28 december
H. Onnozele Kinderen
34. HEILIGE ONNOZELE KINDEREN
-Het
lijden, een realiteit in ons bestaan. Heiliging van het lijden. -Het kruis van
elke dag. -Wie lijdt met de bedoeling medeverlosser te zijn, zal door de Heer
getroost worden.
34.1 Zodra
Herodes bemerkte, dat hij door de Wijzen om de tuin geleid was, ontstak hij in
hevige toorn; hij zond zijn mannen uit en liet in Bethlehem en heel het gebied
daarvan al de jongens vermoorden van twee jaar en jonger, in overeenstemming
met de tijd waarnaar hij de Wijzen nauwkeurig had gevraagd.1
Het is niet makkelijk een
goede verklaring te geven voor het lijden, en nog minder voor het lijden van
onschuldigen. Het relaas van de heilige Matteüs dat we in het evangelie van
vandaag lezen, gaat over het op het eerste gezicht nutteloze en onrechtvaardige
lijden van een aantal jongetjes die hun leven geven voor een Persoon en voor
een Waarheid die zij nog niet kennen.
Het lijden is vaak
schokkend. Voor velen is het als een geweldige muur die hun belet God en zijn
eindeloze liefde voor de mensen te zien. God die almachtig is, waarom verhindert
Hij niet al dat schijnbaar nutteloze lijden? Het lijden is een mysterie. Toch
weet de christen met zijn geloof in de duisternis van het lijden, van zichzelf
of van een ander, de liefdevolle en voorzienige hand van zijn Vader God te
ontdekken, die meer weet en verder ziet. De gelovige hoort op de een of andere
wijze de woorden van de heilige Paulus aan de eerste christenen van Rome: God
bevordert in alles het heil van die Hem liefhebben2, ook dat wat voor ons pijnlijk
onverklaarbaar en onbegrijpelijk blijft. Evenmin mogen wij vergeten dat het
betere geluk en ons meest authentieke welzijn niet altijd gelegen is in dat wat
wij dromen en verlangen. Het is voor ons moeilijk de gebeurtenissen in het
juiste perspectief te zien. Soms bekijken we maar een heel klein stuk van de
werkelijkheid. We zien van de zaak alleen wat we recht voor ogen hebben. Wij
hebben de neiging het aardse bestaan als definitief te beschouwen en bezien de
tijd hier op aarde maar al te vaak als de periode waarin alle verlangens van
ons hart naar volmaakt geluk gerealiseerd en verzadigd moeten worden. «Het doet
ons, twintig eeuwen later, pijn als we denken aan die ouders en hun vermoorde
kinderen. Voor de kinderen was de doodsstrijd snel voorbij. In de volgende
wereld zouden zij Hem leren kennen voor wie zij gestorven waren. Voor eeuwig
verwierven zij de roem Hem gered te hebben. Voor de ouders zal het verdriet
langer geduurd hebben, maar bij hun dood zullen zij ontdekt hebben, dat God op
bijzondere wijze bij hen in het krijt stond; een schuld die Hij tegenover
niemand anders had. Zij en hun kinderen zijn de enigen geweest die ooit geleden
hebben om Gods leven te redden...»3
Het lijden verschijnt in
veel gedaanten, maar geen van alle is aantrekkelijk. Toch noemde Christus zalig4 (uitverkoren,
gelukkig, fortuinlijk), wie treurt, dat wil zeggen zij die in dit leven een
zwaarder kruis te dragen krijgen: ziekte, invaliditeit, lichamelijk lijden,
armoede, verdachtmaking, onrecht... Het geloof immers verandert het lijden van
teken, van min naar plus, als het, in eenheid met Christus, aanvaard wordt als
een 'liefkozing van God', als iets waardevols en vruchtbaars.
De vermoorde Kinderen
van Bethlehem zijn vrijgekocht voor God en voor het Lam als eerstelingen van de
mensheid; zij volgen het Lam waarheen Het ook gaat.5
34.2 Het
kruis, pijn en lijden, was het werktuig dat de Heer gebruikte om ons vrij te
kopen. Hij had zich van andere middelen kunnen bedienen, maar verkoos ons juist
met het kruis te verlossen. Vanaf dat moment heeft het lijden een nieuwe
betekenis, die alleen begrepen kan worden in verbinding met Hem.
De Heer heeft toen de
wetten van de schepping niet veranderd: Hij wilde een mens zijn zoals wij. Hij
had het lijden af kunnen schaffen, Hij is het voor zichzelf niet uit de weg
gegaan. Op wonderbare wijze voedde Hij complete menigten, toch wilde Hij honger
lijden. Hij deelde onze vermoeienissen en inspanningen. De ziel van Christus
ervoer alle bitterheden: onverschilligheid, ondankbaarheid, verraad, laster,
geestelijke pijn, tot het uiterste beladen met de zonden van de mensheid, de
schanddood aan het kruis. Zijn tegenstanders waren onthutst, omdat zij zijn
gedrag niet begrepen: Anderen heeft Hij gered -zeiden zij op spottende
toon- maar zichzelf kan Hij niet redden.6
Na de Verrijzenis zijn de
apostelen op weg gestuurd naar de hele wereld om de weldaden van het kruis
bekend te maken. Moest de Messias dat alles niet lijden, verklaarde de
Heer zelf aan de leerlingen uit Emmaüs, om zijn glorie binnen te gaan.7
De Heer wil dat wij het
lijden vermijden en tegen ziekte strijden met alle middelen die ons ter
beschikking staan; maar tegelijkertijd wil Hij dat wij een verlossende betekenis
geven aan lijden en pijn, ook als die ons onrechtvaardig en onevenredig groot
lijken. Deze leer vervulde de heilige Paulus in de gevangenis met blijdschap,
zoals hij liet weten aan de christenen van Klein-Azië: Op het ogenblik verheug
ik mij, dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt
aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn Lichaam, dat is de
Kerk.8
Wie hier op aarde lijdt
vanwege gekwetste trots, jaloezie, afgunst... zal door dat lijden niet geheiligd
worden. Van hoeveel lijden zijn wij zelf niet de oorzaak? Dat is niet het kruis
van Jezus, het is juist het kruis van hen die ver van Hem verwijderd zijn. Dat
is ons eigen kruis, zwaar en onvruchtbaar. Laten wij vandaag in ons gebed nagaan
of wij het kruis van de Heer blijmoedig dragen.
Vaak zal dit kruis bestaan
uit kleine tegenslagen die zich voordoen in het werk, irritaties in onze omgang
met anderen: misschien iets onvoorziens waar we geen rekening mee hebben
gehouden, het karakter van een persoon met wie we noodzakelijkerwijs van doen
hebben, plannen die op het laatste moment veranderd moeten worden, gereedschap
dat kapot is als het juist hard nodig is, moeilijkheden als gevolg van kou of
warmte, onbegrip, een griepje waardoor we minder goed kunnen werken...
Het lijden -klein of
groot- dat aanvaard en aan de Heer opgedragen wordt, veroorzaakt vrede en
hemelse rust. Als het niet aanvaard wordt,
blijft de ziel ontstemd, blijft er een inwendige opstandigheid die later
naar buiten treedt in de vorm van verdriet of een boze bui. Tegenover het kruis
van elke dag moeten we een welbesloten houding
aannemen en het opnemen. Het kruis kan een middel zijn dat God ons
stuurt om heel wat zaken uit ons voorbije leven te zuiveren, of om de deugden te beoefenen en om ons te verenigen met het
lijden van de Verlosser Christus, die, ook al was Hij onschuldig, de straf ondergaan heeft voor onze zonden.
God, op deze dag hebben
de Onnozele Kinderen uw lof verkondigd, niet door te spreken, maar door te
sterven. Wij vragen U: geef dat wij ons geloof in U niet alleen in woorden
uitdrukken, maar ook metterdaad belijden.9
34.3 Omwille
van Christus zijn de Onnozele Kinderen vermoord. Nu volgen zij het
Lam-zonder-gebrek en zeggen zonder ophouden: Lof zij U, o Heer.10
Zij die lijden met
Christus zullen als eersten Gods troost als beloning krijgen, hier in dit
leven, en later de grote vreugde van het eeuwig leven. Uitstekend, goede en
trouwe dienaar ... ga binnen in de vreugde van uw Heer11 zal de Heer ons aan het eind van
ons leven zeggen, als wij onze vreugden en onze droefenis samen met Hem hebben
weten te beleven.
Hij zal de
gelukzaligen alle tranen van hun ogen wissen, en de dood zal niet meer zijn;
geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.12 De hoop op de
hemel is een onuitputtelijke bron van geduld en energie in ogenblikken van
ernstig lijden. Zo ook is het feit dat wij door het geloof weten, dat ons
verdriet en onze smart onze broeders en zusters van nut zijn, een hulp om
lijden en vermoeidheid blijmoedig te ondergaan.
In verhouding tot wat God
ons bereid heeft, moet de last van ons verdriet licht lijken.13 Bovendien zijn
degenen die lijden medeverlossers met Christus. God de Vader zal onder hen een
grote troost verdelen, die hen middenin hun lijden zal vervullen met vrede. Want
wij delen volop in het lijden van Christus; maar door Christus gewordt ons ook
overvloedige vertroosting.14 De heilige Paulus voelt zich getroost door de goddelijke
barmhartigheid, en dat biedt hem de mogelijkheid de anderen te troosten en te
bemoedigen. God onze Vader zal altijd heel dicht bij zijn kinderen, de mensen,
zijn, maar het meest als zij lijden.
De broederschap tussen de
mensen brengt ons ertoe onderling dat dienstwerk van troost en hulp te
beoefenen: Troost elkander15, smeekt Paulus. Er zijn immers duizend zaken die ons
scheiden, maar leed verenigt. Het overkomt ons echter soms dat we in een
droevige situatie niet weten wat we moeten doen. Misschien zal ons, als we ons
dan een ogenblik terugtrekken in gebed en ons afvragen wat de Heer in precies
dezelfde omstandigheden gedaan zou hebben, overvloedig licht verschaft worden.
Soms zal het voldoende zijn die lijdende mens een tijdje gezelschap te houden,
met hem praten op positieve toon, hem bezielen zijn lijden op te offeren voor
concrete intenties, hem helpen een of ander gebed te zeggen, naar hem
luisteren enz.
In deze tijd zijn heel
veel mensen de christelijke betekenis van deze feesten vergeten. Daarom zullen
wij er het licht en het zout van onze versterving bijvoegen in de zekerheid zo
de Heer blijdschap te verschaffen en ertoe bij te dragen, dat andere zielen
naar Bethlehem gaan. Het veelvuldig beschouwen van Maria naast het kruis van
haar Zoon zal ons leren onze smart en ons lijden op te offeren en een groot
medelijden te hebben met hen die lijden. Laten wij haar vandaag vragen ons te
leren het lijden te heiligen door het te verenigen met dat van haar Zoon
Jezus. Laten we de heilige Onnozele Kinderen vragen ons te helpen de
versterving en het vrijwillig offer lief te hebben, lijden op te offeren,
medelijden te hebben met wie lijdt.
-1. Mt 2,16.
-2. Rom 8,28. -3. F.J. Sheed,
To know Christ Jesus, bl. 45-46. -4. Mt 5,5. -5. Communio. -6.
Mt 27,42. -7. Lc 24,26. -8. Kol 1,24. -9. Gebed uit
de Mis. -10. Introïtus. -11. Mt 25,21. -12. Apok 21,4.
-13. Vgl. 2 Kor 4,17. -14. 2 Kor 1,5. -15. 1 Tes 4,18.
|