Twintigste zondag door het jaar (A)
46. HET BELANG VAN GEBED
-Hoe we moeten vragen. De Heer let vooral op de gebeden van
kinderen. -Volharding, geloof en nederigheid. Gebed van anderen. -Boven elke
andere bede: vragen om wat onze ziel nodig heeft.
46.1 In het evangelie van vandaag1 vertelt
sint Matteüs ons dat Jezus en zijn leerlingen zich terugtrokken naar de streek
van Tyrus en Sidon. Hij ging van de oevers van het Meer van Galilea naar de
kust van de Middellandse Zee. Daar kwam een heidense vrouw naar Hem toe. Zij
was Kananese, een afstammeling van de oorspronkelijke volkeren van Palestina,
het land dat God aan de joden beloofd had. Zij riep uit met luide stem: Heb medelijden met mij, Heer,
Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk
gekweld.
De evangelist vertelt dat Jezus, ondanks het roepen van de
vrouw, haar in het geheel geen antwoord gaf. Volgens sint Marcus had deze
eerste ontmoeting plaats in een huis, en daar wierp de vrouw zich aan zijn
voeten.2 Het leek alsof de Heer geen enkele
aandacht aan haar besteedde.
Wat later, toen Jezus en zijn metgezellen zich gereed maakten
om het huis te verlaten, schrijft Matteüs dat de leerlingen zich bij Jezus
beklaagden en zeiden: Stuur
die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen. De
vrouw bleef roepen, maar het antwoord van Jezus lijkt merkwaardig koel: Ik ben alleen maar tot de
verloren schapen van het huis van Israël gezonden. De vrouw
weigert op te geven: Maar
de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: Heer, help
mij! Wat een geloof! Wat een nederigheid. Wat een standvastigheid
is er in haar bede!
Jezus gebruikt het beeld van het Koninkrijk om uit te leggen
hoe Hij eerst het evangelie moet prediken aan zijn joodse broeders, het
uitverkoren volk: Het is
niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven,
zegt Hij. Maar de vrouw, gewapend met een onwankelbaar geloof, laat het niet
zitten bij 'nee' als antwoord: Wel waar, Heer, [...] want de honden eten immers toch ook de
kruimels die van de tafel van hun meesters vallen. Ze gaat mee
met de parabel en verovert het hart van Christus. Ze lokt een van de grootste
complimenten uit die door de Heer gegeven zijn en verkrijgt het wonder waarom
ze gevraagd had: Vrouw, ge
hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd. En van dat ogenblik af
was haar dochter genezen. Dit was de beloning voor haar
volharding.
De edelmoedige moeders die in de evangeliën verschijnen,
vragen altijd het beste voor hun kinderen. Ze weten hoe ze een beroep moeten
doen op Jezus om bijstand en gunsten. Bij een bepaalde gelegenheid was het de
moeder van Jakobus en Johannes die tot de Heer kwam om voordeel voor hen te
vragen. Een andere keer was het de weduwe van Naïm die weende om de jongeman
die haar enige kind was geweest. Misschien was het alleen maar een gekwelde en
smekende blik naar de ogen van Christus die Hem ertoe bracht het lichaam weer
tot leven te brengen... De vrouw in het evangelie van vandaag is een volmaakt
voorbeeld van standvastigheid in het gebed, een voorbeeld, bedoeld voor allen
die het bidden tot God vlug moe worden.
De heilige Augustinus verhaalt in zijn Belijdenissen hoe zijn
moeder, de heilige Monica, nooit ophield God te smeken om de bekering van haar
zoon. Evenmin werd zij het moe goede en wijze mensen te vragen om met haar zoon
te spreken, om hem van zijn verkeerde levenswijze af te brengen. Op een dag zei
een heilig bisschop haar bij wijze van troost deze woorden: «Ga heen; zo zeker
als u bestaat, het is onmogelijk dat de zoon van deze tranen verloren gaat.»3 Veel later schreef de heilige Augustinus zelf: «Dat
ik niet omgekomen ben in mijn dwaling is te danken aan de dagelijkse tranen van
mijn moeder, die zo vol geloof was.»4
God luistert bijzonder naar de gebeden van hen die weten hoe
je moet liefhebben, zelfs op tijden wanneer het zou lijken dat Hij doof is voor
de smeekbede. Hij wil dat ons geloof sterker wordt, onze hoop dieper, onze
liefde met meer vertrouwen. Hij wil dat iedereen het verlangen en de
nederigheid heeft die eigen is aan een goede moeder.
46.2 Het gebed als smeekbede speelt een belangrijke rol in het leven van
mannen en vrouwen. Ofschoon de Heer talloze zegeningen geeft zonder dat wij er
ooit om vragen, heeft Hij vele gunsten gereserveerd, waarvan de toewijzing
afhangt van ons persoonlijk gebed of van de gebeden van anderen die dicht bij
Hem zijn. De heilige Thomas leert dat onze smeekbeden de goddelijke wil niet
veranderen, maar dat ze daarentegen voor ons verkrijgen wat al bewaard was voor
als we erom zouden vragen.5 Daarom zouden we de
Heer zonder ophouden moeten smeken. Wie weet hoeveel zegeningen ons te wachten
staan, als we er maar om vragen? We zouden anderen moeten vragen om te bidden
voor de vurige intenties die in ons hart zijn, om te bidden om alle zegeningen
die we nodig hebben en van de Heer kunnen verkrijgen. De heilige Thomas zegt
ook dat dit één van de redenen is waarom Jezus niet meteen antwoordde aan de
Kananese vrouw. Hij wilde dat de leerlingen voor haar kwamen voorspreken. Op
deze wijze toont Hij ons het belang van de voorspraak van de heiligen.6 De heidense vrouw wilde een buitengewoon wonder. Dat
vereiste een buitengewoon soort gebed met een geweldig geloof en diepe
nederigheid. Volharding is een eerste vereiste voor elk verzoek. Steeds bidden en daarin niet
versagen7, dit onderwees Christus. «Volhard in het gebed. Volhard, zelfs wanneer
je inspanningen onvruchtbaar lijken. Gebed is altijd vruchtbaar.»8 Het gebed van de Kananese vrouw was vanaf het eerste
moment succesvol. Jezus wachtte alleen om haar in de gelegenheid te stellen
haar hart gereed te maken om de grote genade te ontvangen waar ze om vroeg.
We moeten vragen met geloof. Geloof «voedt het gebed en gebed
leidt, wanneer het groeit, tot standvastigheid in het geloof.»9 Beide zijn zeer nauw verenigd. Deze vrouw had een
groot geloof: «Zij toont haar geloof in de goddelijkheid van Christus wanneer
ze Hem Heer noemt. Zij toont haar geloof in zijn mensheid wanneer ze Hem Zoon
van David noemt. De vrouw vraagt niet om iets wat op haar verdiensten berust.
Ze doet alleen een beroep op de genade van God door te zeggen: 'Heb medelijden
met mij'. En ze vraagt niet om medelijden voor haar dochter, maar medelijden
voor haarzelf, want de pijn van haar dochter is werkelijk haar pijn. Om
Christus' medelijden uit te lokken geeft zij een volledige beschrijving van het
lijden, wanneer ze zegt: Mijn
dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.
Uit deze woorden leert de goddelijke Dokter over haar kwaal, de ernst ervan en
haar oorsprong -de ernst wanneer ze zegt verschrikkelijk gekweld; de oorsprong uit de
woorden van een duivel.»10
Volharding in het gebed komt vanuit een leven van geloof, van
vertrouwen dat Jezus altijd naar ons luistert. Dit geloof brengt ons ertoe ons
volledig in Gods handen te leggen. «Zeg Hem: Heer, ik zal niets anders willen,
dan wat Gij wilt. Geef mij zelfs dat waarom ik U de laatste dagen vroeg, niet,
als het me maar een millimeter zou verwijderen van uw Wil.»11 Ik wil alleen wat Gij wilt, omdat Gij het wilt.
46.3 De Kananese vrouw leert ons, naast volharding, nog een eigenschap van
het goed bidden: de nederigheid. Gebed kan slechts uitgaan van een nederig en
berouwvol hart: Een
vernederd en berouwvol hart wijst Gij niet af, o God.12 God weerstaat de hoogmoedigen en
schenkt genade aan de nederigen13, aan hem die
zich behoeftig weet.
De Heer wil dat wij veel aan Hem vragen. Allereerst moeten we
vragen om wat betrekking heeft op onze ziel, aangezien «de ziekten die zij kan
oplopen ernstig zijn. Het is onze ziel, die de Heer voornamelijk van deze
kwalen wil genezen. En als Hij ons lichaam wil genezen, dan doet Hij dat
omwille van onze ziel.»14 Het kan gebeuren dat
«wij, zodra we een lichamelijke ziekte oplopen, alles maar dan ook alles doen
om daarvan bevrijd te worden. Maar als de ziekte daarentegen de ziel aantast,
dan weifelen en talmen we... Het secundaire stellen we in de eerste plaats en
het primaire in de tweede. Wij behandelen de symptomen, maar niet de ziekte
zelf.»15 Wat onze ziel werkelijk kan gebruiken
is de genade om tegen onze fouten te vechten, meer zuiverheid in onze
bedoelingen, meer volharding in onze voornemens, licht om meer vrucht van de
heilige communie te verkrijgen, meer naastenliefde, meer volgzaamheid in de
geestelijke leiding en meer apostolisch vuur... De Heer wil ook dat wij vragen
om andere dingen die we nodig hebben, zoals hulp om te herstellen na een kleine
nederlaag; werk, als we een baan nodig hebben; goede gezondheid... En dit alles
vragen we in zoverre het ons zal helpen meer van God te houden. We willen niets
wat ons verwijdert van het enige wat werkelijk belangrijk is: voor altijd
verenigd te zijn met Christus.
Het doet Jezus groot plezier als wij bidden voor anderen. De
heilige Johannes Chrysostomus leert: «Behoefte noodzaakt ons voor onszelf te
bidden. Broederlijke naastenliefde verplicht ons te bidden voor anderen. God
vindt gebed uit naastenliefde verdienstelijker dan gebed uit behoefte.»16
We moeten bidden voor iedereen in ons gezin en voor iedereen
die God aan onze zijde geplaatst heeft. Ouders hebben een bijzondere
verplichting om te bidden voor hun kinderen: des te meer als dezen afgevallen
zijn van het geloof. Zij moeten ook bidden als God hen heeft geroepen tot een
leven in zijn dienst. Opdat God ons gebed sneller moge verhoren, moeten we onze
gebeden met daden vergezellen en bekrachtigen: uren van werk of studie opdragen
voor een bepaalde intentie, Gods wil aanvaarden in tegenslagen, bij elke
gelegenheid naastenliefde en barmhartigheid uitoefenen.
In alle tijden hebben de christenen zich bewogen gevoeld om
hun smeekbeden aan te bieden door tussenkomst van heiligen, door ieders
beschermengel en door de bijzondere bemiddeling van onze gezegende Moeder, de
heilige Maria. De heilige Bernardus zegt: «onze Advocate steeg op ten hemel,
waar ze voor onze verlossing kon werken als Moeder van de Rechter en Moeder van
Barmhartigheid.»17 We moeten nooit nalaten elke
dag naar Onze Lieve Vrouw te gaan, want er hangt zoveel van af.
-1. Mt
15,21-28. -2. Mc
7,24-25. -3. H. Augustinus, Belijdenissen,
3,12,21. -4. Idem, Verhandeling over de gave van de volharding,
20,53. -5. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae,
II-II, q83, a2. -6. Idem, Catena Aurea, vol. ii, bl. 338. -7. Lc 18,1. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 101. -9. H.
Augustinus, Sermo
115. -10. H. Thomas van Aquino, Catena Aurea, vol. ii, bl. 336-337. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 512. -12. Ps 50,19. -13. Vgl. 1 Pe 5,5; Jak 4,6. -14. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 14,3. -15. Ibidem. -16. Idem, in Catena Aurea, vol. I, bl. 354. -17. H. Bernardus, Preek op Maria Tenhemelopneming
1,1.
|