3 juli. Feest
1. HEILIGE TOMAS, APOSTEL
Tomas is onder de andere apostelen bekend, omdat hij
aanvankelijk niet geloofde in de verrezen Jezus. Dit ongeloof vervloog echter
toen Christus hem verscheen. Zijn gebrek aan geloof geeft de Heer de gelegenheid
ons uit te nodigen ons geloof te versterken, dat zijn vaste punt heeft in het
historische feit van de verrijzenis van Christus. Wij weten niets met zekerheid
omtrent het leven van Tomas, behalve de summiere verwijzingen in de evangelies.
Volgens de traditie heeft hij India gekerstend. Sinds de zesde eeuw wordt zijn
feest gevierd op 3 juli, de dag waarop zijn lichaam naar Edessa werd
overgebracht.
-In afwezigheid van Tomas. -Zijn ongeloof. -Zijn geloof.
1.1 Toen Jezus, door de zusters
van de zieke Lazarus geroepen, zich opmaakte om naar Judea te gaan, waar Hem
hinderlagen en haat van de kant van de joden wachtten, zei Tomas tot de overige
leerlingen: Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.1 De Heer zal dit dappere en edelmoedige gebaar van de
apostel met dankbaarheid hebben aanvaard. Het zijn de eerste woorden die de heilige
Johannes van hem heeft opgetekend.
Later, tijdens de afscheidstoespraak bij het Laatste Avondmaal,
stelde Tomas de Meester een vraag waarvoor wij hem erkentelijk moeten zijn.
Want deze vraag was voor Jezus de aanleiding om ons een van de grote definities
van Zichzelf na te laten. De leerling vroeg Hem: Heer, wij
weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen? Jezus
antwoordde met de woorden die wij zo vaak overwogen hebben: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de
Vader tenzij door Mij.2
Nog in de middag van de zondag waarop Hij verrezen was,
verscheen Jezus aan zijn leerlingen. Hij kwam midden onder hen staan, zonder
dat de deuren geopend hoefden te worden, want zijn Lichaam was reeds
verheerlijkt; maar om de mogelijke indruk ongedaan te maken, dat Hij slechts
een geest was, toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. Toen was er voor de
leerlingen geen enkele twijfel meer mogelijk: het was Jezus zelf en Hij was waarlijk
verrezen. Hij begroette hen tot tweemaal toe met de woorden die onder de joden
gebruikelijk waren, met de eigen nadruk die Hij zo dikwijls op diezelfde
woorden zal hebben gelegd. De apostelen, die zo weinig geneigd waren om datgene
aan te nemen wat de bedding van hun ervaring en verstand te buiten ging, konden
geen enkele twijfel meer koesteren toen zij Christus zagen, die zij zo goed
kenden en die met hen sprak, zoals Hij bij andere gelegenheden gedaan had. Met
zijn vriendschappelijk en hartelijk gesprek verdwenen de angst en de schaamte
die zij zullen hebben gehad, omdat zij de Vriend in de steek hadden gelaten,
juist toen Hij hen het meest nodig had. Zo werd opnieuw de intieme sfeer
geschapen, waarin Jezus zijn bovennatuurlijke macht zal overbrengen.3 Maar Tomas was niet bij hen. Hij is de enige die ontbreekt.
Waarom was hij niet aanwezig? Was dat slechts toeval? Misschien verzwijgt de
heilige Johannes, de evangelist die ons deze scène heel gedetailleerd vertelt,
uit fijngevoeligheid, dat Tomas, nadat hij Jezus aan het kruis gezien had, niet
alleen geleden had zoals de andere leerlingen, maar zich van de groep
verwijderd had en in buitengewone wanhoop gestort was.4
Uit de verhalen van Matteüs en Marcus weten wij, dat de apostelen
van Jezus de aanwijzing ontvingen om aanstonds naar Galilea te gaan, waar zij
Hem in verheerlijkte toestand zouden zien. Waarom zijn zij dan toch acht dagen
langer in Jeruzalem gebleven, terwijl hen daar niets meer bond? Het is zeer wel
mogelijk, dat zij niet wilden weggaan zonder Tomas: zij gingen meteen naar hem
op zoek en probeerden hem op alle mogelijke manieren ervan te overtuigen, dat
de Meester verrezen was en wederom op hen aan het Meer van Tiberias zou
wachten. Toen zij hem vonden, zeiden zij met niet in te houden vreugde tot hem:
Wij hebben de Heer gezien!5
Ze herhaalden dit keer op keer, in verschillende toonaarden. Ze probeerden hem
in die dagen op alle mogelijke wijzen voor Christus te herwinnen. Het is zeker
dat de Heer, die ons als een Goede Herder altijd zoekt -ieder van ons-, dit oponthoud
zal hebben goedgekeurd. Wat zal Tomas later dankbaar geweest zijn voor al die
pogingen en dat zij hem ondanks zijn halsstarrigheid niet alleen hebben gelaten
in Jeruzalem! Dat is een les die ons vandaag kan helpen om te onderzoeken hoe
het gesteld is met onze broederlijkheid en onze standvastigheid jegens die
christenen, onze broeders, die op een gegeven ogenblik in wanhoop en
eenzaamheid kunnen vervallen. Wij mogen hen niet in de steek laten.
1.2 Steek uw
hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig maar gelovig.6
Tomas kon zijn wanhoop en ongeloof niet gemakkelijk overwinnen.
Op aandringen van de andere apostelen zei hij: Als ik niet
in zijn handen het teken van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de
nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.7 Deze woorden lijken een definitief, vastberaden
antwoord. Het was een harde repliek op de zorgzaamheid van zijn vrienden. Maar
ongetwijfeld heeft de vreugde van de overigen -welk een onmetelijke blijdschap
zal hun hart vervuld hebben!- de deur naar de hoop open gezet. Daarom keert hij
terug en zondert hij zich niet meer van hen af. Deze duistere halsstarrigheid
van Tomas staat in schril contrast met de grootheid van Jezus en zijn liefde
voor allen. De Heer staat niet toe, dat iemand van de zijnen verloren gaat; Hij
had al voor zijn leerlingen gebeden bij het Laatste Avondmaal, en zijn gebed is
steeds doeltreffend.8 Hij zelf komt voor Tomas
tussenbeide. De heilige Johannes verhaalt het als volgt: Acht dagen later waren
zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas erbij. Zij hebben
tenminste bereikt, dat hij met hen verenigd blijft! Hoewel de deuren gesloten
waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: Vrede
zij u. Toen richtte Hij zich vriendelijk tot Tomas en zei hem: Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en
leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig maar gelovig.9
Het is voor ons een reden tot hoop te overwegen, dat de Heer
ons nooit in de steek zal laten, als wij Hem niet verlaten, want Hij heeft ook
voor ons gebeden.10 Ook degenen die God aan onze
zijde heeft geplaatst zullen ons niet verlaten. Als wij ooit in duisternis
verkeren, hoe onze innerlijke toestand ook mag zijn, kunnen wij altijd steunen
op het geloof van de anderen, op hun voorbeeldigheid en op de kracht van hun
liefde. Wij hebben de plicht om degenen die de Heer ons op een of andere wijze
heeft toevertrouwd of die met ons hetzelfde geloof en dezelfde idealen delen,
te helpen en voor hen te zorgen, als zij eens door een donker dal heen moeten
gaan. De verantwoordelijkheid voor de trouw van anderen zal altijd een machtige
steun zijn voor de eigen trouw. «Alles zou beter gaan en wij zouden gelukkiger
zijn, indien wij ons zouden voornemen die waarheden en die mensen met wie wij
door banden van voortdurende verantwoordelijkheid verenigd zijn, beter te leren
kennen -om hen meer te kunnen beminnen. Nadenken over de eigen verplichtingen,
over de omstandigheden die het leven en de vrede van anderen raken, de gevolgen
van ons gedrag overwegen, de schade taxeren die onze ontrouw kan veroorzaken,
dàt is de eerste garantie van trouw. Daaraan moeten we altijd een
bovennatuurlijke overweging toevoegen: God is getrouw: Hij
zal niet toelaten dat gij boven uw krachten beproefd wordt (1 Kor
10,13).»11 De Heer zal ons nooit in de steek
laten. Laten wij dan onze broeders niet in de steek! Vergeten wij niet dat
allen -ook wij- soms een periode van blindheid en wanhoop kunnen doormaken.
Niemand van onze familie of onze vrienden is voorgoed verloren voor God, omdat
wij kunnen rekenen op de machtige hulp van de liefde, de genade en het gebed,
dat dan zulke verschillende uitingsvormen kan verkrijgen.
1.3 Toen Tomas Jezus zag en hoorde,
drukte hij in een paar woorden uit wat hij in zijn hart voelde: Mijn Heer en mijn God! riep hij uit, tot in het diepst van
zijn wezen ontroerd. Het is tegelijkertijd een daad van geloof, van overgave en
van liefde. Hij belijdt openlijk, dat Jezus God is en hij erkent hem als zijn
Heer. Jezus antwoordde hem: Omdat gij Mij gezien hebt,
gelooft ge. Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.12 En paus Johannes Paulus ii merkt op: «Dít is het geloof dat wij
moeten hernieuwen, door het spoor te volgen van ontelbare generaties van
christenen die gedurende tweeduizend jaar Christus, de onzichtbare Heer, hebben
beleden en daarvoor zelfs de marteldood hebben ondergaan. Zoals zovelen eerder
hebben gedaan, moeten wij de woorden van Petrus in zijn eerste Brief tot de
onze maken: Hem hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te
hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe
onuitsprekelijk zal uw vreugde zijn. Dàt is het ware geloof: absolute
overgave aan dingen die men niet ziet, maar die heel een leven kunnen vullen en
veredelen.»13
Vanaf dat moment was Tomas een ander mens, grotendeels dank
zij de broederlijke liefde van de overige apostelen. Zijn trouw aan de Meester,
die in die dagen van duisternis onmogelijk leek, werd krachtig en
onvoorwaardelijk, voor altijd. Zijn woorden hebben ons misschien geholpen om
vaak een geloofsdaad te stellen -Mijn Heer en mijn God-,
als we voor een tabernakel stonden of op het ogenblik van de consecratie
tijdens de heilige mis. Zijn persoon is vandaag voor ons een reden tot
vertrouwen op de Heer, die ons nooit zal verlaten, en reden tot hoop, als
degenen die door Gods wil ons nabij zijn, ooit momenten doormaken van verwarring
in hun trouw aan God. Onze bemoediging in zo'n situatie zal door de genade van
de Heer wonderen verrichten.
Met de liturgie bidden wij vandaag tot de Heer: Laat het feest van de heilige apostel Tomas ons reden geven tot
vreugde: mogen wij altijd steun vinden in zijn bescherming en, door te geloven,
leven bezitten in de naam van Hem die hij heeft erkend als zijn Heer en zijn
God.
De heilige Maagd, die in die dagen de apostelen zozeer nabij
was, zal aandachtig de ontwikkeling van Tomas' ziel gevolgd hebben. Misschien
is zij het wel geweest die verhinderd heeft, dat de apostel zich definitief zou
verwijderen. Wij vertrouwen haar vandaag onze trouw aan de Heer toe evenals de
trouw van hen die God op enigerlei wijze onder onze zorg heeft gesteld. Trouwe
Maagd..., bid voor hen..., bid voor mij!
-1. Joh 11,16. -2. Joh 14,5-6. -3. Vgl. The Navarre
Bible, noot bij Joh 20,19-20. -4. Vgl. O. Hophan, Los Apóstoles,
Palabra, Madrid 1982, bl. 216. -5. Joh 2,25. -6. Gebed na de communie. Vgl. Joh
20,27. -7. Joh 20,25. -8. Vgl. Joh
17,9. -9. Joh 20,26-27. -10. Vgl. Joh 17,20 -11. J. Abad, Fidelidad, Palabra, Madrid 1987, bl. 66-67. -12. Joh 20,29. -13. Johannes
Paulus ii, Homilie 9-IV-1983.