Tweede week. Woensdag
12. Het beleven van het geloof in het
dagelijkse leven
-Het geloof moet
beleefd worden en de kleine dagelijkse gebeurtenissen bezielen. -Geloof en
bovennatuurlijke visie. -Geloof en menselijke deugden.
12.1 Jezus ging een synagoge binnen en ontmoette daar een man met een verschrompelde hand. Deze was verlamd. Sint Marcus verhaalt ons dat allen Hem bespiedden
om te zien of Hij hem op de sabbat zou genezen.1 De Heer veinst niet en verschuilt zich
niet; integendeel, Hij vroeg de man in het midden te komen staan, zodat
iedereen hem kon zien. Vervolgens sprak Hij tot hen: Mag men op de sabbat goed doen of kwaad, iemand
redden of doden? Maar zij zwegen. Verontwaardigd
over hun huichelachtige houding, keek Jezus hen toornig aan, tegelijkertijd bedroefd om de verstoktheid van hun hart. De verontwaardiging in Jezus' blik over de verstoktheid van hun ziel
was overduidelijk. Hij zei tegen de man: Steek uw hand uit. Hij stak zijn hand uit en deze was weer gezond.
Deze zieke, die in het middelpunt van allen
stond, werd vervuld van vertrouwen in Jezus. Zijn geloof uit zich in het
gehoorzamen aan de Heer, en door iets te doen waarvan hij uit lange ervaring
weet dat hij daartoe tot op dit moment niet in staat is: zijn hand uitsteken.
Zijn vertrouwen in de Heer, waardoor hij zijn ervaring terzijde schuift,
voltrekt het wonder. Alles is mogelijk met Jezus. Geloof stelt ons in staat
doelen te bereiken die we altijd voor onmogelijk hadden gehouden, oude
persoonlijke problemen of schijnbaar onoverwinnelijke problemen bij het
vervullen van een apostolische opdracht, toch op te lossen, diep gewortelde
gebreken uit de weg te ruimen.
Het leven van deze man zou een nieuwe koers
nemen na deze kleine inspanning die Christus van hem eiste; dit vraagt Hij ook
van ons bij de meest normale dingen in ons dagelijkse leven. Vandaag moeten we
in overweging nemen «hoe de christen het geloof, de hoop en de liefde beoefent
in zijn gewone bestaan, in allerlei kleinigheden, in de normale omstandigheden
van zijn dagelijks leven. Immers, dáár juist blijkt werkelijk hoe iemand zich
gedraagt die rekent op de goddelijke bijstand.»2 We hebben deze hulp van de Heer nodig om
ons onvermogen te boven te komen.
Het geloof dient beleefd te worden, en bepalend
te zijn voor onze -grote of kleine- beslissingen. Tegelijkertijd zal het zich
gewoonlijk openbaren in de manier waarop we ons opstellen tegenover de
verplichtingen van elke dag. Het is niet voldoende in te stemmen met de grote
waarheden van het Credo, wellicht een goede godsdienstige vorming te bezitten;
naast dit alles is het nodig het geloof te beleven, het in praktijk te brengen,
het te beoefenen; het moet een leven van geloof voortbrengen, dat
tegelijkertijd vrucht en uiting moet zijn van hetgeen men gelooft. God verlangt
van ons, dat wij Hem dienen met ons leven, met onze daden, met alle krachten
van lichaam en ziel. Het geloof hangt samen met het leven, met het normale
dagelijkse leven, en het christelijk bestaan is als een ontplooiing van het
geloof, als een leven in overeenstemming met wat we geloven3, met wat men als
Gods wil voor het eigen leven kent. Leiden wij «een leven van geloof»? Is het
geloof van invloed op ons gedrag, op de beslissingen die we nemen...?
12.2 De beoefening van de deugd van het geloof in het dagelijkse leven
vertaalt zich in wat gewoonlijk bekend staat als «bovennatuurlijke visie». Deze
bestaat erin de dingen, ook de meest gewone, in relatie te zien tot Gods plan
voor elk schepsel met betrekking tot het eigen heil en dat van vele anderen; ze
bestaat in het eraan te wennen «in onze dagelijkse bezigheden zó te werk te
gaan alsof we de Heer door de ooghoek aanschouwen om te zien of dàt werkelijk
zijn wil is, of dàt de wijze is waarop Hij wenst dat wij de dingen doen; we
moeten ons gewoon maken God te ontdekken in de schepselen, Hem te vermoeden
achter datgene wat de wereld toeval noemt, om zijn spoor overal te bemerken.»4
Het christelijk leven, de heiligheid, is niet
een soort uiterlijk gewaad dat de christenen omhult, en het eigen menselijke
niet beroert. Vandaar dat de bovennatuurlijke deugden de menselijke deugden
beïnvloeden, en van de christen een eerlijk mens maken, voorbeeldig in zijn
werk en in zijn gezin, vervuld van eer- en rechtvaardigheidsgevoel, iemand die
zich van anderen onderscheidt door een levensstijl waarin loyaliteit,
waarheidszin, kracht en vreugde opvallen... Houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat
rechtvaardig is en al wat deugd heet en lof verdient5, zo bracht sint
Paulus de eerste christenen van Filippi in herinnering.
Het geloofsleven van de christen maakt hem
aldus tot iemand met menselijke deugden, omdat hij zijn geloof verwezenlijkt in
zijn dagelijks handelen. Hij zal zich niet alleen gedrongen voelen een
geloofsdaad te stellen als hij de muren van een kerk ziet, maar hij zal zich
tot de Heer wenden en Hem om licht en hulp bidden, als hij geconfronteerd wordt
met een probleem op het werk of thuis; op het moment dat hij een tegenslag te
verwerken krijgt; bij lijden en ziekte; als hij zijn vreugde opdraagt; als hij
uit liefde zijn werk voortzet dat hij uit vermoeidheid net wilde opgeven; in
het apostolaat, om het licht van de genade te vragen voor die mensen die hij tot
het sacrament van de biecht wil brengen. Hij zal bovennatuurlijke visie tonen
als de apostolische vruchten niet te zien zijn, misschien omdat hij nog maar
net bezig is met het 'grondwerk' in een bepaalde ziel, en «de ploegschaar die
de akker openbreekt en er voren in trekt, het zaad niet ziet, noch de vrucht»...6 Geloof moet
steeds beoefend worden, evenals hoop en liefde... Bij -wellicht al lang bestaande-
problemen en hindernissen zegt de Heer tot ons: strek uw hand uit... Geloof is geen deugd die
alleen maar af en toe gepraktizeerd moet worden, tijdens godsdienstoefeningen,
maar ze moet ook beleefd worden bij het sporten, op kantoor, midden in het
verkeer. Nog minder moeten we zoals sommige christenen doen, die het geloof
lijken te reserveren voor 's zondags, op het moment van de vervulling van de
zondagsplicht.
Laten we vandaag eens onderzoeken hoe vaak we
het christelijk ideaal verwezenlijken, dat bezieling en een nieuwe betekenis
geeft aan al het menselijke wat we doen, en het in bovennatuurlijke zin vruchtbaar
maakt. Laten we ook nagaan hoe het met onze 'bovennatuurlijke visie' staat bij
de dagelijkse gebeurtenissen.
12.3 Het christelijk geloof leidt tot de herziening van ons eigen leven,
het eist van ons een voortdurende correctie van ons gedrag, een verbetering van
onze manier van zijn en handelen. Naast andere consequenties zal het geloof ons
brengen tot het navolgen van Christus, die «volmaakt God en volmaakt mens»7 was. Het geloof
zal ons maken tot doortastende mannen en vrouwen, zonder complexen, zonder
menselijk opzicht, betrouwbaar, eerlijk en rechtvaardig in hun oordelen, in hun
zaken, in hun spreken... De menselijke deugden zijn die welke de mens als mens
eigen zijn; daarom heeft Jezus Christus, volmaakt mens, ze ten volle beleefd. Zelfs zijn
vijanden waren verbaasd over de menselijke kracht van zijn persoonlijkheid: Meester -zeggen ze tot
Hem op een gegeven ogenblik-, wij
weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid leert; en Gij
stoort U aan niemand.8 «Het eerste wat
onze aandacht trekt als we de menselijke gestalte van Jezus bestuderen, is de
mannelijke vooruitziende blik in zijn optreden, zijn indrukwekkende loyaliteit,
zijn onopgesmukte oprechtheid, kortom, het heldhaftig karakter van zijn
persoonlijkheid. Dit was het dat de leerlingen in eerste instantie aantrok.»9 Hij gaf ons het
voorbeeld van een hele reeks van nauw met elkaar verweven menselijke
kwaliteiten, die elke christen zou moeten bezitten.
Hij vindt de vervolmaking van de menselijke
deugden zo belangrijk, dat Hij zijn leerlingen vermaant: Wanneer ge zelfs niet gelooft als Ik u spreek over
aardse dingen, hoe zult gij dan geloven, als Ik u spreek over hemelse dingen?10 Als we geen
menselijke veerkracht hebben in moeilijkheden, bij hitte of kou, of een kleine
ziekte, waarop moet dan de kardinale deugd van sterkte gebaseerd worden? Hoe
kan iemand sterk zijn die zich steeds beklaagt? Hoe kan een student die zijn
studie verwaarloost, verantwoordelijkheidsgevoel krijgen en echt voorzichtig
worden? Of hoe kan iemand de naastenliefde beoefenen als hij hartelijkheid,
minzaamheid of het minimum aan goede manieren veronachtzaamt? Hoewel Gods
genade iemand totaal kan veranderen -daarvan vinden we voorbeelden in de
Heilige Schrift en in het leven van de Kerk-, rekent God gewoonlijk op de
medewerking van de menselijke deugden.
Het christelijk leven uit zich in het
menselijke handelen; het verleent dit een grotere waardigheid en verheft het
tot het bovennatuurlijk vlak. Aan de andere kant ondersteunt het menselijke de
bovennatuurlijke deugden en maakt deze mogelijk. Misschien hebben we tijdens
ons leven zoveel mensen ontmoet «die zich christen noemen -want ze zijn gedoopt
en ontvangen de andere sacramenten- maar die blijk geven van ontrouw,
leugenachtigheid, onoprechtheid, hoogmoed... En plotseling vallen ze. Zij zijn
net sterren die een ogenblik stralen aan de hemel en dan, plotseling,
onherroepelijk naar beneden storten.»11 De menselijke basis ontbrak bij hen en
ze konden zich niet staande houden. De beoefening van geloof, hoop en liefde en
van de morele deugden zullen de christen ertoe brengen, dát levende voorbeeld
te zijn dat de wereld verwacht. God zoekt sterke huismoeders, die getuigenis
afleggen door hun moederschap en hun vreugde, die vriendschap met hun kinderen
weten te sluiten; Hij zoekt eerlijke zakenmensen; artsen die hun beroepsvorming
niet verwaarlozen, maar enkele uren voor studie weten te reserveren, die begripvol
met hun patiënten omgaan, zoals ze zelf in soortgelijke omstandigheden
behandeld zouden willen worden: doeltreffend en vriendelijk; God zoekt
studenten die prestige hebben en die zich bekommeren om hun medestudenten;
landbouwers, ambachtslieden, fabrieksarbeiders, bouwvakkers... God wil integere
mannen en vrouwen, die het grote ideaal dat ze ontdekt hebben in de kleine werkelijkheid
van hun leven tot uitdrukking brengen.
In de heilige Jozef vinden we een schitterend
toonbeeld van een rechtschapen man,
vir iustus12, die onder alle omstandigheden van zijn leven vanuit zijn geloof
leefde. Bidden wij hem, dat wij mogen leren worden wat Christus van ieder van
ons verwacht in onze eigen omgeving en omstandigheden.
1
Mc 3,1-6. -2. H.
Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 169. -3. Vgl. P. Rodríguez, Fe y vida de fe, Pamplona
1974, bl. 172. -4. F. Suárez, On being a Priest. -5. Fil 4,8. -6. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 215. -7. Symbolum Quicumque. -8. Mt 22,16. -9. K. Adam, Jesus Christus. -10. Joh 3,12. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 75. -12. Mt 1,19.
|