Derde week. Donderdag
19. HET BROOD DES LEVENS
-De heilige eucharistie aangekondigd in de synagoge van
Kafarnaüm. Onze Heer vraagt ons om een levend geloof. Het Adoro te devote.
-Het geheim van het Geloof. De transsubstantiatie. -De invloed van de communie
op de ziel: hoe die ondersteunt, herstelt en behaagt.
19.1 Ik ben het brood des levens. Uw vaderen
die het manna gegeten hebben in de woestijn, zijn niettemin gestorven; maar dit
brood daalt uit de hemel neer, opdat wie er van eet niet sterft.1 We lezen in het
evangelie van vandaag deze prachtige en verbazingwekkende aankondiging, die
Jezus in de synagoge van Kafarnaüm deed. Onze Heer ging verder: Ik ben het
levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet,
zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten
bate van het leven van de wereld.2
Jezus openbaart het grote mysterie van de heilige
eucharistie. Zijn woorden zijn zo glashelder, dat zij elke andere uitleg
uitsluiten. Zonder geloof hebben zijn woorden geen betekenis. Aan de andere
kant, wanneer de aanwezigheid van Christus in de eucharistie wordt aanvaard
door het geloof, blijkt de openbaring van Jezus duidelijk en niet verkeerd
begrepen te worden. Het laat ons de oneindige liefde zien, die God voor ons
heeft.
Adoro te devote, latens Deitas, quae sub his figuris vere
latitas... Devoot aanbid ik U, verborgen God, die U verbergt onder deze schijn, zeggen
wij met de heilige Thomas van Aquino in de hymne die door de liturgie van de
Kerk vele eeuwen geleden werd overgenomen. Het is een uitdrukking van geloof en
van vroomheid, die ons kan helpen onze liefde gestalte te geven, omdat het een
samenvatting vormt van de hoofdpunten van de katholieke leer over dit heilige
mysterie.
Devoot aanbid ik U, verborgen God... herhalen wij in de
intimiteit van onze harten, langzaam, met geloof, hoop en liefde. De mensen die
op die dag in de synagoge aanwezig waren, begrepen de juiste en letterlijke
betekenis van de woorden van onze Heer niet. Indien zij Hem op een symbolische
of zinnebeeldige manier hadden begrepen, zouden zij niet zo verward en verbaasd
zijn geweest zoals de heilige Johannes zo uitdrukkelijk vermeldt. En die
woorden zouden dan niet de aanleiding zijn geweest, dat velen van hen onze Heer
op die dag verlieten. Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie kan
daarnaar luisteren? 3 zeiden zij toen zij weggingen. Het zijn harde woorden, en
dat blijft zo voor hen die niet tot het goede geneigd zijn, voor hen die niet
met zekerheid belijden dat Jezus van Nazareth, God, die Mens werd, op deze
manier uit liefde met de mensen in verbinding treedt. Ik aanbid U, verborgen
God, zeggen wij in ons gebed tegen Hem. Zo drukken wij onze liefde, onze
dankbaarheid en de nederige instemming uit, waarmee wij Hem ontvangen. Deze
houding is van essentieel belang als wij dit geheim van Liefde willen
benaderen.
Tibi se cor meum totum subiicit, quia te contemplans totum
deficit... Aan U zij heel mijn hart toegewijd, want als ik U beschouw,
verzink ik in het niet. Wij gevoelen de noodzaak dit herhaalde malen tegen
onze Heer te zeggen, omdat het aantal ongelovigen groot is. Hij vraagt ook aan
ons, en aan allen die Hem van dichtbij willen volgen: Wilt ook gij soms
weggaan? 4 En
daar wij het gebrek aan oriëntering opmerken, de verwarring van zoveel
christenen van wie de zielen in slaap zijn gevallen wat betreft hun
bovennatuurlijk leven, moet onze liefde zich opnieuw bevestigen.
Tibi se cor meum totum subiicit... Mijn hart onderwerpt zich
geheel aan U. Ons geloof in de werkelijke aanwezigheid van Christus in de eucharistie
moet standvastig zijn: «Wij geloven dat, zoals het brood en de wijn geheiligd
door Christus bij het laatste avondmaal werden veranderd in zijn Lichaam en
zijn Bloed, die onmiddellijk op het Kruis voor ons werden geofferd, dat zo ook
het brood en de wijn geconsacreerd door de priester veranderd worden in het
Lichaam en Bloed van Christus, die verheerlijkt in de hemel is. Wij geloven dat
de geheimvolle tegenwoordigheid van onze Heer onder de gedaante van dit brood
en deze wijn, die voor onze zintuigen hetzelfde schijnen als daarvoor, een
waarachtige werkelijke en wezenlijke aanwezigheid is.»5
19.2 De woorden van onze Heer kunnen niet worden
afgezwakt: Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven
der wereld. Dit is het geheim van het geloof, verkondigen wij onmiddellijk
na de consecratie in de heilige Mis. Het is altijd de toetssteen van het
katholieke geloof geweest. Bij de omzetting, de transsubstantiatie, zijn de
gedaanten van brood en wijn «niet langer gewoon brood en gewone drank, maar
eerder een teken van iets heiligs en een teken van geestelijk voedsel. Maar zij
krijgen een nieuwe betekenis en een nieuwe zin juist wegens de reden dat zij
een nieuwe 'werkelijkheid' inhouden, die wij terecht 'ontologisch' noemen. Want
onder die gedaanten is er niet meer wat er eerst was, maar iets geheel anders...
vanaf de omzetting van de werkelijkheid, van de natuur, van brood en wijn in
het Lichaam en Bloed van Christus, blijft er niets van het brood en de wijn
over dan alleen de uiterlijke schijn. Onder deze gedaanten is Christus geheel
en totaal aanwezig, ook lichamelijk, met zijn fysieke 'werkelijkheid', ofschoon
niet op een manier waarin lichamen op een bepaalde plaats aanwezig zijn.»6
We kijken naar Christus die tegenwoordig is in het tabernakel,
wellicht slechts een paar meter van ons vandaan, en wij vertellen Hem dat wij
weten, door het geloof, dat Hij aanwezig is. Wij geloven vast in de belofte die
Hij te Kafarnaüm deed, en kort daarna vervulde in het Cenakel. Credo
quidquid dixit Dei Filius: nil hoc verbo veritatis verius: De woorden van
Gods Zoon zijn mijn geloof, geen waarheid zekerder dan dit woord der waarheid.
In de communie geeft Christus, volmaakt God en volmaakt mens,
zichzelf aan ons; Hij is op een mysterieuze wijze verborgen, maar verlangt ons
goddelijk leven te schenken. Als wij Hem in dit sacrament ontvangen, werkt zijn
Goddelijkheid op onze zielen in door middel van zijn glorievolle Menselijkheid,
en met een veel grotere intensiteit dan toen Hij hier op aarde was. Geen van de
mensen die werden genezen -Bartimeüs, of de verlamde man van Kafarnaüm, of de
melaatsen- waren zo nabij Christus, Christus zelf, zoals wij dat zijn, telkens
als wij te communie gaan. De resultaten die door dat Levende Brood, Jezus, in
onze zielen worden bewerkt zijn onmeetbaar en bezitten een oneindige rijkdom.
De Kerk drukt dit in de volgende bewoordingen duidelijk uit: «Al de gevolgen
die stoffelijk voedsel en drank hebben met betrekking tot het leven van het
lichaam, het onderhouden, herstellen en behagen, worden met betrekking tot het
geestelijk leven door dit sacrament bewerkstelligd.»7
Verborgen onder de sacramentele gedaanten wacht Jezus op ons.
Hij is daarin bij ons gebleven, zodat wij Hem kunnen ontvangen en gesterkt
worden door zijn liefde. Nu moeten wij ons geloof onderzoeken; laten wij
onszelf afvragen hoe onze liefde er uitziet; hoe wij ons op de communie
voorbereiden, als wij beseffen hoeveel mensen onze Heer totaal verwaarlozen.
Wij moeten met Petrus zeggen: wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods
zijt.8 U
bent onze Verlosser, de reden van ons bestaan.
19.3 De communie ondersteunt het leven van de
ziel op een soortgelijke wijze zoals voedsel het lichaam staande houdt. De
ontvangst van de heilige eucharistie bewaart de katholiek in Gods genade,
waardoor de ziel haar krachten herstelt van de voortdurende slijtage die zij
ondergaat door de kwetsuren van de erfzonde en van de persoonlijke zonden. Het
handhaaft het leven van God in de ziel, bevrijdt het van lauwheid; en het helpt
ons doodzonden te vermijden en doeltreffend te strijden tegen dagelijkse
zonden.
De heilige eucharistie doet ook het bovennatuurlijke leven
toenemen; zij laat het groeien en zich ontwikkelen. En terwijl het de ziel
geestelijk voedt, schenkt het een toenemend verlangen naar eeuwige goederen: Wie
tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer
dorst krijgen.9 «Stoffelijk
voedsel zet zich in de eerste plaats om in de persoon die het eet, en met als
gevolg, dat hij zijn verlies aan krachten herstelt en zijn levensnoodzakelijke
energie vernieuwt. Geestelijk voedsel daarentegen zet de persoon die het eet om
in Godzelf, en het effect eigen aan dit sacrament is de verandering van de mens
in Christus, zodat hij niet langer voor zichzelf zal leven, maar Christus in
hem zal leven. En als resultaat heeft het een tweevoudig effect, het herstel
van de geestelijke verliezen, opgelopen door zonden en gebreken, en de toename
van de invloed der deugden.»10
Ten slotte, de genade die wij in elke communie ontvangen
verheugt de persoon die haar met de juiste gesteldheid ontvangt. Niets kan
worden vergeleken met de vreugde van de heilige eucharistie, met de vriendschap
en het nabij zijn van Jezus die in ons aanwezig is. «Gedurende zijn leven op
aarde kwam Jezus Christus nergens voorbij zonder zijn uitbundige zegeningen uit
te storten. Daaruit kunnen we afleiden hoe groot en kostbaar de gaven moeten
zijn waarvan zij deelgenoot worden die het geluk hebben Hem in de communie te
ontvangen; of beter gezegd, dat al het geluk, dat wij in dit leven kunnen
hebben, erin bestaat onze Heer in de heilige communie te ontvangen.»11
De communie is «het geneesmiddel voor onze dagelijkse noden»12, «medicijn voor
onsterfelijkheid, tegengif tegen de dood, en voedsel om voor altijd te leven in
Jezus Christus.»13 Zij
schenkt aan de ziel de vrede en de vreugde van Christus, die werkelijk een
onderpand zijn van de eeuwige zaligheid.14
Onder al de
vroomheidspraktijken is er niet één, waarvan de heiligmakende doeltreffendheid
vergeleken kan worden met de waardige ontvangst van dit sacrament. Wij
ontvangen daarin niet slechts genade, maar de Bron en de Godheid waarvan alle
genade komt! Al de sacramenten zijn gericht op de heilige eucharistie: het is
het centrale sacrament.15
Verborgen onder de gedaante van brood vraagt Jezus van ons,
dat wij Hem regelmatig komen ontvangen. Het feestmaal staat gereed.16 Helaas zijn er
velen, die daarvan onkundig zijn, en Jezus wacht op ons om aan al die anderen
te vertellen dat Hij in het tabernakel ook op hen wacht.
We moeten Onze Lieve Vrouw vragen ons te helpen elke dag te
communie te gaan met een betere gesteldheid.
-1. Joh 6,48-50. -2. Joh 6,51. -3. Joh
6,60. -4. Joh 6,67. -5. Paulus vi,
Het Credo van het Volk Gods, 24. -6. Paulus vi, Mysterium Fidei, 3 september 1965. -7.
Concilie van Florence, Exsultate
Deo, DS 1322-698. -8. Joh 6,70. -9. Joh 6,35. -10. H. Thomas van Aquino, In
Sententiarum libros IV, d12, q2, al. -11. H.
Jean-Baptiste Marie Vianney, Preek over de heilige communie. -12.
H. Ambrosius, Over de
mysteries, 4. -13. H. Ignatius van
Antiochië, Brief aan de Efesiërs, 20. -14. Vgl. Joh 6,58; Dz
875.-15 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, III, q65, a3. -16. Vgl. Lc 14,15 e.v.
|
Achttiende zondag door
het jaar (B)
29. Het Brood des Levens
-Manna is het symbool en het voorteken van de heilige
eucharistie, die het waarachtige geestelijk voedsel is. -Het brood des levens. -Wij ontvangen
in iedere communie dezelfde Christus. Zijn tegenwoordigheid in de ziel.
29.1 Jezus sprak tot hen: Ik ben het
brood des levens: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij
gelooft, zal nooit meer dorst krijgen.1
Na het wonder van de broodvermenigvuldiging ging de
enthousiaste menigte opnieuw op zoek naar Jezus. Toen zij ontdekten dat Hij en
zijn leerlingen reeds vertrokken waren, gingen zij in hun boten en voeren naar
Kafarnaüm waar de aankondiging van de heilige eucharistie plaatshad.2
Door het wonder van de vorige dag had Jezus de diepgaande
hoop en verlangens van het volk aangewakkerd. Zij wilden Hem tot hun koning
uitroepen. Maar de Heer ging van hen heen. Bij de volgende ontmoeting sprak
Jezus tot het volk: Voorwaar,
voorwaar, Ik zeg u: Niet omdat gij tekenen gezien hebt, zoekt gij Mij, maar
omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild.
De heilige Augustinus merkt op: «Jullie zoeken Mij voor aardse motieven, niet voor
geestelijke. Hoeveel mensen zijn er die Jezus alleen voor wereldse doeleinden
zoeken!... Zelden zoekt iemand Jezus omwille van Jezus.»3
Wij willen onder die enkelen gerekend worden.
Deze gehechtheid aan aardse goederen is niet wat Jezus in
mensen zoekt. Met een oneindige liefde biedt Hij de mensen het
onbeschrijfelijke geschenk van de heilige eucharistie aan waarin Hij voedsel
voor ons wordt. Het doet er voor Hem niet toe dat velen van zijn trouwe volgelingen
Hem zullen verlaten als gevolg van deze bekendmaking. Jezus begint de dialoog
door in bedekte termen op het grote geheim te zinspelen: 'Werkt niet voor het voedsel dat vergaat, maar voor
het voedsel dat blijft om eeuwig leven te geven en dat de Mensenzoon u zal
geven.' [...] Daarop zeiden zij tot Hem: 'Welke werken moeten wij voor God
verrichten?' Jezus gaf hun ten antwoord: 'Dit is het werk dat God van u vraagt:
te geloven in Degene die Hij gezonden heeft'. Ondanks het feit dat velen van de
aanwezigen de vorige dag nog getuigen waren geweest van een groot wonder,
zeiden zij: Wat voor teken doet Gij dan wel, waardoor wij kunnen zien dat wij
in U moeten geloven? Wat doet Gij eigenlijk? Onze vaderen hebben het manna
gegeten in de woestijn, zoals geschreven staat: 'Brood uit de hemel gaf hij hun
te eten'.
In de eerste lezing van vandaag wordt ons duidelijk gemaakt
hoe Jahwe zijn Voorzienigheid aan de Israëlieten in de woestijn kenbaar maakte.4 Hij laat manna uit de hemel regenen om hun te eten
te geven. Dit brood is een zinnebeeld en afbeelding van de heilige eucharistie
die Christus voor de eerste keer aankondigde in deze kleine stad aan de oevers
van het meer van Galilea. Jezus Christus is het echte voedsel dat ons doet
veranderen en de kracht geeft om onze christelijke roeping te beleven. Paus
Johannes Paulus ii heeft in
dit verband erop gewezen: «Het is alleen door middel van de eucharistie dat het
mogelijk wordt de heldhaftige deugden van de christen te beleven; zoals de
naastenliefde om de vijanden te vergeven, de liefde voor wie ons doet lijden,
het vermogen zijn leven voor een ander te geven; de kuisheid in alle leeftijden
en omstandigheden, het geduld in het leed en als het lijkt dat God blijft
zwijgen... Daarom, streef ernaar altijd eucharistische zielen te zijn om zo
ware christenen te zijn.»5
Met de woorden van de Italiaanse dichter smeken wij de Heer:
«Geef ons heden het dagelijkse manna, zonder hetwelk door deze barre weg
achteruitgaat ook wie 't meest zich inspant vooruit te gaan.»6 Want het leven zonder Christus is inderdaad een
hardvochtige wildernis. Het is een manier van leven waar het bijzonder moeilijk
is om tot een goed einde te komen.
29.2 Als de Joden Jezus vertellen dat Mozes hun het brood des levens had
gegeven, zegt Jezus dat het niet Mozes was maar zijn Vader die hun gegeven had het echte brood uit de hemel;
want het brood van God daalt uit de hemel neer en geeft leven aan de wereld.
«De Heer presenteert zich als verheven boven Mozes. Zelfs
Mozes had er geen aanspraak op durven maken dat hijzelf het voedsel gaf dat
nooit vergaat, dat eeuwig leven heeft. Mozes belooft een koninkrijk, een land
van melk en honing, wereldse vrede, veel zonen, lichamelijke gezondheid en
allerlei andere aardse zaken... Zo zouden jullie je lichamen hier op aarde
vullen met vergankelijke zaken. Daar tegenover beloofde Christus een voedsel
dat nooit zou vergaan maar eeuwig zou voortbestaan.»7
Degenen die in de synagoge van Kafarnaüm aanwezig waren,
wisten dat het manna een zinnebeeld was van de Messiaanse weldaden. Daarom
vroegen zij Jezus een gelijksoortig teken te geven. Toch hadden zij er geen
idee van dat het manna inderdaad een afbeelding was van die grote Messiaanse
weldaad, de heilige eucharistie.8
Jezus zegt de Joden dat het manna in de woestijn niet het
echte brood uit de hemel was, daar degenen die ervan aten niettemin stierven.
Hij zei dat zijn Vader hun het echte brood uit de hemel zal geven. Zij
antwoordden: Heer, geef
ons altijd dat brood. Jezus sprak tot hen: Ik ben het brood des levens: wie tot
Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer
dorst krijgen. De Heer laat geen plaats voor twijfel dat dit
brood een werkelijkheid is. Hij herhaalt het werkwoord 'eten' acht keer.
Christus zal voedsel worden zodat wij een nieuw leven mogen verwerven, het
leven dat Hij ons heeft gebracht: Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het
leven der wereld. Dit is geen aards brood, het is brood: dat uit de hemel is
nedergedaald. Het is niet zoals bij de vaderen die gegeten hebben en niettemin
gestorven zijn: wie dit brood eet zal in eeuwigheid leven. In de
heilige eucharistie worden wij «vlees van zijn vlees en bloed van zijn bloed.»9 De eucharistie is de meest verheven verwerkelijking
van die woorden van de Heilige Schrift die God laten verheugd zijn over zijn aardrijk en zijn vreugde
vinden bij de mensenkinderen.10
Het heilig Sacrament is Emmanuel,
God-met-ons, voedsel tot eeuwig leven.
«De grootste dwaas die er ooit geweest is of ooit zal zijn,
is Hij. Bestaat er groter dwaasheid dan zich over te geven, zoals Hij zich
overgaf, en aan wie Hij zich overgaf?
»Het zou een dwaasheid geweest zijn, als Hij een weerloos
Kind gebleven was; maar dan zouden heel wat onverlaten vertederd geraakt zijn
en Hem niet hebben durven mishandelen. Dat leek Hem niets: Hij wilde zich meer
ontledigen, zich meer geven. En Hij maakte zich tot voedsel, Hij werd Brood.
»Goddelijke Dwaas! Hoe behandelen de mensen U...? En ik
zelf?»11 Hoe bereid ik mij voor om U te
ontvangen? Hoe staat het met mijn geloof, mijn vreugde, mijn verlangen? Wij
moeten enkele voornemens maken ter voorbereiding van onze volgende communie,
misschien binnen de volgende paar minuten of uren. Het kan niet zo zijn als de
vorige keren: wij willen Hem met grotere liefde ontvangen.
29.3 Als we de communie ontvangen dan ontvangen wij Christus met zijn
Lichaam, zijn Bloed, zijn Ziel en zijn Godheid. Hij geeft zich aan ons in een
innige vereniging die ons op een wezenlijke manier met Hem verbindt. Ons leven
wordt veranderd in zijn leven. In de heilige communie is Christus niet alleen
God mét ons, maar God ín ons.
Nadat wij de communie ontvangen hebben, is Christus
waarachtig, wezenlijk en werkelijk in onze ziel aanwezig. We kunnen hier die
woorden van de Heer aan de heilige Augustinus toepassen: «Ik ben de spijs van
de groten: groei en gij zult Mij eten. En gij zult niet Mij doen veranderen in
u, gelijk het voedsel van uw vlees, maar gij zult in Mij veranderen.»12 Christus geeft ons zijn leven! Hij vergoddelijkt
ons! Hij verandert ons in zichzelf! De oneindige verdiensten van de Passie
worden in onze ziel uitgestort. Hij geeft ons kracht en troost. Hij brengt ons
naar zijn Allerheiligst Hart, om onze gevoelens om te vormen in zijn gevoelens.
De eucharistie bevat al de genade en vruchten van eeuwig leven voor de mensheid
en iedere individuele ziel, «want in de heilige eucharistie ligt heel het
geestelijk goed van de Kerk vervat.»13 Als wij
veelvuldig de uitwerking overwegen die dit sacrament op de ziel kan hebben,
zullen we de heilige communie en de geestelijk communie als schatten koesteren.
Wij zullen de waarde inzien van het ontvangen van de Heer zo vaak als we
kunnen, zo mogelijk dagelijks. We zullen ons goed op elke communie
voorbereiden. Alle dagen zullen we tegen Jezus zeggen: Heer, geef ons altijd dat brood.
De ziel zal tot een bovennatuurlijk niveau worden verheven.
Christus' deugden zullen haar bezielen. Dan zullen wij met vertrouwen kunnen
zeggen: ikzelf leef niet
meer, Christus is het die leeft in mij.14
Die belofte van de Heer gedurende het Laatste Avondmaal wordt
ook bij elke communie vervuld: Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden;
mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem
nemen.15 De ziel wordt tempel en
tabernakel van de Heilige Drieëenheid. Het leven van de drie Goddelijke Personen
doordrenkt en vervormt de ziel, en ondersteunt, versterkt en ontwikkelt de kiem
van goddelijk leven die in het doopsel werd gezaaid.
Als wij Hem gaan ontvangen, kunnen we Hem zeggen: «Heer, ik
hoop op U, ik aanbid U, ik bemin U, vermeerder mijn geloof. Wees een steun voor
mijn zwakte, Gij die U een verblijf gekozen hebt in de Eucharistie, weerloos,
om de zwakte van de schepselen weg te nemen.»16
En we zullen onze toevlucht nemen tot de heilige Maagd Maria die gedurende
drieëndertig jaar in zijn tegenwoordigheid was. Zij behandelde Hem met de
grootst denkbare eerbied en liefde. Wij verenigen ons met haar gevoelens van
aanbidding en liefde.
-1. Joh
6,35. -2. Joh
6,24-35. -3. H. Augustinus, Commentaar op het evangelie
volgens Johannes, 25,10. -4. Ex 16,2-4; 12-15. -5. Johannes Paulus ii, Homilie, 19
augustus 1979. -6. Dante Alighieri,
La divina commedia. Het
vagevuur, XI, 13-15. -7. H.
Augustinus, Commentaar
op het evangelie van Johannes, 25,12. -8. Vgl. The Navarre Bible, in loc.
-9. H. Cyrillus van Jeruzalem, Kathechesis, 22,1. -10. Spr 8,31. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 824. -12. H. Augustinus, Belijdenissen,
7,10,16 (vert. G. Wijdeveld). -13. Vaticanum
ii, Decr. Presbyterorum
ordinis, 5. -14. Gal 2,20. -15. Joh 14,23. -16. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 832.
|