Achtentwintigste week. Maandag
58. het dagelijks brood
-Wat wij vragen met de woorden ons dagelijks brood -Het levensbrood -Het
geloof om dit nieuwe hemelbrood te eten. De heilige communie
58.1 Geef ons heden ons dagelijks brood...
Een oosterse legende vertelt over een koning en zijn zoon. De
koning schonk de prins een toelage die groot genoeg was om alle twaalf maanden
van het jaar op ruime voet te kunnen leven. De koning besloot dat hij, liever
dan alles ineens weg te geven, het zou verdelen in dagelijkse toelagen. Op deze
wijze was de koning in staat zijn zoon iedere dag van het jaar te zien en zo
ook omgekeerd.
Deze legende kunnen we toepassen op onze relatie met God.
'Ons dagelijks brood' hangt af van de gebeden die wij dagelijks bidden. Het
feit dat wij slechts vragen om wat wij vandaag nodig hebben, houdt in dat wij
morgen weer een ontmoeting met God onze Vader zullen hebben. Dit is de wijze
waarop de Vader ons aanmoedigt om trouw te zijn in het bidden van zijn gebed.
Jezus leerde ons te vragen om brood, dat wil zeggen: alles wat wij nodig
hebben om te leven als kinderen van God. Brood betekent dan: geloof, hoop,
liefde, blijdschap, voedsel voor het lichaam en voedsel voor de ziel,
volgzaamheid aan de wil van God in het dagelijkse leven, een hart dat groot
genoeg is om anderen te begrijpen en hun dienstbaar te zijn... Brood is een
symbool voor alle gaven die van God tot ons komen.1
In de eerste plaats vragen wij alles wat wij op een stoffelijke wijze nodig
hebben; dan komt onze vraag naar wat wij nodig hebben voor de gezondheid van
onze ziel.2
De Heer wil dat wij Hem om tijdelijke goederen vragen. Als
het gebruik ervan verantwoord is, kunnen zij ons zeker helpen de hemel te
bereiken. Wij vinden veel voorbeelden van deze waarheid in het Oude Testament.
De Heer zelf brengt ons ertoe te vragen, wat wij in dit leven nodig hebben. Wij
mogen niet vergeten, dat het eerste wonder dat door Jezus werd gedaan -het
veranderen van water in wijn-op een bruiloft was. Bij een andere gelegenheid
verzadigde Hij een grote menigte die Hem naar een verlaten plaats gevolgd was...
Toen Jezus de dochter van Jaïrus weer tot leven had gewekt, vroeg Hij haar iets
te eten te geven...3
Wanneer wij vragen om ons dagelijks brood, erkennen wij het feit dat
ons hele bestaan afhankelijk is van God. De Heer wil, dat wij de Vader vragen
al wat wij nodig hebben. Daardoor herinneren wij ons er voortdurend aan, dat
wij kinderen zijn die volkomen afhankelijk zijn van God de Vader. Wij kunnen
niets vanuit onszelf. Het goed bidden van het Onze Vader, met eerbied, is het erkennen van
onze volslagen armoede voor de liefhebbende ogen van God. Hij zorgt ervoor, dat
wij krijgen wat wij iedere dag nodig hebben. God zal ons nooit in de steek
laten.
Wanneer wij bidden om ons brood, wil de Heer dat wij ook de
intenties en noden van onze broeders en zusters niet vergeten, vooral van
degenen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd en van hen die lijden aan een
tekort van welke aard ook.
58.2 De
Kerkvaders hebben het brood in het Onze
Vader verklaard in een materiële betekenis, maar ook als het
levensbrood, de heilige eucharistie. Dit heilige Voedsel is voor ons geestelijk
leven onontbeerlijk.
Ik ben het brood des levens. Uw vaderen, die het manna gegeten hebben in de woestijn, zijn
niettemin gestorven; maar dit brood daalt uit de hemel neer, opdat wie ervan
eet niet sterft. Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als
iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal
geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld.4 De heilige Johannes herinnerde zich deze lange rede gedurende de rest van zijn dagen
evenzeer als de juiste plaats waar dit gebeurde: Dit zei Jezus bij zijn onderricht in de synagoge van Kafarnaüm.5
De woorden van Christus schokken door een geweldig realisme
dat eenvoudigweg niet kan worden uitgelegd in een figuurlijke betekenis. Jezus
maakt duidelijk dat het manna van de Exodus
vooruitliep op, en een voorafbeelding was van het Brood waarmee Hij
christenen wilde voeden in hun voortgaan naar de hemel. Communie is het 'sacrum
convivium', de heilige maaltijd waarbij Christus zich aan ons geeft, en zich
voor ons overlevert. Door de heilige communie te ontvangen delen wij dus in het
offer van Jezus Christus. Daarom zingt de
Kerk in het getijdengebed op Sacramentsdag: O heilige maaltijd waaraan wij met Christus deelnemen,
waarin zijn lijden wordt herdacht, onze geest is vol van zijn genade en wij
ontvangen een onderpand van de heerlijkheid die de onze zal zijn.6
De toehoorders van Christus begrijpen volkomen, dat Hij
precies bedoelt wat Hij zegt; maar zij kunnen niet begrijpen dat het waar kan
zijn wat Hij zegt: als zij Hem hadden begrepen in overdrachtelijke, figuurlijke
of symbolische zin, zou er geen reden geweest zijn voor hen om zo verbaasd te
zijn en geen reden om een woordenwisseling te veroorzaken.»7 De
Joden geraakten daarover met elkaar in twist en zeiden: 'Hoe kan Hij ons zijn
vlees te eten geven?'8 Jezus
verklaart duidelijk, dat zijn Lichaam en Bloed voedsel voor de ziel zijn, het
onderpand van eeuwig leven, de garantie voor de verrijzenis van het lichaam.
Jezus gebruikt zelfs een sterker woord dan alleen maar eten
-het originele werkwoord zou kunnen worden vertaald als 'kauwen'9- wat duidelijk maakt, dat de Communie een echt maal
is. Er is geen ruimte om te zeggen dat Hij slechts symbolisch sprak, wat zou
betekenen, dat de Communie slechts een beeldspraak was en niet werkelijk het
eten en drinken van het Lichaam en Bloed van Christus.
Christus is na het communiceren niet in ons aanwezig zoals
een vriend in een vriend zou zijn middels een geestelijke aanwezigheid; Hij is
waarachtig en werkelijk aanwezig in ons. Wij zullen nooit in staat zijn
voldoende de innige verbondenheid met God zelf -Vader, Zoon en Heilige Geest-
die ons in de eucharistische maaltijd wordt aangeboden, op waarde te schatten.
Wanneer wij zeggen: Vader, geef ons heden ons dagelijks brood en bedenken
dat wij het Brood des levens
dagelijks kunnen ontvangen, zouden wij vervuld moeten zijn van blijdschap en
een enorme dankbaarheid. Wij moeten ons best doen om dikwijls en, indien mogelijk,
dagelijks te communie te gaan. «Als dit dagelijks brood is, waarom ontvangt u
het dan slechts eenmaal per jaar? Ontvang iedere dag, echt iedere dag wat zo
weldadig voor u is. En wees er zeker van dat u zodanig leeft, dat u waardig
bent Hem te ontvangen.»10
58.3 De
heilige eucharistie werkt op dezelfde wijze als natuurlijk voedsel door ons
geestelijk leven in stand te houden, te voeden, te vernieuwen en te versterken.11 Het Allerheiligste schenkt de vrede en blijdschap
van Christus aan de ziel als een voorproef van het eeuwig geluk.12 Het bevrijdt de ziel van dagelijkse zonden,
vermindert de neiging tot het kwaad, vermeerdert het bovennatuurlijk leven en
zet ons aan doeltreffend te handelen met betrekking tot alle deugden: het is
het «middel tegen onze dagelijkse noden».13
Jezus is verborgen onder de gedaante van brood. Hij hoopt dat
wij Hem dikwijls willen ontvangen. Komt,
alles is gereed.14 Veel mensen
zijn niet gekomen, toen zij uitgenodigd waren, en Jezus wacht op ons. Laten wij
tot Jezus bidden met de woorden uit het getijdengebed van vandaag: Blijf bij ons, Heer Jezus, want het
wordt avond. Houd ons gezelschap tijdens onze reis. Verhef ons hart en beziel
onze zwakke hoop.15
Geloof is onmisbaar, als wij dit Brood gaan eten. Ons geloof
wordt zichtbaar in de juiste voorbereiding van onze ziel. De leerlingen die de
Heer verlieten om zijn duidelijke leer, lieten hun geloof steunen op hun eigen
oordeel.
Hoe staat het met ons? Wij kunnen met de heilige Petrus
zeggen: Heer, tot wie zullen wij
gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven.16
Laten wij het besluit nemen onze voorbereiding op de Communie te verbeteren
door meer geloof en liefde te hebben: «Aanbid Hem met eerbied en devotie.
Hernieuw in zijn tegenwoordigheid de eerlijke gave van uw liefde. Zeg Hem
zonder vrees dat u van Hem houdt. Bedank Hem voor dat dagelijkse bewijs van
zijn zo milde barmhartigheid en vermeerder uw verlangen om met vertrouwen tot
Hem te naderen in de communie. Ik ben vol ontzag voor dat mysterie van Liefde.
De Heer wil van mijn arm hart zijn troon maken om mij niet te verlaten als ik
mij niet van Hem scheid.»17
Laten wij bij het beëindigen van ons gebed de woorden, die
door de mensen van Kafarnaüm tot de Heer gesproken werden, herhalen: Heer, geef ons altijd dat brood.18
En wanneer wij het Onze Vader bidden, laten wij dan nadenken over
onze noden en die van onze broeders en zusters. Wij kunnen vol eerbied bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood;
geef ons wat wij nodig hebben voor ons lichaam en onze ziel. Morgen hebben wij
weer de gezegende kans om onze toevlucht te nemen tot God onze Vader. Hij zal
ons antwoorden: Omnia mea tua sunt19, al wat van Mij is, is ook van jou.
-1. Vgl. Ex
23,25; Jes 33,16.
-2. Vgl. Romeinse catechismus, IV,
13,8. -3. Vgl. Joh
2,1 e.v.; Mt
14,13-21; Mc 5,22-43.
-4. Joh 6,48-52. -5.
Vgl. Joh 6,59. -6. Getijdengebed, Antifoon
van het Magnificat,
Tweede Vespers. -7. Vgl. The
Navarre Bible, aantekening bij Joh 6,52. -8. Joh 6,52. -9. The Navarre Bible, aantekening bij Joh 6,54. -10. H. Ambrosius, Over de sacramenten, V,4. -11. Vgl. Concilie van Florence, Decreet Pro Armeniis, Dz 698. -12.
Vgl. Joh 6,58; Dz
875. -13. H. Ambrosius, Over de sacramenten.. -14. Vgl. Lc 14,15 e.v. -15. Getijdengebed, Tweede
Vespers, gebed. -16. Joh
6,68. -17. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 161.
-18. Joh 6,34. -19.
Vgl. Lc 15,31.
|