29 september (3). Feest
29. HEILIGE AARTSENGEL RAFAËL
De heilige Rafaël is een van de aartsengelen die in de
Heilige Schrift vermeld worden, waar gezegd wordt dat hij een van de zeven
geesten is die voor Gods aanschijn staan. Rafaël betekent genezing Gods. Hij
werd door de Heer gezonden om de jonge Tobias op zijn reis te vergezellen en om
Sara in haar tegenspoed te hulp te komen. Vanaf zeer oude tijden roept de Kerk
hem aan als patroon van de reizigers; hij is met name de voorspreker op de weg
van het leven. Het feest van de heilige Rafaël wordt reeds in de liturgische
boeken van de Middeleeuwen aangetroffen. Het werd over heel de Kerk verbreid
door Benedictus xv in 1921; tegenwoordig wordt het gevierd op 29 september,
samen met het feest van de aartsengelen Michaël en Gabriël.
-De figuur van deze aartsengel in de Heilige Schrift. -De
persoonlijke roeping. -Anderen helpen om hun weg te vinden.
29.1 Van
ganser harte wil ik U roemen, Heer, U roemen voor de engelen.1
De heilige aartsengel Rafaël is ons met name bekend door het
verhaal van Tobias, «dat zo betekenisvol is vanwege het feit, dat aan de
engelen de kleine kinderen Gods worden toevertrouwd, want zij hebben steeds
behoefte aan veiligheid, zorg en bescherming.»2
De Heilige Schrift vertelt dat Tobias, toen hij, nog op jonge leeftijd, zich
gereedmaakte om een lange reis te gaan ondernemen, iemand
ging zoeken om hem te vergezellen en toen Rafaël vond; dit was een engel.3 Aanvankelijk wist Tobias niet wie zijn metgezel was,
maar onderweg kreeg hij de gelegenheid herhaaldelijk zijn bescherming te
ervaren. Hij leidde hem veilig en wel naar zijn verwante Rachel, met wier
dochter Sara hij huwde, na haar van een boze geest bevrijd te hebben. Hij genas
ook de oude Tobias van zijn blindheid. Daarom vereert men Rafaël als de patroon
van de reizigers en zieken.4
Op de terugreis onthulde de aartsengel zijn identiteit: Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen die de gebeden
van de heiligen opdragen en toegang hebben tot voor de heerlijke troon van de
Heilige.5
Het leven is een lange reis die bij God eindigt. Om die weg
te kunnen afleggen, hebben wij hulp, bescherming en raad nodig, want talrijk
zijn de mogelijkheden dat we verdwalen of onnodig onderweg halt houden en zo
kostbare tijd verliezen. God heeft ieder het pad gewezen -de persoonlijke
roeping- dat naar Hem toe leidt. Het is van groot belang de route niet kwijt te
raken, want waar het om gaat is de wil van God te leren kennen en die te volgen.
Daarom is de heilige Rafaël, hoewel we ons allemaal aan hem kunnen
toevertrouwen, vooral de leidsman van degenen die nog moeten leren kennen wat
God van hen verwacht. Voor sommigen zal het pad dat naar God leidt -de weg naar
heiligheid-, het huwelijk zijn door met God samen te werken om kinderen ter wereld
te brengen, hen op te voeden en zich voor hen op te offeren, opdat zij goede
kinderen Gods worden. «Moet je lachen omdat ik zeg dat je 'roeping voor het
huwelijk' hebt? -Welnu, die heb je: een echte roeping. -Beveel jezelf bij de heilige
Rafaël aan, opdat hij je kuis tot aan het einde van de weg leidt, zoals hij ook
Tobias geleid heeft.»6
Voor andere mensen heeft God plannen die vervuld zijn van een
bijzondere voorkeur. «Wat heb je hartelijk gelachen, toen ik je aanraadde je
jeugdjaren onder de bescherming van de heilige Rafaël te stellen: opdat hij
jou, zoals de jonge Tobias, tot een heilig huwelijk zou leiden, met een goede,
knappe en rijke vrouw -heb ik je, schertsend, gezegd.
»Hoe ging je daarna nadenken, toen ik hieraan de raad toevoegde
om je ook onder de bescherming van de jonge apostel Johannes te stellen: voor
het geval dat de Heer méér van je zou verlangen»7;
voor het geval dat Hij àlles van je verlangt, in een onvoorwaardelijke
overgave.
29.2 Ik zal
hem ook een wit steentje geven en daarop gegrift een nieuwe naam, die niemand
kent dan hij die hem ontvangt.8 De
heilige Johannes maakt hier melding van de gewoonte om een steen te tonen, op
de gepaste manier gestempeld, als kaartje of entreebiljet om aan een feest of
een maaltijd te kunnen deelnemen. Het is de uitdrukking van de unieke en
persoonlijke roeping en de bijzondere betrekkingen met God die deze genade met
zich meebrengt.
God roept ieder van ons om, vrijwillig, deel te hebben aan
zijn goddelijk heilsplan. Hij is altijd degene die roept, die werkelijk weet
welke de beste plannen zijn: Niet gij hebt Mij uitgekozen,
maar Ik u.9 Er gebeurt iets dat lijkt op
wat een filmregisseur doet die op zoek is naar de acteurs voor het draaiboek
van zijn film. «Hij zit voor zijn bureau, waarop dozijnen foto's liggen
uitgestald die hem door de fotografen zijn aangereikt. Na een tijdje kiest hij
er een uit, bekijkt die uitvoerig en zegt tegen zijn secretaresse: 'Ja, dit is
het type vrouw dat ik nodig heb. Bel haar op en maak een afspraak voor morgen'
[...].
»Door dit -uiteraard onvolmaakte- voorbeeld kunnen wij ons
een idee vormen van de ware reden van ons bestaan. Daar, in de diepste
eeuwigheid -in menselijke termen sprekend- ontwierp God heel het heelal en koos
Hij de hoofdrolspelers uit -allemaal- voor het grote schouwspel dat zich tot
aan het einde der tijden zou gaan ontplooien. Vóór zijn goddelijke geest defileerden
de foto's van de zielen -onbeperkt in aantal- die Hij wilde gaan scheppen. Toen
Hij op jouw beeltenis stuitte, hield Hij stop en zei: 'Dit is een ziel die Mij
tot liefde aanzet... Ik heb die nodig opdat die een unieke, persoonlijke rol
gaat vervullen en daarna voor eeuwig van mijn aanschijn zal genieten...»10 God hield halt, liefdevol, vol belangstelling, Hij
riep ons in het leven, en daarna tot de overgave, tot de trouwe vervulling van
zijn plannen, waar wij de volheid, het geluk zouden bereiken. «God heeft
inderdaad -zo merkt paus Johannes Paulus ii
op- vanaf de eeuwigheid aan ons gedacht en ons bemind als unieke
en onvervangbare mensen, door ieder van ons bij onze naam te roepen, zoals de
Goede Herder die zijn schapen bij hun naam roept
(Joh 10,3).»11
Roeping, dat is dit goddelijke plan met ons leven, dat zich
aandient als een weg die we moeten afleggen; en aan het einde daarvan staat God
op ons te wachten. Het is van groot belang dit pad te vinden, deze rol die God
ons wil laten vervullen in zijn heilswerk. «Als we moeten kiezen of een
beslissing nemen, dan gaat 'wat God wil' altijd vóór 'wat ik wil', voor wat ik
aangenaam vind of wat mij aanstaat. Dit betekent niet, dat Gods wil en de mijne
altijd tegenover elkaar moeten staan. Soms is het vervullen van zijn wil iets
uitermate aantrekkelijks. Maar andere keren beantwoordt onze wil niet helemaal
aan wat Hij zelf wil. Het conflict kan ontstaan, en wij moeten bereid zijn dat
te herstellen, wanneer wij ons ervan bewust zijn, dat onze wil en de zijne
verschillende richtingen inslaan. Het moet een onfeilbaar bewijs zijn, dat wij
God liefhebben, de beste manier om zijn liefde te beantwoorden.»12
Laten wij vandaag de heilige aartsengel Rafaël bidden, dat
Hij ons mag leiden opdat wij tussen de vele beslissingen die wij in het leven
moeten nemen, altijd de wil van God onze Vader weten te kiezen. Bidden we ook
voor onze vrienden, met name de jongsten, opdat zij de juiste weg naar de Heer
weten te vinden; laten we, zoals de aartsengel deed, proberen hen discreet en
eenvoudig te vergezellen, als een goede vriend, in de moeilijkste ogenblikken:
dat onze raadgeving en onze krachtige vriendschap hun nooit mogen ontbreken, en
dat we niet vergeten dat de meest goddelijke opdracht is met God samen te
werken in de redding van andere zielen.
29.3 Anderen ondersteunen op hun
weg naar de Heer is een van de meest edele opdrachten van ons bestaan. Wij willen
rechtstreeks naar de Heer gaan, en onderweg ontmoeten wij dikwijls anderen die
aarzelen, die twijfelen of de route niet kennen. God geeft ons licht voor
anderen: Gij zijt het licht der wereld13, heeft de Meester tot zijn volgelingen gezegd. Méér
licht, naarmate wij dichter bij Hem staan. Wanneer wij, christenen, dicht bij
de Heer in de buurt blijven, wanneer onze vriendschap met Hem waarachtig is,
dan zijn wij «dragers van de enige vlam die de aardse wegen voor de zielen kan
verlichten, de enige gloed die geen schaduw, schemering of duisternis kent. -
De Heer gebruikt ons als fakkels om dat licht te laten schijnen... Er hangt
veel van ons af. Als wij beantwoorden, zullen velen niet langer in de
duisternis blijven maar de paden volgen die naar het eeuwig leven leiden.»14 Wat een vreugde wanneer een vriend zijn roeping
heeft gevonden, of iemand die twijfelde opnieuw bevestigd is in zijn stappen!
Dikwijls gebeurt wat wij in het Boek Tobit lezen: hij ging iemand zoeken om hem te vergezellen. Onze
vrienden zullen ons altijd bereid moeten vinden om met hen de weg naar God toe
af te leggen. Vriendschap zal het gewone werktuig zijn waarvan God gebruik
maakt om velen tot zich te doen naderen of hun zijn oproep om Christus meer van
nabij te volgen te laten ontdekken. Daarom openbaren de deugden die de steun
zijn voor de vriendschappelijke omgang met de anderen, zich als zo voornaam:
voorbeeldigheid, vreugde, hartelijkheid, optimisme, begrip, belangeloosheid...
De Heilige Schrift betitelt vriendschap als een schat: Een trouwe vriend is een machtige schutsman; wie hem vindt, heeft
een schat gevonden. Een trouwe vriend is niet te betalen, het is een
heerlijkheid waar niets tegen opweegt.15
Ditzelfde zullen velen van ons moeten kunnen zeggen: dat wij voor hen die
trouwe vriend van onschatbare waarde zijn geweest, vooral omdat onze
vriendschap altijd ertoe diende dat zij dichter tot God kwamen en zij, in vele
gevallen, hun eigen weg ontdekten en volgden, de weg waartoe de Heer hen van
eeuwigheidswege heeft geroepen.
Cor Mariae dulcissimum iter para tutum.
Allerzoetst hart van Maria, bereid hun... bereid ons een veilige weg.
-1. Communio. Ps 137,1. -2. Johannes Paulus ii, Algemene
audiëntie 6-VIII-1986. -3. Tob 5,4. -4. Vgl. B. Baur, Sed luz, Herder,
Barcelona 1959, vol. IV, bl. 476. -5. Tob 12,15. -6.
H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 27. -7. Ibidem, 360.
-8. Apok 2,17. -9. Joh
15,16. -10. L.J. Trese, Dios
necesita de tí, bl. 17-18. -11. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Christifideles laici,
30-XII-1988, 58. -12. L.J. Trese, o
-13. Mt 5,14. -14. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 1.
-15. Sir 6,14.