Vijftiende week. Vrijdag
8. Het Paasfeest van Onze lieve Heer
-Het Joodse Paasfeest. -Het Laatste Avondmaal van de Heer
met zijn leerlingen. Het ware Paaslam. -De mis, middelpunt van innerlijk leven.
8.1 Het Paasfeest was het plechtigste feest van het Joodse jaar; het was
ingesteld door God om de uittocht van het Hebreeuwse volk uit Egypte te
herdenken, en jaarlijks hun de bevrijding van de slavernij waaraan ze onderworpen
waren geweest, in herinnering te brengen. De Heer had bepaald1 dat op de avond vóór het feest elk gezin een lam zou
slachten: het moest één jaar oud zijn en zonder smet of gebrek. De hele familie
moest bij elkaar komen om het dier dat op een open vuur geroosterd werd, te
eten te zamen met ongedesemd brood en met bittere kruiden. Het ongedesemd brood
was het zinnebeeld van de haast van hun uittocht uit Egypte, vluchtend voor de
legers van de Farao; de bittere kruiden vertegenwoordigden de bitterheid van de
vele jaren van slavernij. Zij moesten het haastig eten, met hun voeten
geschoeid en met de staf in de hand, zoals mensen die gereed staan om op reis
te gaan.
Het feest begon met het paasmaal kort na zonsondergang op de
avond van de veertiende Nissan, de eerste maand van het Hebreeuwse jaar, en
duurde zeven dagen. Gedurende deze periode werd geen gist gebruikt om brood te
bakken, vandaar dat het bekend stond als de 'Azymen', of 'dagen van het
ongedesemde brood'. Alle gist werd op de avond van de veertiende uit de huizen
verwijderd; op deze wijze riep het Hebreeuwse volk de plotselinge uittocht in
herinnering uit het land waar zij zoveel hadden geleden.
Dit alles was een afbeelding en gelijkenis van de wedergeboorte
die Christus teweeg zou brengen, en van de bevrijding van de slavernij van de
zonden. Doet het oude
zuurdeeg weg, om vers deeg te worden, ge moet immers zijn als ongezuurde
paasbroden, want ook ons paaslam is geslacht: Christus zelf. Wij moeten ons
feest niet vieren met het oude zuurdeeg, met het bederf van slechtheid en boosheid,
maar met het zuivere brood van reinheid en waarheid.2 Het paaslam van het Joodse feest was een belofte en
voorafbeelding van het ware Lam, Jezus Christus, geslachtofferd in het offer
van Calvarië ten behoeve van het hele menselijke geslacht.3 Hij is het echte Lam dat de zonde van de wereld
wegnam. Door te sterven vernietigde Hij onze dood, door te verrijzen gaf Hij
ons het leven terug.4 Hij is het Lam dat, door
zijn vrijwillig offer, werkelijk verkrijgt wat de offers van het Oude Testament
alleen maar afbeeldden, namelijk, genoegdoening aan God voor de zonden van de
mensheid.
Het offer van Christus aan het Kruis, telkens hernieuwd als
de mis wordt opgedragen, stelt ons in staat in een voortdurende toestand van
dankzegging te leven. Daarom spoorde de heilige Paulus de Korintiërs aan het
oude zuurdeeg te verwijderen, zinnebeeld van alles wat oud en onrein is, zodat
zij een geloofwaardig christelijk leven zouden kunnen leiden.5 De mis, die wij gedurende de hele dag geestelijk
kunnen beleven, is een voorsmaak van de hemelse glorie. «Is het dan mogelijk,
na zoveel weldaden te hebben gekregen, om niet in een voortdurende staat van
dankzegging te zijn gedurende ons leven op aarde?» vraagt de heilige Johannes
Chrysostomus. «Laat het verre van ons zijn, vanwege armoede, ziekte of vervolging
de moed te verliezen. Het huidige leven is een tijd van dankzegging»6, een voorsmaak van eeuwigdurende glorie en geluk.
8.2 Jezus kondigde het laatste paasmaal dat Hij met zijn volgelingen zou
gaan eten, van tevoren en met speciale nadruk aan7;
om hen laten begrijpen hoe vurig Hij ernaar verlangde het met hen te eten.8
Johannes en Petrus maakten al wat nodig was klaar: het
ongedesemde brood, de bittere kruiden, de bekers voor de wijn, en het lam dat
die middag in het atrium van de Tempel was geslacht. Die avond, waarschijnlijk
in het huis van Maria, de moeder van Marcus, had de instelling van de heilige
eucharistie plaats, en op het Nieuwe Verbond, dat de volgende dag in vervulling
zou gaan, werd sacramenteel vooruitgelopen. «Aan dezelfde tafel wordt twee maal
Pasen gevierd, éénmaal symbolisch en éénmaal in werkelijkheid. Precies zoals
een schilder op hetzelfde oppervlak eerst de contouren uittekent en dan de
kleuren invult, zo ook handelt Christus.»9
Gebruik makend van de oude ritus van het Joodse Paasfeest, stelde Hij het
waarachtige Pasen in, het feest bij uitstek, waarvan het eerste slechts het
zinnebeeld was. Op dat ogenblik hebben de bittere kruiden een correlatie met de
bitterheid van het Lijden dat op het punt stond te gebeuren.
Het paasmaal werd een offer, het offer van het Sterven van de
Heer.10 De mis is ook een offer, de onbloedige
maar werkelijke hernieuwing van het offer van het Kruis. Bij het Laatste
Avondmaal anticipeerde Jezus in sacramentele vorm -mijn Lichaam, dat voor u gegeven wordt... mijn
Bloed, dat voor u wordt vergoten- het offer dat Hij de volgende
dag op Calvarië ten uitvoer zou brengen. Jezus verving, eens en voor altijd, de
oude ritus door zijn verlossend offer. Die avond in het cenakel werd de
gebeurtenis voltrokken waardoor ontelbare generaties van mensen het leven
hebben verkregen, en dat het middelpunt is van ons echte leven. «O gelukkige
plaats» roept de heilige Efrem uit, «waar het paaslam naar voren treedt om het
Lam van de Waarheid te ontmoeten!... O gelukkige plaats! Nooit was er een tafel
klaargemaakt zoals de uwe, noch in het paleis van de koningen, noch in de Tent,
noch in het Heilige der Heiligen.»11
Door de Apostelen en hun opvolgers de macht te verlenen het
uit te voeren met de woorden: Doet dit tot mijn gedachtenis12 maakte de Heer het mogelijk dat dit geheim van
liefde tot op het einde der tijden herhaald kan worden. Hoe dankbaar behoren
wij te zijn voor de talloze weldaden die wij in de heilige communie ontvangen!
Hoe dicht is diezelfde Jezus bij ons die zich op die gedenkwaardige avond
volledig overgaf voor zijn volgelingen en alle mensen. Nu kunnen wij Hem
zeggen, in de vertrouwelijkheid van ons hart: «ik hou van U, Heer Jezus, met
heel mijn hart, heel mijn ziel, en al mijn krachten; en als U ziet dat ik U
niet bemin zoals het behoort; verláng ik op zijn minst U zo lief te hebben; en
als ik het niet genoeg verlang, wíl ik op zijn minst het op die manier verlangen...
O allerheiligst Lichaam, opengescheurd door vijf wonden, leg Uzelf als een
zegel op mijn hart en druk er uw liefde op! Teken mijn voeten, zodat ik uw
voetstappen mag volgen; teken mijn handen, zodat zij altijd goede werken mogen
doen; teken mijn zijde zodat die altijd mag branden van vurige liefde voor U. O
allerkostbaarst Bloed dat alle mensen schoonwast en zuivert! Was mijn ziel en
maak een teken op mijn aangezicht zodat ik nooit iemand anders dan U zal
liefhebben.»13
8.3 Op dat laatste paasfeest droeg Jezus zichzelf op aan zijn Vader als
slachtoffer om te worden geofferd als het meest zuivere Lam. En beide, dat
Avondmaal en de mis vormen één enkel en volmaakt offer met het offer, opgedragen
op Calvarië, omdat in alle drie gevallen het opgedragen offer en de priester
die het opdraagt dezelfde is, namelijk Christus.
Wij moeten de mis het middelpunt van ons hele leven maken.
«Strijd om te verkrijgen, dat het heilig Altaar offer, middelpunt en wortel van
je bestaan wordt, op een wijze dat de hele dag een eredienst wordt -een verlengstuk
van de mis die je bijgewoond hebt en een voorbereiding op de volgende- die
overstroomt van schietgebeden, bezoeken aan het Allerheiligste, het offeren van
je beroepsbezigheden en je gezinsleven...»14
Laten wij ons op de mis voorbereiden alsof de Heer ons
persoonlijk had uitgenodigd voor het laatste paasmaal dat Hij met zijn nauwste
vrienden gebruikte. Elke dag behoren wij in ons hart die woorden van de Heer te
horen, als aan ons gericht: Desiderio desideravi hoc Pascha manducare vobiscum, - vurig heb Ik
verlangd dit paasmaal met u te eten.15
Groot is het verlangen van Jezus, en de genadegaven die Hij voor ons
gereedmaakt zijn groot in aantal.
Van de heilige Johannes van Ávila wordt het verhaal verteld
dat, toen hij het bericht ontving van de dood van een priester die juist gewijd
was, hij vroeg of hij er nog in geslaagd was de mis op te dragen voordat hij
stierf. En toen hij vernam dat die priester dat slechts éénmaal had kunnen
doen, wordt gezegd dat de heilige opgemerkt heeft: 'Hoeveel rekenschap zal hij
aan God moeten afleggen!' Laten wij nu overwegen, gedurende deze tijd van
gebed, hoe wij het heilig offer van het Altaar vieren of eraan deelnemen; en
wat we kunnen zeggen over onze verlangens, onze voorbereiding, onze
inspanningen om te verhinderen dat andere zaken onze geest bezighouden; onze
akten van geloof en van liefde gedurende die al te korte tijd die wij aan het
mishoren wijden en aan onze dankzegging na de heilige communie.
Als wij, met de hulp van de genade, er werkelijk aan werken,
zal de mis voor ons het middelpunt zijn waar wij al onze vroomheidsuitingen,
onze gezins- en maatschappelijke verplichtingen, ons werk en ons apostolaat op
terugvoeren. Het zal ook de bron worden waar wij onze kracht terugvinden om
elke dag opnieuw te beginnen; het toppunt waarnaar we onze schreden, onze
bezigheden, onze apostolische wensen en de meest vertrouwelijke verlangens van
onze ziel richten. Het zal ook het hart zijn van waaruit wij leren anderen lief
te hebben die gebreken hebben precies zoals wij die ook hebben, en die zoals
wijzelf hun minder aantrekkelijke kanten hebben. Als we erin slagen de mis elke
dag een beetje meer te beminnen, zullen wij tegen de Heer bij de dankzegging na
de heilige communie kunnen zeggen: «Ik ga U nu voor een tijdje verlaten, Heer
Jezus, maar ik ga niet zonder U die mijn troost is, mijn vreugde en al het
goede van mijn ziel... Vanaf nu zal ik, wat ik ook doe, voor U doen en door U,
en niets anders als U, mijn geliefde, zal het doel zijn van mijn woorden en
daden...»16
-1. Eerste
Lezing, Jaar I, Ex 12,1-14. -2. 1 Kor 5,7-8. -3. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
III, q73, a6. -4. Romeins
Missaal, Prefatie van Pasen I. -5. Vgl. The Navarre Bible, in
loc. -6. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over 1 Korintiërs,
5,7-8. -7. Vgl. Joh
2,13-23; 6,4; 11,55; 12,1. -8. Lc 22,15. -9. H.
Johannes Chrysostomus, Het verraad van Judas, 1,4. -10. Ex 12,27. -11. H. Efrem, Hymne, 3. -12. Vgl. 1 Kor 11,24-25;
Lc 22,19.
-13. Kard. J. Bona, Het offer van de mis.
-14. H. Jozefmaria Escrivá,
De Smidse, 69. -15.
Vgl. Lc 22,15. -16.
Kard. J. Bona, o.c.
|