruk kan
geven van een zekere 'gekunsteldheid', gaat het in werkelijkheid om iets
volledig anders: juist dàn vormt het gebed een uitdrukking van zijn trouw aan
God, in wiens aanschijn hij wil blijven vertoeven, ook al wordt hij door geen
enkele subjectieve vertroosting beloond.»15
Thans is, net zoals in de roerige tijden van de heilige
Theresia, «veel gebed nodig», want «de behoefte daaraan is groot.»16 De Kerk heeft gebed nodig, de maatschappij, de
gezinnen... en onze ziel. Het gebed zal ons in staat stellen vooruit te komen
in alle moeilijkheden en het zal ons verenigen met Jezus, die elke dag op ons
wacht op het werk, in onze gezinstaken..., maar op bijzondere wijze in de tijd
die wij alleen aan Hem wijden.
-1. H. Theresia van Ávila, Kloosterstichtingen, 29,6. -2. Idem, Brief 348,3. -3. Idem, Brief 354,4. -4. Idem, Brief 145,8. -5. Idem, Stichtingen, 29,11. -6. Idem, Leven, 19,2. -7. H.
Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over het
gebed. -8. H. Theresia van Ávila, Leven, 19,5. -9. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 464. -10. H. Theresia van Ávila, Leven,
9,1. -11. Ibidem, 9,6. -12. Johannes Paulus ii, Homilie in
Avila, 1-XI-1982. -13. H. Theresia van Ávila, Leven, 29,4. -14. Ibidem, 8,3.
-15. Congregatie voor de Geloofsleer, Brief Enkele aspecten van de christelijke meditatie, 15X-1989,
30. -16. Vgl. H. Theresia van Ávila, Brief 184,6.