29 september (2). Feest
28. HEILIGE AARTSENGEL GABRIËL
De heilige Gabriël werd door God uitverkoren om aan de
allerheiligste Maagd het mysterie van de menswording van Gods Zoon aan te kondigen;
eerder had Hij hem reeds naar Daniël gezonden om hem de tijd waarin de Christus
geboren zou worden mede te delen, en naar Zacharias om hem de geboorte van de Doper
aan te kondigen. Gabriël is verbonden met de boodschappen over de Messias en
zijn aanwezigheid in de Heilige Schrift duidt de volheid van de tijden aan. .
De groet van de engel tot Maria, zo eenvoudig en betekenisvol -Wees gegroet,
Maria, vol van genade- is het vertrouwde en onophoudelijke gebed van het
christenvolk geworden.
In de eerste eeuwen van het christendom werd de heilige
Gabriël in de liturgie geëerd. In de negende eeuw verschijnt zijn naam op de
lijst van de heiligen op 24 maart, verbonden met het feest van Maria Boodschap
de dag daarop. In 1921 stelde Benedictus xv het feest verplicht voor de
hele Kerk; tegenwoordig wordt het gevierd op 29 september, samen met het feest
van de aartsengelen Michaël en Rafaël.
-De heilige Gabriël, 'Kracht van God'. -Aankondiger van het
leven dat geboren wordt. De waarde van ieder schepsel. -Kinderen, reden tot
vreugde.
28.1 De aartsengel Gabriël
verschijnt aan de mensen om hun het Woord Gods over te brengen. Zijn naam
betekent 'Dienaar Gods' en ook 'God heeft zich sterk getoond'. Hij dient zich
steeds aan als brenger van goed nieuws.1 Hij is
vooral door God belast met het brengen van de meest vreugdevolle van alle
boodschappen: de menswording van de Zoon van God. In het Oude Testament had hij
reeds aan de profeet Daniël de tijd waarin de Messias zou komen aangekondigd.2 Aan Onze Lieve Vrouw deelt hij namens God het
onuitsprekelijke mysterie mee van de menswording van zijn Zoon, die in haar
allerzuiverste schoot zou plaatshebben.3 «Vandaar
dat niet een gewone engel, maar de aartsengel Gabriël naar de maagd Maria
gezonden werd. Want voor deze dienst kon alleen een engel van de hoogste rang
in aanmerking komen, omdat hij de meest verhevene van alle boodschappen moest
overbrengen [...]. Gabriël, die 'Kracht van God' wordt genoemd, wordt naar
Maria gezonden. Hij kwam namelijk Hem aankondigen die nederig wilde verschijnen
om tegen de boze geesten in de hemel te strijden. Hij die komen zou als de
Heer, de sterke, de machtige, de held in de strijd, moest dus door de 'Kracht
van God' aangekondigd worden.»4
Zijn woorden worden iedere dag talloze malen herhaald, als
lofprijzing van Onze Lieve Vrouw zonder einde: Wees
gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u. Gij zijt de gezegende onder
de vrouwen..., zo zeggen ook wij tot haar in het binnenste van ons hart.
28.2 Ook aan Zacharias zal de
heilige Gabriël een geboorte aankondigen: die van de Voorloper. Hij spreekt tot
hem: Vrees niet, Zacharias, want uw bede is verhoord; uw
vrouw Elisabeth zal u een zoon schenken, die gij Johannes moet noemen.5 Hij geeft hem bovendien reeds drie redenen tot
vreugde over de geboorte van Johannes: God zal hem buitengewone genade en
heiligheid verlenen; hij zal een werktuig voor het heil van velen worden; en
zijn gehele leven zal zijn toegewijd aan de voorbereiding van de komst van de
verwachte Messias.6
Wij kennen de aartsengel Gabriël vanwege zijn betrekking tot
het leven dat geboren wordt: op een bovennatuurlijke en geheimvolle wijze in
het wonder dat de Heilige Geest zal bewerken in de schoot van Maria; op
wonderbare wijze in het geval van Johannes. Wanneer hij de boodschap heeft
overgebracht en van Zacharias afscheid neemt, zal hij tot hem zeggen: Ik ben Gabriël die voor Gods aanschijn staat, en ik ben gezonden
om tot u te spreken en u deze blijde boodschap aan te kondigen.7 Kinderen zijn altijd een blijde boodschap, waarin
God rechtstreeks heeft bemiddeld. En gij zult verheugd zijn
en het uitjubelen en vele mensen zullen zich over zijn geboorte verblijden.8 En de heilige Ambrosius tekent aan: «In deze tekst
worden de heiligen uitgenodigd zich te verheugen over de geboorte van hun
kinderen, en men verplicht de ouders God dank te brengen: het is waarachtig
geen geringe gave van de Heer kinderen te schenken die het menselijk geslacht
vermeerderen en erfgenamen van de familie zijn.»9
Het heilig gezin van Nazaret en het gezin van Elisabeth en Zacharias sloegen
een nieuwe koers in, nadat de heilige aartsengel zich met zijn tweevoudige
boodschap had aangediend. Hij kan een machtige voorspreker bij God zijn voor
vele echtparen die door God gezegend willen worden, of al zijn, met een nieuw
kind.
Ieder schepsel dat ter wereld komt, draagt een goddelijk plan
met zich mee. Daarom voelen ouders zich medewerkers van God en beheerders van
de levensbronnen die hun door God gegeven zijn om vele kinderen te krijgen, die
Hem kennen, Hem beminnen, Hem dienen en het eeuwige leven kunnen verwerven.
Tegenover de agressieve anti-geboortepropaganda dienen ouders verantwoordelijk
te zijn voor hun ouderschap tegenover God, die hun vaak zal vragen om een
talrijk gezin, overeenkomstig de mogelijkheden van hun concrete omstandigheden,
van hen persoonlijk en ook van hun gezin. «Om een vreugdevol gezinsleven te
kunnen leiden -merkte paus Johannes Paulus ii
op- worden offers verlangd, zowel van de kant van de ouders als
van de kinderen. Ieder gezinslid moet tot dienaar van de anderen worden en
allen moeten de lasten samen delen. Iedereen dient niet alleen bekommerd te
zijn om zijn eigen leven, maar ook om dat van de andere gezinsleden: voor hun
noden, verwachtingen, idealen. De beslissingen ten aanzien van het aantal
kinderen en de offers die daaruit voortvloeien, mogen niet alleen genomen
worden met het oog op de vermeerdering van het eigen comfort en het verzekeren
van een rustig leven. Wanneer zij over dit punt ten overstaan van God nadenken,
geholpen door de genade die uit het sacrament van het huwelijk voortkomt en
geleid door het onderricht van de Kerk, dan zullen ouders zelf bedenken, dat
het minder erg is hun kinderen bepaalde materiële gemakken en voordelen te
ontzeggen dan hen te beroven van de aanwezigheid van broers en zussen die hen
zouden kunnen helpen om hun menselijkheid te ontplooien en de schoonheid van
het leven in elk van zijn etappes en in heel zijn verscheidenheid te
verwezenlijken.»10
De Heer beloont reeds hier op aarde deze edelmoedigheid, die
de vrucht is van de kennis en de vervulling van Gods wil, hierin evenals in al
het overige. Men moet niet vergeten, dat het huwelijk een goddelijke, grootse
en wonderbare weg is en, zoals al het goddelijke in ons, concrete uitingen
bezit van beantwoording aan de genade, aan edelmoedigheid, overgave,
dienstbaarheid.11
28.3 Er is geen grotere vreugde
in een gezin dan de komst van een nieuw kind, van een nieuw broertje of zusje;
geen groter geschenk van God. Dat is van oudsher de vreugdevolle leer van de
Kerk die wij allen aan de wereld moeten doorgeven. Steeds gaan de woorden van
de engel in vervulling: Gij zult verheugd zijn en het uitjubelen
en vele mensen zullen zich om zijn geboorte verblijden. Paus Johannes
Paulus ii legt herhaaldelijk sterke
nadruk op de idee, dat de christelijke beschaving de beschaving van het leven
is, dat «kostbaar is, omdat het een gave van God is, wiens liefde oneindig is;
en als God het leven schenkt, geeft Hij het voor altijd. Het leven is bovendien
kostbaar, omdat het de uitdrukking en vrucht van de liefde is [...]. Het grote
gevaar voor het gezinsleven in een maatschappij, wier afgoden genot, gemakzucht
en onafhankelijkheid zijn, is gelegen in het feit dat de mensen hun hart
afsluiten en egoïsten worden»12, dat zij liever
een beetje méér materieel welzijn hebben dan de vreugde vele kinderen ter
wereld te brengen en hen op te voeden tot goede burgers en goede kinderen van
God. Vergeet niet: «Ieder kind dat God u schenkt is een grote goddelijke zegen:
wees daarom niet bevreesd voor kinderen!»13
Tot de aartsengel Gabriël, die Onze Lieve Vrouw de vreugde
aankondigde van de komst van het Leven in de wereld, bidden wij om kracht om
een apostolaat te vervullen dat vol is van vreugde ten gunste van het leven,
van edelmoedigheid, van gedeelde vreugde. «Wanneer het heilige karakter van het
leven vóór de geboorte wordt aangevallen» -merkte de paus op- «dan moeten wij
daarop reageren door te verkondigen, dat niemand ooit het recht bezit het leven
vóór de geboorte te vernietigen. Als men over een kind spreekt als over een
last of wanneer men het beschouwt als een middel om een emotionele behoefte te
bevredigen, dan moeten wij tussenbeide komen om te benadrukken, dat elk kind
een enige en unieke gave Gods is, dat recht heeft op een gezin dat in liefde
verenigd is. Wanneer de sluiting van een huwelijk wordt overgelaten aan egoïsme
of wordt teruggebracht tot een tijdelijke overeenkomst die men gemakkelijk kan
verbreken, dan moeten wij daarop reageren door de onlosmakelijkheid van de
huwelijksband te bevestigen. Wanneer de waarde van het gezin bedreigd wordt
door maatschappelijke en economische druk, dan moeten wij in verzet komen niet
alleen voor het eigen welzijn van ieder mens, maar ook voor het algemeen
welzijn van heel de maatschappij, natie en staat. Als dan vrijheid gebruikt
wordt om zwakken te overheersen, natuurlijke rijkdommen en energie te
verspillen en om de mensen de wezenlijke behoeften te ontzeggen, dan moeten wij
reageren door de beginselen van sociale rechtvaardigheid en liefde opnieuw te
bevestigen. Wanneer men zieken, ouderen, stervenden aan hun lot overlaat,
zullen wij in verzet moeten komen en verkondigen, dat zij liefde, zorg en
achting waardig zijn.»14
De Heer heeft gewild, dat wij apostelen zijn van het
positieve, het goede, het beminnelijke, door het kwade te
overwinnen door het goede.15 Laten wij
zoveel mogelijk, net zoals de heilige Gabriël, brengers zijn van goed nieuws
voor het gezin en voor de wereld. Er zijn er immers al zovelen die druk bezig
zijn om het kwaad te verbreiden; laten wij ijverig zijn om het goede te verbreiden,
te beginnen met ons eigen gezin. «Er zijn twee hoofdpunten in het leven van de
volkeren: de wetten betreffende het huwelijk en de wetten ten aanzien van het
onderwijs; en daarom dienen de kinderen Gods sterk te zijn, flink en dapper te
strijden, uit liefde voor alle schepselen.»16
-1. Vgl. J. Dheilly, Diccionario bíblico, Herder, Barcelona 1970, bl. 477-478.
-2. Vgl. Dan 8,15-26;9,20-27. -3. Lc 1,26-38. -4. H. Gregorius de
Grote, Homilieën over de Evangelies,
34,8-9. -5. Lc 1,13. -6. Vgl. Lc
1,14-17. -7. Lc 1,19-20. -8. Lc
1,14. -9. H. Ambrosius, in Catena
Aurea, vol. V, bl. 22; vgl. Tractaat over het
evangelie van Sint Lucas, in loc. -10. Johannes
Paulus ii, Homilie in het Capitool (Washington),
7-X-1979. -11. Vgl. Gesprekken met Mgr. Escrivá, 93.
-12. Johannes Paulus ii, loc. cit. -13. Vgl. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 691. -14. Johannes Paulus ii, loc. cit.
-15. Rom 12,21. -16. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 104.