29 juni. Hoogfeest (2)
58. HEILIGE APOSTEL PAULUS
-De Heer kiest de zijnen uit. -Roepstem van
God en apostolische roeping. -Apostolaat, een opoffering vergende, maar ook vreugdevolle
taak.
58.1 Wat moet
ik doen, Heer?1, vroeg de heilige Paulus op het
moment van zijn bekering. Jezus antwoordde hem: Sta op en vervolg uw reis naar Damascus; daar zal men u alles zeggen
wat gij te doen hebt. De vervolger, door de genade
omgevormd, zal de christelijke leer en het doopsel door middel van een mens
-Ananias- ontvangen, overeenkomstig de gebruikelijke wegen van de
Voorzienigheid. En nu hij Christus beschouwt als datgene dat waarlijk
belangrijk in zijn leven is, zal hij zich aanstonds met geheel zijn kracht
wijden aan het bekendmaken van de Blijde
Boodschap, waarbij hij zich niet stoort aan gevaren, rampspoed, lijden
en schijnbare mislukkingen. Hij weet dat hij het uitverkoren werktuig is om het
evangelie bij vele volkeren te brengen: Hij die mij vanaf mijn geboorte had uitgekozen en
mij riep door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren, opdat ik Hem
onder de heidenvolken zou verkondigen...2, zo lezen we in de tweede lezing van de heilige mis.
De heilige Augustinus beweert, dat de
hartstochtelijke ijver vóór zijn ontmoeting met Christus net zoiets was als een ondoordringbaar oerwoud, dat ondanks de grote
hindernis die het vormde, toch duidde op de vruchtbaarheid van de
bodem. Later zaaide de Heer daar het zaad van het Evangelie en de vruchten waren ontelbaar.3 Wat Paulus overkwam, kan met ieder mens
gebeuren, hoe ernstig zijn fouten ook
geweest mogen zijn. De geheimvolle werking van de genade verandert niet
de natuur, maar geneest en zuivert die, om ze daarna te verheffen en te vervolmaken.
De heilige Paulus is ervan overtuigd, dat God
op hem rekende reeds vanaf het ogenblik van zijn ontvangenis, vanaf de moederschoot,
zoals hij bij verscheidene gelegenheden herhaalt. In de heilige Schrift zien
we hoe God zijn gezanten reeds vóór hun geboorte uitkiest4; aldus wordt duidelijk gemaakt, dat het initiatief
van God uitgaat en voorafgaat aan elke persoonlijke verdienste. De apostel
merkt het uitdrukkelijk op: Hij
heeft ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld5, verklaart hij aan de eerste christenen van Efese. Hij
heeft ons geroepen met een heilige roeping, niet op grond van onze verdiensten, maar volgens
het vrije besluit van zijn genade6,
verduidelijkt hij eens te meer aan Timoteüs.
De roeping is een goddelijke gave die God van eeuwigheid uit heeft bereid. Toen de Heer zich aan
hem in Damascus openbaarde, vroeg
Paulus dan ook geen raad aan vlees en
bloed, hij raadpleegde geen mens,
omdat hij zeker ervan was, dat God zelf hem geroepen had. Hij lette niet
op de raadgevingen van de vleselijke
wijsheid, maar was volledig edelmoedig jegens de Heer. Zijn
overgave was onmiddellijk, volledig en onvoorwaardelijk. Toen de apostelen de uitnodiging van Jezus vernamen, lieten zij ook terstond7 hun netten in de steek en relictis omnibus, nadat
zij alles hadden achtergelaten8, gingen zij de
Meester achterna. Saulus, de vroegere vervolger van de christenen, volgt nu in
volledige bereidheid de Heer.
Wij allen hebben,
op verschillende manieren, een concrete oproep gekregen om
de Heer te dienen. Gedurende ons leven krijgen wij nieuwe uitnodigingen om Hem
te volgen in onze eigen omstandigheden, en we moeten edelmoedig jegens de Heer zijn bij elke nieuwe ontmoeting. In het
binnenste van ons hart zullen we Jezus moeten kunnen vragen, zoals sint Paulus:
wat moet ik doen, Heer? Wat wilt Gij dat ik voor U in de steek laat? Op welk
punt wilt Gij dat ik mij beter? Wat kan ik voor U doen, op dit moment van mijn
leven?
58.2 God riep de heilige Paulus met zeer uitzonderlijke tekenen, maar het
effect dat Hij in hem bewerkstelligde is hetzelfde dat bewerkt wordt door de
specifieke oproep die God tot velen richt om Hem te midden van hun wereldse
taken te volgen. Alle christenen worden door de Heer tot heiligheid en apostolaat geroepen; het gaat om een
veeleisende, soms zelfs heldhaftige roeping, want de Heer wil geen
lauwe volgelingen, tweederangs leerlingen. Maar sommigen worden, terwijl zij
hun werkzaamheden in de wereld blijven vervullen, door Christus geroepen tot
een bijzondere overgave om zijn rijk onder alle mensen te verbreiden. En
antwoordend op de specifieke roeping die men heeft gekregen, moet eenieder, als
men leerling van de Meester wil zijn, een apostolische levensopvatting hebben die hem ertoe zal brengen geen enkele
gelegenheid onbenut te laten om anderen tot Christus te brengen, hetgeen
tegelijkertijd betekent: hen tot de vreugde, de vrede, de volheid te brengen.
Het apostolaat was
voor Paulus en is dat ook voor ieder christen die zijn
roeping beleeft, een deel van zijn leven of liever
gezegd, zijn leven zelf; het werk wordt tot apostolaat, tot verlangen om
Christus bekend te maken, en hetzelfde geldt voor lijden of tijd van rust...;
tegelijk deze apostolische ijver is het onontbeerlijke voedsel voor het omgaan
met Jezus Christus. De Heer innig kennen leidt noodzakelijkerwijs tot het
uitdragen van deze ontmoeting: het is het «duidelijke teken van je overgave.»9 Wanneer het volgen van Christus tot werkelijkheid is
geworden, dan komt «de noodzaak tot uitgroeien, doen, geven, spreken, tot het
overleveren aan anderen van de eigen schat, het eigen vuur [...]. Het apostolaat
wordt tot een voortdurende uitbreiding van een ziel, tot een weelderige groei
van een persoonlijkheid, waarvan Christus bezit heeft genomen en die door zijn
Geest bezield wordt; men voelt de drang om te rennen, te werken, al het
mogelijke te proberen om Gods Rijk te verbreiden, om de anderen, om allen te redden.»10 Wee mij, als ik het evangelie niet
verkondig!11, roept de
apostel uit.
Wanneer wij de
Blijde Boodschap naar anderen brengen, dan vervullen wij
het gebod dat Christus ons heeft gegeven: Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan
heel de schepping.12 Bovendien
wordt het innerlijk leven verrijkt, zoals een plant die het benodigde water op
het juiste ogenblik krijgt. Sint Paulus geeft ons vandaag een voorbeeld en
helpt ons te onderzoeken of wij er een levend belang in stellen om de anderen
een beetje dichter tot God te doen naderen. Met Christus vereenzelvigd -de
hoogste ontdekking van zijn leven- die
niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen13, maakt de apostel zich tot dienstknecht
van allen om zovelen hij kan te winnen. Met de Joden ben ik Jood geworden -zo zegt hij
tot de Korinthiërs- om de Joden te winnen [...]. Met de zwakken ben ik
zwak geworden, om de zwakken te winnen. Alles
ben ik voor allen, om er tot elke prijs enkelen te redden.14
Wij bidden hem
vandaag om zulk een groot hart als het zijne, om over de
kleine vernederingen of de schijnbare mislukkingen
die elk apostolaat met zich meebrengt, heen te kunnen stappen. En wij
zeggen tegen Jezus, dat wij bereid zijn in harmonie met allen te leven, om
allen de mogelijkheid te bieden Christus te
leren kennen, zonder dat wij daarbij te zeer rekening houden met de offers en
het ongemak die dit voor ons kan meebrengen.
58.3 De heilige Paulus spoort Timoteüs en ons allen aan over God te spreken
te pas en te onpas15, met of zonder
aanleiding; dat wil zeggen, ook als de omstandigheden tegen zijn. Want er komt een tijd dat de mensen de
gezonde leer niet meer zullen verdragen. Zij zullen zich
een menigte leraars aanschaffen naar eigen smaak, die hun naar de mond
praten. En zij zullen hun oren sluiten voor de waarheid om te luisteren naar
allerlei mythen.16 Het is net, alsof de apostel
in onze tijd stond! Maar
gij -zegt hij tot Timoteüs en via hem tot iedere
christen- blijf
nuchter bij dit alles, aanvaard uw lijden, doe het werk van de evangelist, wijd
u geheel aan uw dienst.17
De priesters doen dit vooral door de prediking van Gods woord, door hun
persoonlijk voorbeeld, door hun liefde, hun
raadgevingen in het sacrament van de biecht. De leken -de overgrote
meerderheid van het volk van God- gewoonlijk door vriendschap, een vriendelijke
raad, door een gesprek onder vier ogen met de vriend die zich van de Heer lijkt
te verwijderen of met degene die nooit bij Hem is geweest... En dat alles aan de
uitgang van het instituut of kantoor, op dezelfde plaats waar men de
zomervakantie doorbrengt... Ouders met hun kinderen..., door het beste moment te
benutten of door de gelegenheid te scheppen...
Johannes Paulus ii
moedigde de jongeren aan -en iedere christen die Christus bezit, blijft altijd
jong van hart- tot een levend, direct en vreugdevol apostolaat: «Wees innige
vrienden van Jezus en geef je familie, je school, je buurtbewoners het
voorbeeld van jullie christelijk leven,
zuiver en blij. Wees altijd jonge christenen, ware getuigen van de leer van Christus. Méér nog, wees
Christusdragers in deze verwarde maatschappij, die Hem vandaag de dag
meer nodig heeft dan ooit. Kondig door jullie levenswijze allen aan, dat alleen
Christus de ware redding van de mensheid is.»18
Wij moeten vandaag tot sint Paulus bidden, dat
wij elke situatie die zich voordoet, tot een geschikte situatie weten te maken.
Ook «wie omwille van internationale betrekkingen, voor zaken ofwel voor een
vakantie op reis gaan, moeten wel bedenken, dat zij overal ook reizende
verkondigers van Christus zijn en zich ook werkelijk als zodanig moeten
gedragen»19, met de oprechtheid die tot uiting
wordt gebracht door een ziel die Christus gemaakt heeft tot spil waaromheen
alle andere levenszaken zijn gerangschikt. Zelfs kinderen -wat een prima
werktuigen van de Heilige Geest kunnen die zijn!- hebben hun eigen apostolische
activiteit, zoals het Tweede Vaticaans Concilie opmerkt, want «naar eigen
vermogen kunnen zij werkelijk levende getuigen van Christus zijn onder hun
leeftijdgenoten.»20
Verrassend, gelukkigmakend verrassend is de
onvermoeibare apostolische arbeid van de apostel. En wie Christus waarlijk
liefheeft zal de noodzaak voelen Hem bekend te maken, omdat -met de woorden van
de heilige Thomas van Aquino- de mensen hetgeen zij zeer bewonderen aanstonds
verbreiden, want waar het hart vol van is, loopt de mond van over.21
Bidden wij tot Onze Lieve Vrouw -Regina Apostolorum- dat
wij steeds beter mogen begrijpen, dat het apostolaat een vreugdevolle taak is,
ook al vraagt het offers, en ook dat wij onze grote verantwoordelijkheid jegens
alle mensen, heel bijzonder jegens degenen met wie wij dagelijks in contact
treden, beter leren kennen.
-1. Hnd 22,10. -2. Gal 1,15-16. -3. Vgl. H. Augustinus, Contra Faustum, 22,70. -4. Vgl. Jer 1,5; Jes 49,1-5; etc. -5. Ef 1,4. -6. 2 Tim 1,9. -7. Mt 4,20-22; Mc 1,18. -8. Lc 5,11. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 810. -10. Paulus vi, Homilie 14-X-1968. -11.
Vgl. 1 Kor 9,16. -12. Mc 16,15. -13. Mt 20,28. -14. Vgl. 1 Kor 9,19-22. -15. 2 Tim 4,2. -16. 2 Tim 4,3-4. -17. 2 Tim 4,5. -18. Johannes Paulus ii, Homilie 3-XII-1978. -19. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 14. -20. Ibidem, 12. -21. Vgl. H. Thomas van Aquino, in Catena Aurea, vol. IV, bl. 37.