Elfde week door het jaar. Dinsdag
32. Heiligheid in de wereld
-De universele roeping tot heiligheid. -Heilig worden, waar
we ons ook bevinden. -Alle omstandigheden zijn goed om ons te helpen in
heiligheid te groeien en een vruchtbaar apostolaat uit te oefenen.
32.1 De hele Heilige Schrift is
één oproep tot heiligheid, tot de volheid van de liefde, maar Jezus zegt ons
wel zeer uitdrukkelijk in het evangelie van de heilige mis van vandaag: Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is.1 En Christus richt deze woorden niet slechts tot de
apostelen of tot een kleine groep van zijn volgelingen, maar tot iedereen.
Matteüs merkt op, aan het einde van de bergrede, dat het
volk buiten zichzelf was van verbazing over zijn leer.2 Jezus vraagt de heiligheid niet aan een kleine,
exclusieve groep van leerlingen die Hem overal vergezellen, maar aan allen die
tot Hem naderen; de menigten, waaronder zich huismoeders bevonden, arbeiders en
handwerkslieden die, terugkomend van hun werk, halt hielden om naar Hem te
luisteren; kinderen, tollenaars, bedelaars en zieken... De Heer roept de mensen
op om Hem te volgen, zonder onderscheid naar status, ras of rang.
Christus zegt tot ons, tot ieder van ons afzonderlijk, tot
onze buren, collega's en vrienden van kantoor of van onze faculteit, en tot hen
die op dit ogenblik op straat lopen: Wees volmaakt.
Hij verstrekt ons tevens de passende genaden die de volmaaktheid mogelijk
maken. En dit is niet zozeer een raadgeving van de Meester, maar een veeleisend
gebod. «Allen in de Kerk, of zij nu zelf tot de hiërarchie behoren of onder
haar leiding staan, zijn tot heiligheid geroepen, volgens het woord van de
apostel: God wil dat gij u heiligt (1 Tes 4,3).»3 «Alle christenen, tot welke stand of staat zij ook
behoren, zijn geroepen tot de volheid van het christelijk leven en de
volmaaktheid van de liefde.»4 In de leer van
Christus treft men nooit een uitnodiging tot middelmatigheid aan, maar een
duidelijke oproep tot heldhaftigheid, tot liefde en tot vreugdevolle
offerbereidheid.
Liefde ligt binnen het bereik van het kind, van de zieke die
voor een lange periode gebonden is aan een ziekenhuisbed, van de zakenman of de
arts die nauwelijks een minuut vrij hebben. De heiligheid is een kwestie van
liefde en van de inspanning die we leveren om tot de Meester te komen, met de
hulp van de genade. Het gaat erom een nieuwe betekenis aan ons leven te geven,
met al zijn vreugden en met al zijn pijnen. Heiligheid vereist een strijd tegen
conformisme, tegen lauwheid, tegen de mentaliteit van het zich gemakkelijk
maken in deze wereld. Het vraagt om heldhaftigheid -niet in uitzonderlijke
situaties die we waarschijnlijk niet tegenkomen, maar in voortdurende trouw aan
onze plichten van elke dag.
De liturgie van vandaag citeert de heilige Cyprianus, die de
christenen van de derde eeuw aldus aanspoorde: «Geliefde broeders, we moeten
weten en steeds eraan denken, dat wij ons, omdat we God onze Vader noemen, als
zijn kinderen moeten gedragen, zodat Hij behagen in ons zal scheppen... Laten
we ons gedragen zoals betaamt aan degenen die tempel van God zijn... Hij heeft
gezegd: Weest heilig, omdat Ik heilig ben. Zo bidden
en smeken wij Hem, dat wij die geheiligd zijn in de doop, mogen volharden in
die eerste heiliging, en laten wij dit elke dag vragen».5 Vandaag smeken we God: Heer, geef ons een sterk
verlangen naar heiligheid, dat we voorbeeldig mogen zijn in onze werkzaamheden,
en U elke dag meer en meer liefhebben. Help ons uw leer overal te verbreiden...
32.2 De Heer is niet tevreden met
een lauw innerlijk leven en een halve overgave. Elke rank die vrucht draagt, zuivert Hij, opdat zij meer vrucht mag dragen.6 Daarom zuivert de Meester de zijnen, door hen beproevingen
en tegenslagen te laten ondergaan. «Als de goudsmid het goud herhaaldelijk met
een hamer slaat, dan is dit om de onzuiverheden eruit te halen; als dit
kostbare metaal wordt geschuurd, steeds weer opnieuw, dan gebeurt dit opdat het
nog meer gaat blinken. De warme oven beproeft de potten van de pottenbakker; de
mens wordt getest in tegenspoed.»7 Al het lijden
-geestelijk en lichamelijk- dat God toelaat dient om de ziel te reinigen, zodat
ze meer vrucht mag dragen. Zo moeten we het lijden altijd zien, nl. als een
genade van de hemel.
Elke tijd is een goede tijd om binnen te dringen in de
diepten van de heiligheid; alle omstandigheden zijn geschikt om God meer te
beminnen. Ons innerlijk leven voedt zich -voortdurend geholpen door de heilige
Geest- met de stof van de omstandigheden waarin ons leven zich beweegt, zoals
de planten. Planten kiezen de grond waarin ze groeien niet uit; de zaaier laat
het zaad op de aarde vallen, waar het gedijt door de nuttige elementen in de
grond, met behulp van regenwater, te veranderen in de substantie van het
wassende graan. En zo rijpt wat gezaaid is, groeit het op en wordt het een
sterk gewas.
Met des te meer redenen zullen wij groeien en sterk worden,
omdat het God onze Vader is die het terrein uitgekozen heeft en ons de
noodzakelijke genaden geeft om vrucht te dragen. Het stukje grond op aarde waar
God ons geplant heeft, is de concrete familie waarvan we deel uitmaken, die en
geen andere. We groeien op tussen hen die onze eerste, onmiddellijke omgeving
vormen, met al hun deugden, gebreken en persoonlijke eigenaardigheden. De rijke
aarde waarin we wortelen, is ons werk, waarvan we moeten houden om ons erin te
kunnen heiligen; onze collega's, onze studiegenoten, onze buren...
De aarde, waar we vruchten van heiligheid moeten voortbrengen,
is ons land, onze regio, onze stad, het heersende sociale of politieke systeem,
onze eigen manier van zijn, en geen andere. Daar, in die omgeving, midden in de
wereld, is het waar de Heer zegt dat we alle christelijke deugden moeten en
kunnen beleven, zonder ze minder veeleisend te maken. God roept mensen tot
heiligheid in alle omstandigheden: in oorlog en vrede, bij ziekte en
gezondheid, als we denken dat we gezegevierd hebben en als we onverwachte
mislukkingen tegenkomen, als we een overvloed aan tijd hebben of als de tijd
juist schaars is, zodat we nauwelijks lijken te kunnen uitvoeren wat we
minimaal moeten doen. De Heer wil dat we te allen tijde heilig zijn. Zij die
niet vertrouwen op de genade en de dingen gewoonlijk vanuit een volledig
menselijke oogpunt zien, zeggen voortdurend: dit, nu, is niet het goede moment
voor heiligheid... later... misschien...
Laten we niet denken dat wij op een andere plaats, in een andere
situatie wel klaar zouden zijn om Christus meer van nabij te volgen en een
vruchtbaarder apostolaat uit te oefenen. Laten we deze dromen terzijde
schuiven. De vruchten van heiligheid die de Heer verwacht, zijn die welke de
omgeving voortbrengt waar we ons bevinden, hier en nu: vermoeidheid, ziekte,
gezin, beroep, collega's, medestudenten... «Geef je dus niet over aan vals idealisme,
aan dromen en en fantasieën, aan wat ik pleeg te noemen 'ach-was-ik-maar-mystiek:
Was ik maar ongetrouwd gebleven, had ik maar een ander beroep gekozen, was ik
maar gezonder, was ik nog maar jong, was ik toch maar ouder...! Houd je liever
aan de heel materiële en directe realiteit, want daar is de Heer.»8 Dát is de omgeving waarin onze liefde tot God moet
groeien en zich ontplooien, door juist deze gelegenheden die we dichtbij vinden
te benutten... Laten we deze niet voorbij gaan, want juist daar wacht Jezus op
ons.
32.3 Als we het leven op louter
menselijke wijze beschouwen, lijkt het dan niet alsof er een aantal momenten of
situaties bestaan, die beslist minder gunstig zijn om in heiligheid te groeien
of om een vruchtbaar apostolaat te verwezenlijken? Denk maar eens aan
vakanties, examens, periodes van zeer grote werkdruk, oververmoeidheid,
ontmoediging... of wat te denken van een harde omgeving, netelige
beroepsbeslissingen die genomen moeten worden in een heidens geworden
atmosfeer, lastercampagnes... ? Niettemin zijn dit gewone momenten in elk
normaal leven: bescheiden successen en af en toe moeilijkheden, momenten waarop
we ons prima voelen en tijden van nogal slechte gezondheid, vreugde en verdriet
en zorgen; jaren van welvaart en misschien ook tijden van economische nood...
De Heer verwacht van ons dat we al deze omstandigheden veranderen in
gelegenheden tot heiliging en apostolaat.
Op dit soort momenten zullen we meer aandacht en zorg besteden
aan het persoonlijke dagelijkse gebed -we kunnen altijd tijd vinden: liefde is
vindingrijk in het vinden van tijd als het nodig is- aan onze omgang met Jezus
in het heilig sacrament, aan onze omgang met onze lieve Vrouw..., want dit zijn
juist de omstandigheden waarin we meer hulp nodig hebben. Deze hulp die we
nodig hebben, zullen wij verkrijgen in het gebed en in de sacramenten. Op zulke
momenten worden deugden versterkt en rijpt het hele innerlijke leven.
Evenmin moeten we op bijzonder gunstige omstandigheden
wachten om voort te gaan met ons apostolaat. Elke dag, elk moment is goed. Als
de eerste christenen gewacht hadden op gunstigere gelegenheden, dan zouden zij
maar weinigen tot het geloof bekeerd hebben. Deze taak zal altijd moed en een
geest van offerbereidheid vereisen.
De boer die het zware werk verricht, moet
het eerst van de vruchten genieten9.
Inspanning en beoefening van de menselijke deugden zijn noodzakelijk. In het
bijzonder het apostolaat vraagt volharding. De apostel Jakobus zegt: Hebt geduld tot de komst van de Heer. De boer die uitziet naar de
heerlijke vrucht van zijn land, kan alleen maar geduldig wachten, totdat de
winter- en voorjaarsregens gevallen zijn. Ook gij moet geduldig zijn en moedig.10 En met standvastigheid moet de edelmoedigheid
gepaard gaan, om met kwistige hand in het rond te zaaien, ook als we zelf de
resultaten niet zien.
Laten we de heilige Maagd vragen om een doeltreffend verlangen
naar heiligheid in de omstandigheden waarin we ons nu bevinden. Laten we niet
wachten op dat betere moment; dat is er niet. Dit is
het gunstigste moment, om God te beminnen met heel ons hart, met heel ons
wezen...
-1. Mt 5,48. -2. Mt 7,28. -3. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 39. -4. Ibidem, 40. -5. Getijdenboek, Dinsdag
van de elfde week, tweede lezing. -6. Joh 15,2. -7. H. Petrus Damianus, Brieven, 8,6.
-8. Gesprekken met Mgr. Escrivá, 116. -9. 2 Tim 2,6. -10. Jak 5,7-8.
|