2 oktober. Gedachtenis
30. HEILIGE ENGELBEWAARDERS
Reeds vanaf het begin van het christendom vinden we
getuigenissen van de devotie tot de engelbewaarders. Het feest, met universeel
karakter voor geheel de Kerk, werd door paus Clemens x in de zeventiende eeuw
ingesteld. De engelbewaarders zijn de boodschappers van God, belast met het
bewaken van ieder van ons, door onze weg op aarde te beschermen en met de
christenen de apostolische ijver te delen om de zielen tot God te brengen.
-Bestaan. -Het voortdurend dienstbetoon van de engelen aan
ons. -Met hen omgaan als met innige vrienden.
30.1 Alle
engelen van de Heer, zegent de Heer, zingt zijn lof en verkondigt zijn glorie
in eeuwigheid!1
De engelen verschijnen veelvuldig in de Heilige Schrift als
de gewone dienaren van God. Zij zijn de meest volmaakte schepselen van de
schepping, zij dringen met hun verstand door waar wij dat niet kunnen, en zij
aanschouwen als reeds verheerlijkte schepselen God van aangezicht tot
aangezicht.
Op de belangrijkste momenten van de geschiedenis der mensen
is een engel, die zich soms in menselijke gedaante vertoont, de boodschapper
van God geweest om zijn plannen aan te kondigen, om een weg te wijzen, om Gods
wil mee te delen. Wij zien hen onophoudelijk optreden als boodschappers van de
Allerhoogste, licht brengend, aansporend, bemiddelend, behoedend voor het
gevaar, straffend. Reeds de betekenis van het woord 'Engel' -gezondene,
afgezant- drukt zijn taak als boodschapper Gods voor de mensen uit.2 Zij werden altijd door het uitverkoren volk vereerd
en geacht. Wat zijn zij anders als dienende geesten, uitgezonden
ten behoeve van hen voor wie het heil is weggelegd?3
Het geloof in deze beschermingstaak van de engelen, die aan
privé-personen zijn verbonden, deed Israël uitroepen op het moment dat hij zijn
kleinkinderen, de zonen van Jozef, zegende: moge de engel
die mij verlost heeft uit alle nood deze jongens zegenen.4 En de eerste lezing van de heilige mis5 bevat de woorden van de Heer tot Mozes, die wij
vandaag mogen beschouwen als tot ons gericht: Zie, Ik zend
mijn engel voor u uit om u onderweg te beschermen en u te brengen naar de
plaats die Ik heb vastgesteld. En de profeet Elisa zal tot zijn dienaar
zeggen, die van schrik versteld stond bij het zien van de vijanden die hen van
alle kanten omringden: Wees niet bang, want er zijn er meer
met ons dan met hen. En Elisa bad: Jahwe, open hem de ogen, opdat hij moge
zien. En Jahwe opende hem de ogen, en daar zag hij dat over heel de berg rondom
Elisa paarden en wagens van vuur stonden opgesteld.6 Wat een zekerheid moet ons de aanwezigheid van de
engelbewaarders in ons leven geven! Zij troosten ons, verlichten ons, strijden
ten gunste van ons: in het heetst van de strijd zagen de
vijanden hoe vanuit de hemel vijf prachtig uitgedoste mannen, gezeten op
paarden met gouden teugels, de leiding namen van het joodse leger. Ze namen de
Makkabeeër in hun midden, beschermden hem met hun wapens en zorgden ervoor dat
hij niet gewond werd; op de vijanden schoten zij bliksemschichten af, waardoor
die verblind werden en in grote verwarring geraakten.7 Op zeer onderscheiden wijzen en manieren bemiddelen
de heilige engelen in ons leven van alledag. Welk een buitengewone
voorzienigheid, vervuld van goedheid, en welk een zorg heeft God toch met ons,
zijn kinderen, door middel van deze heilige beschermers! Laten wij bij hen
kracht zoeken in de gewone ascetische strijd, en hulp, opdat in ons hart de
vlammen van Gods liefde ontbranden.
30.2 Ik wil
uw lof bezingen, mijn God, in het bijzijn van uw engelen.8
Het leven en het onderricht van Jezus zijn vol van de aanwezigheid
en het dienstbetoon van de engelen. Gabriël deelt Maria mee, dat zij de Moeder
van de Heiland zal worden. Een engel verlicht en kalmeert de ziel van Jozef; er
zijn ook engelen die de geboorte van Jezus aankondigen aan de herders in
Betlehem. De vlucht naar Egypte, de bekoringen van de Heer in de woestijn, het
lijden in Getsemani, de verrijzenis en de hemelvaart worden eveneens bijgewoond
door deze dienaren van God, die op hun beurt voortdurend waken over de Kerk en
over ieder van haar leden, zoals de Handelingen der Apostelen en de oude
traditie getuigen.9 Voorwaar,
voorwaar, Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien
opstijgen en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.10
Vele heiligen en vele mensen die dicht bij God stonden, hebben
zich in hun aardse leven onderscheiden door hun vriendschap met hun
engelbewaarder, tot wie zij veelvuldig hun toevlucht namen.11 De H. Jozefmaria Escrivá koesterde een bijzondere
devotie tot de engelbewaarders. En juist op het feest dat de Kerk vandaag
viert, inspireerde de Heer hem tot de stichting van het Opus Dei, door middel
waarvan in mensen van elk menselijk en maatschappelijk slag de oproep tot
heiligheid in de wereld zou doorklinken, een heiligheid te midden van hun doen
en laten, door de omstandigheden heen waarin zich een gewoon leven ontvouwt.
Hij ging met zijn eigen engelbewaarder om en groette eveneens de engelbewaarder
van zijn gesprekspartner; hij zei van zijn engelbewaarder, dat deze «een
machtige handlanger» in zijn apostolische taken was, en hij bad hem ook om
materiële gunsten. Op een gegeven moment noemde hij hem eens 'mijn
horlogemaker', want zijn horloge stond herhaaldelijk stil en hij had geen geld
om het te laten repareren; daarom gaf hij zijn engel opdracht ervoor te zorgen,
dat het weer ging lopen.13 Hij wijdde één dag in
de week -dinsdags- aan een nog intensere omgang met hem.14 Op een keer, toen hij in Madrid woonde, te midden
van een sfeer van godsdienstvervolging, van een harde en agressief
anticlericale omgeving, kwam er op straat een onguur type op hem afstuiven met
de duidelijke bedoeling om hem aan te vallen. Onverwachts kwam er op
onverklaarbare wijze iemand tussenbeide, die de aanvaller verdreef. Het was een
kwestie van een ogenblik. Weer veilig en wel kwam zijn beschermer naar hem toe
en zei hem zachtjes in het oor: 'schurftig ezeltje, schurftig ezeltje!',
woorden waarmee hij zichzelf noemde, in nederigheid, in het diepst van zijn
ziel, en welke woorden alleen zijn biechtvader kende. De vrede en vreugde om de
zichtbare bemiddeling van zijn beschermer te herkennen, vervulden zijn ziel. 15 «Je staat versteld -zo schreef hij later- omdat je
engelbewaarder je zo duidelijk zijn diensten heeft bewezen. -En je hoefde niet
versteld te staan: juist daarvoor heeft de Heer hem naast je geplaatst.»16 Vandaag mag een dag zijn om onze devotie tot de
engelbewaarder opnieuw te bevestigen, want wij hebben hem zeer van node: God, in uw ondoorgrondelijke voorzienigheid zendt Gij uw engelen
om ons te bewaren -zo zeggen we tot de Heer met een gebed van de liturgie van
de heilige mis-. Verhoor ons gebed: schenk ons altijd hun bescherming en geef
ons eens de vreugde eeuwig bij hen te zijn.17
30.3 Hij
heeft zijn engelen last gegeven op al uw wegen u te bewaken... En de
heilige Bernardus tekent in een van de lezingen van het Getijdengebed van
vandaag hierbij aan: «Hoeveel eerbied moet dit woord inboezemen, hoeveel
verering opwekken en hoeveel vertrouwen schenken! Eerbied om hun aanwezigheid,
verering om hun genegenheid, vertrouwen om hun bescherming. Want de engelen
zijn bij u, zij zijn niet alleen met u, maar ook voor u. Zij zijn aanwezig om u
te beschermen, zij zijn aanwezig om u van dienst te zijn. Hoewel God het hun
opgedragen heeft, mogen wij niet ondankbaar zijn ten opzichte van hen die Hem
met zo grote liefde gehoorzamen en ons in zo grote nood te hulp komen.»18
Zij zullen op de handen u dragen, dat ge
niet uw voet aan een steen stoot.19 Zij
dragen ons op hun handen als een kostbare schat die God hun heeft toevertrouwd.
Zoals de oudere kinderen voor de kleintjes zorgen, zo helpen de engelen ons
totdat zij ons gelukkig en wel in het vaderhuis hebben binnengeleid. Dan zullen
zij hun taak volbracht hebben. Onze omgang met de engelbewaarder moet een
vriendschappelijk karakter hebben, dat tegelijkertijd echter hun overwicht in
natuur en genade erkent. Ook al is hun aanwezigheid minder zichtbaar dan die
van een aardse vriend, hun doeltreffendheid is vele malen groter. Hun
raadgevingen en aanbevelingen komen van God en dringen dieper door dan een
menselijke stem. En tegelijk is hun vermogen om ons te horen en te begrijpen
zeer veel groter dan die van de trouwste vriend; niet alleen omdat hun verblijf
aan onze zijde onophoudelijk is, maar omdat het dieper binnentreedt in onze
bedoelingen, verlangens en beden. De engel kan rechtstreeks in onze verbeelding
komen -zonder woorden-, door het oproepen van beelden, herinneringen, indrukken
die ons de weg wijzen die we moeten volgen. Hoe vaak zullen ze ons niet hebben
geholpen onze weg voort te zetten, zoals Elia die, achtervolgd door Jezabel,
bereid was te sterven onder een boomstruik onderweg -zo vermoeid was hij! Heel
zeker is, dat onze engel, zoals die van Elia, naar ons toe zal komen en ons zal
doen inzien: sta op en eet; anders gaat de reis uw kracht
te boven.20
Wij zullen ons nooit alleen voelen, als we er een gewoonte
van maken met deze trouwe en edelmoedige vriend om te gaan; met hem kunnen we
in alle vertrouwen spreken.21 Bovendien verenigt
hij zijn gebed met het onze en biedt het God aan.22
We zullen echter geestelijk met hem moeten spreken, want hij kan niet zoals God
in ons begripsvermogen doordringen. En dan zal hij uit ons binnenste meer
kunnen halen dan wij ooit zouden kunnen. «Wij mogen niet het verlangen
koesteren dat de engelen ons gehoorzamen... Maar we zijn er wel absoluut zeker
van, dat de heilige engelen ons altijd horen.»23
En dat is al voldoende.
Onze engelbewaarder zal ons tot aan het einde van de weg
vergezellen en, als wij trouw zijn, zullen wij samen met hem Onze Lieve Vrouw
aanschouwen, de Koningin van de engelen: haar
prijzen allen in eeuwigheid, zonder einde. Met dit engelenkoor zullen ook wij
ons, met de hulp van de genade, verenigen.
-1. Introïtus. Dan 3,58. -2.
Vgl. Johannes Paulus ii, Algemene audiëntie 30-VII-1986. -3. Heb
1,14. -4. Gn 48,16. -5. Ex
23,20-23. -6. 2 Kon 6,16-17. -7. 2 Mak 10,29-30. -8. Communio.
-9. Hnd 5,19-20;12,7-17. -10. Joh
1,51. -11. Vgl. G. Huber, Gods
engelen waken over ons, bl. 22 e.v. -12. A. Vázquez de
Prada, El fundador del Opus Dei,
Rialp, Madrid 1983, bl. 121. -13. Ibidem. -14. Ibidem, bl. 502, voetnoot 40. -15. Vgl. ibidem, bl. 136. -16. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 565. -17. Collectegebed.
-18. H. Bernardus, Preek
12 over Psalm 'Qui habitat', 3,6-8. -19. Ps 90,12.
-20. 1 Kon 19,7. -21. Vgl. A. Tanquerey, Kort begrip der
ascetische en mystieke theologie, 187. -22. Vgl. Origenes, Contra Celsum,
5,4. -23. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 339.