29 juni. Hoogfeest (1)
57. HEILIGE APOSTEL PETRUS
Hoogfeest vanaf de eerste tijden van het
christendom. «De apostelen Petrus en Paulus worden, volkomen terecht, door de
christengelovigen beschouwd als de eerste pijlers -niet alleen van de Heilige
Stoel te Rome, maar eveneens van de universele Kerk van de levende God,
verspreid over de aardbol» (Paulus vi). Als stichters van de kerk van Rome, de Moeder en Meesteres van alle
overige christengemeenten, gaven zij een krachtige stoot aan de groei van de
Kerk met het hoogste getuigenis van «hun martelaarschap, dat zij heldhaftig in
Rome ondergingen: Petrus, die door onze Heer Jezus Christus was uitverkoren als
fundament van zijn Kerk en als bisschop van deze vermaarde stad, en Paulus, de
apostel van de heidenen, meester en vriend van de eerste aldaar gestichte
gemeente» (Paulus vi).
-De roeping van
Petrus. -De eerste onder de leerlingen van Jezus. -Zijn trouw tot in het
martelaarschap toe.
57.1 Zoals de meeste van de
eerste volgelingen van Jezus kwam Simon Petrus uit Betsaida, een stad in
Galilea aan de oever van het meer van
Genesaret. Hij was visser, zoals zijn overige familieleden. Hij leerde
Jezus kennen via zijn broer Andreas die kort tevoren, wellicht nog dezelfde
dag, een hele middag lang bij Johannes in
diens gezelschap had verkeerd. Andreas bewaarde de onmetelijke schat die
hij had gevonden niet voor zichzelf, «maar hij snelde vol blijdschap naar zijn
broer om hem te vertellen van de weldaad die hij had ontvangen.»1
Petrus kwam tot
vóór de Meester. Intuitus eum
Iesus..., toen Jezus hem aankeek... De Meester vestigde zijn blik op de pas aangekomene en drong tot in het diepste van zijn hart door. Wat
zouden wij graag die blik van Jezus, die in staat
is iemands leven te veranderen, hebben aanschouwd! Jezus keek Petrus op gebiedende en indringende
wijze aan. Door die visser uit Galilea heen zag Jezus heel zijn Kerk tot
het einde der tijden. De Heer laat zien, dat Hij hem al van altijd heen kent: Gij
zijt Simon, de zoon van Johannes! En Hij kent ook zijn toekomst: Gij zult Kefas -dat betekent: Rots-
genoemd worden. In deze paar woorden zijn de roeping en de
bestemming van Petrus, zijn handelen in de wereld bepaald.
Vanaf het begin «is de plaats van Petrus in de
Kerk die van een 'rots' waarop een gebouw gegrondvest is.»2 De Kerk in haar geheel en onze eigen trouw aan de
genade hebben als hoeksteen, als stevige basis de liefde voor, de
gehoorzaamheid aan en de eenheid met de paus van Rome; «in Petrus wordt de
kracht van allen versterkt»3, zo leert de
heilige Leo de Grote. Wanneer men naar Petrus kijkt en naar de Kerk op haar aardse
pelgrimage, dan kan men op haar de woorden
van Jezus zelf toepassen: de
regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de storm stak op en zij stortten
zich op dat huis, maar het viel niet in, want het stond gegrondvest op de rots4, de rots die met zijn zwakheden en tekortkomingen
ooit door de Heer was uitverkoren: een armzalige visser uit Galilea, en degenen
die hem later zouden opvolgen.
De ontmoeting van Petrus met Jezus moet een
diepe indruk hebben gemaakt op de aanwezige getuigen, die vertrouwd waren met
de scènes uit het Oude Testament. God zelf had de naam van de eerste aartsvader
gewijzigd: Gij zult Abraham heten,
dat wil zeggen: vader van een menigte volkeren.5 Eveneens veranderde Hij de naam van Jakob in die van
Israël, dat wil zeggen, Sterk tegenover
God.6 Nu is de naamsverandering
van Simon met een zekere plechtigheid omkleed, te midden van de eenvoud van de
ontmoeting. «Ik heb andere plannen met u», zal Jezus tot hem zeggen.
Het veranderen van een naam stond gelijk aan
het in bezit nemen van iemand, terwijl hem tegelijkertijd zijn goddelijke
zending in de wereld werd aangewezen. Kefas was geen eigennaam, maar de Heer geeft
die naam aan Petrus om aan te duiden, dat hij de taak van zijn Plaatsbekleder
zal vervullen, welke hem later in alle volheid zal worden geopenbaard.7 Wij mogen vandaag in ons gebed onderzoeken hoe het
gesteld is met onze liefde, in daden, jegens hem die de rol van Christus op
aarde vervult: of wij dagelijks voor hem bidden, zijn onderricht verbreiden, of
wij de echo van zijn bedoelingen zijn, of wij hem bereidwillig verdedigen,
wanneer hij wordt aangevallen of geminacht. Welk een vreugde bereiden wij God,
wanneer Hij ziet dat wij daadwerkelijk zijn Plaatsbekleder hier op aarde
liefhebben!
57.2 Deze eerste ontmoeting met de Meester was nog niet de definitieve
roeping. Maar vanaf dat ogenblik voelde Petrus
zich gegrepen door de blik van Jezus en door geheel zijn persoon. Hij
laat zijn werk als visser niet in de steek, luistert naar Jezus' onderricht,
vergezelt Hem bij diverse gelegenheden en maakt vele van zijn wonderen mee.
Hoogstwaarschijnlijk was hij aanwezig bij het eerste wonder van Jezus in Kana, waar hij Maria, de Moeder van Jezus,
leerde kennen, en later ging hij met Hem naar Kafarnaüm. Op een goede dag, aan
de oevers van het meer en na een uitzonderlijke en wonderbaarlijke visvangst,
nodigde Jezus hem uit om Hem definitief te volgen.8
Petrus gehoorzaamde aanstonds -zijn hart was langzaam
maar zeker door de genade hierop voorbereid-, en alles in de steek latend -relictis omnibus- volgde hij Christus, zoals de leerling die bereid is in alles het lot
van de Meester te delen.
Op een dag, tijdens een wandeling in Caesarea
van Filippus, vroeg Jezus aan de zijnen: Maar gij, wie zegt gij dat
Ik ben? Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van de
levende God.9 Vervolgens belooft
Christus hem plechtig het primaatschap over heel de Kerk.10 Wat zal Petrus enkele jaren later zich deze woorden
van Jezus herinnerd hebben, op die dag dat zijn broer Andreas hem bij Jezus had
gebracht: Gij zult Kefas genoemd
worden...!
Petrus veranderde
niet zo snel als hij van naam veranderd was. Hij legde niet van het ene op het
andere moment de kracht aan de dag die zijn nieuwe naam
aanduidde. Samen met een geloof, zo sterk als een rots, zien wij bij Petrus een
soms weifelend karakter. Bij één gelegenheid zal Jezus hem die het fundament
van zijn Kerk zal zijn, zelfs verwijten, dat hij voor Hem een aanleiding tot
ergernis is.11 God houdt rekening met de tijd
bij de vorming van eenieder tot zijn werktuigen en met hun goede wil. Als wij
de goede wil van Petrus bezitten, als wij onderdanig zijn aan de genade, dan
zullen wij de geschikte instrumenten worden om de Meester te dienen en de
opdracht die ons is toevertrouwd te volbrengen. Zelfs de gebeurtenissen die het
meest vijandig lijken, onze eigen dwalingen en aarzelingen, als we keer op keer
opnieuw beginnen, als wij tot Jezus gaan, als wij ons hart in geestelijke
richting openen, dan zal alles ons helpen om dichter te staan bij Jezus, die
nimmer nalaat onze ruwheid zachter te maken. En misschien zullen we in
moeilijke ogenblikken, zoals Petrus, horen zeggen: Kleingelovige, waarom heb je getwijfeld? 12 En we zullen naast ons Jezus zien staan, die ons de
hand toereikt.
57.3 De Meester gaf blijk van zijn bijzondere waardering voor Petrus; later
echter, toen Jezus hem het meest nodig had,
verloochende Petrus Hem, toen Hij alleen en verlaten was. Na de
verrijzenis, toen Petrus en andere leerlingen hun vroegere werk als vissers
weer opgenomen hadden, ging Jezus speciaal naar hem op zoek, en Hij openbaarde
zich door middel van een tweede wonderbare visvangst, die in Simons ziel
herinneringen zal hebben opgeroepen aan die andere, waarbij de Heer hem
definitief uitnodigde om Hem te volgen en hem beloofde dat hij visser van mensen zou zijn.
Jezus wacht hen nu op aan de oever en gebruikt
de stoffelijke middelen -houtskolen, vis...-,
die het realisme van zijn aanwezigheid benadrukken en de vertrouwelijke toon blijven geven, die Hij gewoon was te
gebruiken in het samenzijn met zijn leerlingen. Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van
Johannes, hebt ge Mij meer lief dan dezen?...13
Daarna kondigde de
Heer Simon aan: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: toen ge jong waart,
deed ge zelf uw gordel om en ging waarheen ge wilde, maar wanneer ge oud zijt,
zult ge uw handen uitstrekken, een ander zal u omgorden en u brengen waarheen
ge niet wilt.14 Wanneer de heilige Johannes zijn
evangelie schrijft, is deze voorspelling reeds in vervulling gegaan;
daarom voegt de evangelist eraan toe: Hiermee zinspeelde Hij op de dood waardoor hij God zou verheerlijken. Daarna bracht Jezus Petrus die gedenkwaardige
woorden in herinnering die ooit, jaren tevoren, aan de oever van hetzelfde
meer, het leven van Simon voor altijd hadden veranderd: Volg Mij.
Een vrome traditie
vertelt, dat Petrus tijdens de bloedige vervolging door Nero, op aandringen van
de christengemeente zelf, weg wilde trekken om een veiliger plek te zoeken. Bij de poorten van de stad ontmoette hij Jezus, beladen met het
kruis. Toen Petrus Hem had gevraagd: 'Waar gaat
Gij heen, Heer?' (Quo vadis, Domine?), antwoordde de Meester hem: 'Naar
Rome, om Mij daar opnieuw te laten kruisigen'. Petrus begreep de les en keerde
terug naar de stad, waar hem zijn kruis wachtte. Deze legende lijkt een laatste
echo te zijn van Petrus' protest tegen het kruis, toen Jezus hem voor de eerste
maal zijn Lijden aankondigde.15 Petrus stierf
korte tijd daarna. Een vroegere geschiedschrijver vermeldt, dat hij verzocht om
met het hoofd naar beneden gekruisigd te worden, omdat hij zich onwaardig
achtte om net zoals zijn Meester met het hoofd naar boven te sterven. Dit martelaarschap wordt in herinnering
gebracht door de heilige Clemens, de opvolger van Petrus in de leiding over de
Kerk van Rome.16 Minstens reeds vanaf de derde
eeuw herdenkt de Kerk op deze dag, 29 juni, het martelaarschap van Petrus en
Paulus17, de 'dies natalis', de dag waarop zij
opnieuw het aangezicht van hun Heer en Meester mochten aanschouwen.
Ondanks zijn zwakheden bleef Petrus Christus
trouw en gaf zelfs zijn leven voor Hem. Dàt vragen ook wij hem aan het einde
van deze overweging: trouw, ondanks de tegenslagen
en alles wat ons ongunstig gezind is vanwege het feit dat wij christenen zijn. Wij bidden hem om fortes in fide18, sterk
in het geloof te worden, zoals Petrus zelf aan de eerste
christenen van zijn generatie vroeg. «Wat zouden wij Petrus kunnen vragen tot
ons eigen heil, wat zouden wij tot zijn eer kunnen aanbieden behalve dit
geloof, dat ten oorsprong ligt aan ons geestelijk heil en onze belofte, door
hemzelf geëist, om trouw in het geloof te zijn?»19
Om deze sterkte
bidden wij ook tot onze Moeder, de heilige Maria, om ons
geloof ondubbelzinnig te bewaren, met serene kracht, in welke omgeving we ook
moeten leven.
-1. H. Johannes
Chrysostomus, in Catena
Aurea, vol. VII, bl. 113. -2. Paulus vi, Toespraak 24-XI-1965. -3. H. Leo de Grote, Homilie op het feest van de
Apostel Petrus, 83,3. -4. Mt 7,25. -5. Vgl. Gn 17,5. -6. Vgl. Gn 32,28. -7. Vgl. Mt 16,16-18. -8. Vgl. Lc 5,11. -9. Mt 16,15-16. -10. Mt 16,18-19. -11. Vgl. Mt 16,23. -12. Mt 14,31. -13. Joh 21,15 vv. -14. Joh 21,18-19. -15. Vgl. O. Hophan, Die
Apostel. -16. Vgl. Paulus vi, Apost. exhort. Petrum et Paulum, 22-II-1976. -17. Johannes
Paulus ii, Engel des Heren 29-VI-1987. -18. 1 Pe 5,9. -19. Paulus vi, Apost. exhort. Petrum et Paulum, cit.