22 augustus. Gedachtenis
18. HEILIGE MAAGD MARIA KONINGIN
Dit Mariafeest werd door Pius xii in 1954 ingesteld, als
antwoord op het eensluidende geloof van geheel de traditie, die steeds haar waardigheid
van koningin heeft erkend, aangezien zij de Moeder is van de Koning der
koningen en Heer der heren. De heilige Maria is een uiterst toegankelijke
koningin, want alle genade bereikt ons via haar moederlijke bemiddeling. De
kroning van Maria tot koningin van heel de schepping -die wij overwegen in het
vijfde glorievolle geheim van de heilige rozenkrans- is nauw verbonden met haar
tenhemelopneming met ziel en lichaam.
-De heilige Maria, koningin van hemel en aarde. -Koninklijke
titels van Onze Lieve Vrouw. -Het koninkrijk van Maria wordt uitgeoefend in de
hemel, op aarde en in het vagevuur.
18.1 «De Moeder van Christus is
verheerlijkt als 'Koningin van allen'. Zij die bij de boodschap zichzelf dienstmaagd des Heren heeft genoemd, is heel haar aardse
leven trouw gebleven aan wat deze naam uitdrukt en daarmee heeft zij bevestigd
een echte 'leerlinge' van Christus te zijn die sterk benadrukt heeft dat zijn
eigen zending dienst is: de Mensenzoon is niet gekomen om
gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor
velen (Mt 20,28). Zo is Maria de eerste geworden onder hen die 'Christus
ook in de anderen dienen en aldus, door nederigheid en geduld, hun broeders
terugbrengen naar de Koning: Hem dienen is pas waarlijk heersen' (Const. 'Lumen
gentium', 36); zij heeft ten volle de 'staat van koninklijke vrijheid'
verworven die eigen is aan de leerlingen van Christus: dienen betekent heersen!
[...]. De glorie van het dienen houdt niet op haar
koninklijke verheffing te zijn: ten hemel opgenomen staakt zij haar
heilbrengende dienst niet...»1
Het dogma van de Tenhemelopneming dat wij vorige week hebben
gevierd, brengt ons als vanzelf bij het feest van vandaag: het koningschap van
Maria. Onze Lieve Vrouw is met lichaam en ziel ten hemel opgestegen om door de
Allerheiligste Drieëenheid gekroond te worden tot koningin en heerseres van de
schepping: «bij het einde van haar aardse loopbaan werd zij met lichaam en ziel
in de hemelse glorie opgenomen en tot koningin van allen door de Heer verheven,
om aldus vollediger gelijkvormig te worden aan haar Zoon, de Heer der heren (vgl. Apok 19,16) en de overwinnaar van
zonde en dood.»2 Deze waarheid is vanaf de oudste
tijden bevestigd door de godsvrucht van de gelovigen en onderwezen door het
leergezag van de Kerk.3 De heilige Ephraïm legt
Maria de volgende allerschoonste woorden in de mond: «De hemel moge me
ondersteunen met zijn armen, want ik word méér geëerd dan hijzelf. Want de
hemel was slechts uw troon, maar niet uw moeder. Welnu, hoeveel meer eer en
verering verdient de Moeder van de koning dan zijn troon!»4
Deze titel van Maria werd zeer dikwijls uitgedrukt door de
gewoonte om de afbeeldingen van de heilige Maagd op canonieke wijze te
'kronen', met uitdrukkelijk verlof van de pausen.5
De christelijke kunst heeft vanaf de eerste eeuwen Maria uitgebeeld als
koningin en keizerin, op een koninklijke troon gezeten, met de tekenen van
koninklijke waardigheid en door engelen omgeven. Soms wordt zij afgebeeld op
het moment, waarop zij door haar Zoon wordt gekroond. En de gelovigen hebben
een beroep op haar gedaan met deze gebeden: Gegroet
Koningin, Gegroet Koningin des hemels, Verheug u, Koningin des hemels...,
zo vaak herhaalde gebeden.
Bij vele gelegenheden hebben wij tot haar onze toevlucht genomen
door haar aan deze schone titel van haar koninklijke waardigheid te herinneren,
en we hebben dit overwogen in het vijfde glorievolle geheim van de heilige
rozenkrans. Vandaag doen we dat in ons gebed en gedurende heel de dag op
bijzondere wijze. «Gij zijt allerschoonst, in u is geen smet te bekennen. -Een
gesloten tuin zijt gij, mijn zuster, Bruid, een gesloten tuin, een verzegelde
bron. -Veni, coronaberis. -Kom: gij zult gekroond
worden (Hoogl 47,1-2.8).
»Als jij en ik dat hadden gekund, zouden wij haar ook tot koningin
en heerseres van al het geschapene hebben gemaakt.
»Er verscheen een groot teken aan de
hemel: een vrouw, op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. -Bekleed met de
zon. -De maan onder haar voeten. (Apok 12,1) [...]. De Vader, de Zoon en
de Heilige Geest kronen haar tot keizerin van het heelal.
»En de engelen betuigen haar eerbetoon als dienaren..., en de
patriarchen en de profeten en de apostelen..., en alle martelaren en belijders en
de maagden en alle heiligen..., en alle zondaars en jij en ik.»6
18.2 Gij zult
zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet
geven, want Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God
de Vader zal Hem de troon van zijn vader David schenken en Hij zal in
eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob en aan zijn koningschap zal
nooit een einde komen7, zo lezen we in
het evangelie van de mis.
Het koningschap van Maria is innig verbonden met dat van haar
Zoon. Jezus Christus is koning, omdat Hem een volledige en complete macht
toekomt, zowel in de natuurlijke als bovennatuurlijke orde; dit koningschap is
volkomen en tegelijk geheel eigen en absoluut. De titels 'koningin' en
'heerseres' die van toepassing zijn op de Maagd, zijn geen beeldspraak, we
duiden er een werkelijke voorrang mee aan en een authentieke waardigheid en
macht in de hemel en op aarde. Omdat zij de Moeder van de Koning is, is Maria
daadwerkelijk en echt koningin, staat zij boven de schepping en is zij waarlijk
de eerste menselijke persoon van het heelal. Zij, «allerschoonst en volmaakt,
bezit zulk een volheid van onschuld en heiligheid, dat men zich geen andere,
grotere kan voorstellen na God en die niemand buiten God ooit zal kunnen bevatten.»8
De titels van de koninklijke waardigheid van Maria zijn haar
vereniging met Christus als Moeder -zoals haar door de engel werd aangekondigd-
en de verbinding met haar Zoon, de Koning, en het heilswerk van de wereld.
Vanwege de eerste titel is Maria de Koningin-Moeder van een Koning die God is,
hetgeen haar verheerlijkt boven de andere menselijke schepselen; door de tweede
is Maria, Koningin, de uitdeelster van de schatten en weldaden van het
Koninkrijk Gods, vanwege haar werk als medeverlosseres.
Bij de instelling van dit feest nodigde Pius xii alle christenen uit te
naderen tot deze «troon van genade en barmhartigheid van onze Koningin en
Moeder om haar hulp in te roepen bij tegenslagen, licht in de duisternis,
verlichting bij smarten en pijn», en hij spoorde allen aan de Heilige Geest om
genade te bidden en zich in te spannen om de zonde te verafschuwen, zich van de
slavernij daarvan te bevrijden «om een voortdurende onderdanigheid te betuigen,
geparfumeerd met de godsdvrucht van kinderen», van wie zij Koningin en zulk een
grote Moeder is.9 Adeamus
ergo cum fiducia ad thronum gratiae, ut misericordiam consequamur... Laten wij
daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en
genade te verkrijgen en tijdige hulp.10
Deze troon, het symbool van het gezag, is de troon van Christus, maar Hij heeft
gewild dat in zijn Moeder een troon van genade is
waar wij gemakkelijker de barmhartigheid verkrijgen, want zij werd ons gegeven
«als voorspreekster van de genade en koningin van het heelal.»11
Vandaag beschouwen we het grote feest in de hemel: de Heilige
Drieëenheid komt onze Moeder tegemoet, reeds voor alle eeuwigheid ten hemel
opgenomen. «Het is terecht dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest de Maagd
kronen tot Koningin en Heerseres van heel de schepping. -Profiteer van die
macht en verenig je, met kinderlijke durf, met dat feest in de hemel. -Ik kroon
de Moeder van God en mijn Moeder met mijn gezuiverde ellende, want ik bezit
geen edelstenen of deugden. -Vat moed!»12 Zij
wacht op ons; zij wil dat wij ons verenigen met de vreugde van de heiligen en
de engelen. En wij hebben er recht op aan zo'n groot feest deel te nemen, want
zij is onze Moeder.
18.3 Er
verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan
onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren...13 Deze vrouw is de uitbeelding van de Kerk, maar ook
het symbool van Maria14, de Moeder van Jezus die
haar op Calvarië toevertrouwde aan Johannes: deze heeft met alle ijver voor
haar gezorgd en haar zo vaak aanschouwd. Toen hij, reeds op hoge leeftijd, deze
visioenen opschreef, oefende Maria haar koningschap vanuit de hemel uit. De
drie karaktertrekken waarmee de Apocalyps Maria beschrijft zijn symbool van
deze waardigheid: bekleed met de zon, stralend van
genade omdat zij Gods Moeder is; de maan onder haar voeten
duidt op haar souvereiniteit over heel de schepping; de
kroon van twaalf sterren is de uitdrukking van haar koningskroon, van
haar heerschappij over alle engelen en heiligen.15
In de litanie van de heilige rozenkrans herinneren wij ons dagelijks dat zij
is: koningin van de engelen, van de aartsvaders, van de
profeten, van de apostelen, van de martelaren, van de maagden, van alle
heiligen... Zij is ook onze koningin en leidsvrouwe.
Het koningschap van Maria wordt dagelijks op heel de aarde
uitgeoefend: zij deelt met gulle hand de genade en barmhartigheid van de Heer
uit. Tot haar nemen wij elke dag onze toevlucht en bidden wij om haar
bescherming; vele christenen bezoeken op zaterdag een van haar ontelbare
heiligdommen en zingen of bidden dan dat aloude gebed: Wees
gegroet, Koningin en Moeder van barmhartigheid, ons leven, onze zoetheid, onze
hoop... Dit koningschap wordt in de hemel uitgeoefend over de engelen en
alle zaligen, die hun bijkomstige glorie vermeerderen «door het licht dat Maria
hun schenkt, door de vreugde die zij ervaren bij haar tegenwoordigheid, door
alles wat zij doet voor de redding van de zielen. Zij openbaart de heiligen en
engelen Gods wil ten aanzien van de verbreiding van zijn Rijk.»16
Maria's heerschappij wordt eveneens in het vagevuur uitgeoefend.
, verklaart de Italiaanse dichter.17 Onze Moeder
brengt ons voortdurend ertoe om steun te vragen en te bieden voor hen die nog
gelouterd worden en staan te wachten om de hemel binnen te treden; zij biedt
God onze gebeden aan, en dàt vermeerdert hun waarde. Zij verleent in de naam
van haar Zoon aan deze zielen de vrucht van de verdiensten die Hij voor ons
heeft verworven, te zamen met die van hun eigen verdiensten. Onze Moeder is een
goede bondgenote om de zielen in het vagevuur te helpen en, als wij veel met
haar omgaan, zal zij ons ertoe bewegen onze fouten en zonden reeds in dit leven
te louteren en zal zij ons vergunnen haar aanstonds na onze dood te
aanschouwen; wij hoeven dan niet meer eerst door dat oord van wachten en
loutering heen te gaan, omdat wij hier reeds onze ziel van dwalingen en
zwakheden hebben gezuiverd.
Almachtige God, Gij hebt de Moeder van uw
Zoon uitverkoren om ons aller Moeder en Koningin te zijn. Geef goedgunstig dat
wij, gesteund door haar voorspraak, eens in het hemels koninkrijk de
heerlijkheid ontvangen die Gij uw kinderen hebt beloofd.18
-1. Johannes Paulus ii, Enc.
Redemptoris Mater, 25-III-1987, 41. -2. Vaticanum ii, Const. Lumen
gentium, 59. -3. Vgl. Pius xii, Enc. Ad caeli Reginam, 11-X-1954. -4. H. Efrem, Hymne tot de Zalige
maagd Maria. -5. J. Ibáñez-F. Mendoza, La Madre del Redentor, Palabra, 2e
ed., Madrid 1988, bl. 293. -6. H.
Jozefmaria Escrivá, De heilige Rozenkrans, 5e glorievolle geheim. -7. Lc
1,31-33. -8. Pius ix, Bul Ineffabilis
Deus, 8-XII-1854. -9. Pius xii, loc. cit. -10. Heb 4,16. -11. Altaarmissaal, Prefatie van de mis van dit feest. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 285.-13. Apok 12,1.
-14. H. Pius x, Enc. Ad diem illum, 2-II-1904. -15. Vgl. L. Castán, Las Bienaventuranzas de
María, BAC, Madrid 1971, bl. 320. -16. R. Garrigou-Lagrange
o.p., De Moeder van de Verlosser. -17.
Dante Alighieri, La
divina commedia, Il Purgatorio, 7,82-84. -18. Altaarmissaal.
Gebed van de mis.