Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Dertigste zondag door het jaar (C)

12. Het echte gebed

-Noodzaak tot bidden. -Nederig en vertrouwvol gebed. Gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar. -Trouw aan het gebed. Moeilijkheden.

12.1. Het gebed is wederom het onderwerp van het evangelie van deze zondag.1 Jezus begint de gelijkenis van de tollenaar en de farizeeër met erop aan te dringen, dat we steeds moeten bidden en daarin niet versagen.2 In heel zijn onderricht spreekt de Heer misschien wel het meest over het gebed, naast geloof en liefde. Op velerlei wijzen wil de Meester ons zeggen, dat het gebed absoluut noodzakelijk is om Hem te volgen en voor ieder werk, wil het van blijvende waarde zijn. In het begin van zijn pontificaat verklaarde paus Johannes Paulus II: «Het gebed is voor mij de eerste opdracht en als het ware de eerste verkondiging; het is de eerste voorwaarde voor mijn dienstwerk aan de Kerk en aan de wereld.» En hij voegde eraan toe: «Ook iedere gelo­vige moet het gebed altijd beschouwen als het wezenlijke en onvervangbare werk van de eigen roeping, het opus divinum dat elk ander werk voorafgaat; het staat aan de top van heel zijn leven en handelen. We weten zeer wel, dat trouw aan het gebed of het nalaten ervan het bewijs vormen van de levenskracht dan wel de achteruitgang van het godsdienstige leven, van het apostolaat, van de christelijke trouw.»3 Zonder gebed zouden wij Christus niet kunnen volgen te midden van de wereld. Het is voor ons net zo noodzakelijk als het voedsel of de ademhaling voor het lichamelijke leven. Vandaar dat de duivel zich zo inspant om ons, christenen, van het gebed af te brengen of het ons te doen verwaarlozen met allerlei drogredenen.

Enkele dagen tevoren memoreerde de paus, dat een gevaar voor zelfs de meest toegewijde priesters «erin bestaat, dat zij zozeer opgaan in het werk van de Heer, dat zij de Heer van het werk vergeten.»4 Het is een gevaar voor iedere christen, want niets is de moeite waard, zelfs niet het meest uitzonderlijke apostolaat dat men zou kunnen bedenken, als het geschiedt ten koste van onze omgang met de Heer, want alles zou uiteindelijk vruchteloos blijken te zijn. We zouden een louter menselijk werk volbracht hebben, waarin we, wellicht onbewust, onszelf hadden gezocht. Het middel tegen dit gevaar is niet het nalaten van het werk of de apostolische opdracht, maar het «tijd maken om in gebed bij de Heer te zijn»5 en dat gebed «is vandaag net zo onmisbaar als gisteren.»6

Laten we vandaag eens nagaan of het gebed, de dagelijkse omgang met Jezus ons werk, het gezinsleven, de vriendschap en het apostolaat levend maakt. We weten, dat alles anders is, wanneer we het eerst met de Meester hebben besproken. «Daar geeft de Heer het licht om de waarheden te verstaan.»7 En zonder dat licht wandelen we in duisternis. Maar met het licht dringen we door in het mysterie van God en van ons bestaan.

12.2 De gelijkenis die wij in het evangelie van vandaag lezen wil ons de waarachtige godsvrucht doen onderscheiden van de valse. Het gebed van de arme dringt door de wolken heen -zo lezen we in de eerste lezing-, het stijgt altijd op tot God en daalt vol van vruchten weer neer.

Voordat Jezus de parabel vertelt, wijst Lucas er met aandrang op, dat Jezus sprak tot sommigen die, overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten. De Heer spreekt over twee soorten mensen die bij alle toehoorders welbekend waren: Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de andere een tollenaar. Meteen geven we ons rekenschap van het feit, dat beiden zich weliswaar met hetzelfde doel naar de tempel begaven, maar dat een van hen niet bad. Hij spreekt niet met God in een liefdevolle dialoog, maar met zichzelf. Er ligt geen liefde in zijn gebed en evenmin nederigheid. De farizeeër staat rechtop, hij dankt voor wat hij allemaal doet, hij is zelfvoldaan. Hij vergelijkt zichzelf met de anderen en beschouwt zich rechtvaardiger en als iemand die beter de Wet vervult. Hij lijkt God niet nodig te hebben.

De tollenaar «bleef op een afstand staan, en daarom kwam God makkelijker tot hem. Omdat hij de ogen niet ten hemel durfde opslaan, had hij degene die de hemel gemaakt heeft al bij zich... Of de Heer veraf is of niet, dat hangt van jezelf af. Heb lief en Hij zal naar je toe komen.»9 En Hij zal alle aandacht hebben -meer dan iemand ooit heeft gehad- voor alles wat wij Hem willen zeggen. De tollenaar heeft God veroverd door zijn nederigheid en zijn trouw, want God weerstaat de hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade10. De parabel leert ons dat ons gebed nederig moet zijn, vol aandacht en vertrouwen. We zouden de houding van de 'biddende farizeër' moeten vermijden om ons gebed niet in een zelfgenoegzame monoloog te laten verzanden.

In de gelijkenis ligt de idee opgesloten van de nederigheid als basis van onze omgang met God. Hij wil dat wij bidden als behoeftige kinderen die zijn barmhartigheid zoeken. «God heeft graag -zo leert de heilige Alfonsus Maria de Liguori- dat gij vertrouwelijk met Hem omgaat. Spreekt met Hem over uw aangelegenheden, uw plannen, uw werk, uw angsten en alles wat voor u van belang is. Doet dat alles met vertrouwen en een open hart, want God spreekt gewoonlijk niet met iemand die niet tot Hem spreekt.»11 Laten we vluchten voor zelfvoldaanheid in het gebed, voor tevredenheid over onze deugden of onze prestaties... maar ook voor negatieve, pessimistische houdingen die de weerspiegeling zijn van gebrek aan vertrouwen op Gods genade en dikwijls uitingen zijn van een verborgen trots. Gebed is steeds een tijd van blijdschap, vertrouwen en vrede.

12.3 Laten wij onze tijd voor het gebed goed voorbereiden. Gebed is «alleen te zijn met Hem van wie we weten dat Hij ons liefheeft».12 Uit het gebed zullen we kracht putten om ons dagelijks werk te heiligen, om de tegenslagen om te kunnen zetten in zegeningen, om alle moeilijkheden te kunnen overwinnen. We zullen sterker zijn naarmate ons gebed waarachtiger is. Wanneer we beginnen te bidden «moeten we het hart gereedmaken zoals iemand die zijn luit stemt alvorens hem te bespelen.»13 We kunnen al ons dagelijkse werk aan de Heer opdragen, tezamen met kleine verstervingen, in liefdevolle ingetogenheid. Wanneer we ons in de tegenwoordigheid van God stellen, is de tijd van onze samenspraak met Hem aangebroken. Een kort gebed kan ons helpen om de dialoog te openen. We zouden met grote aandacht en devotie kunnen bidden: Ik geloof vast dat U hier aanwezig bent, dat U mij ziet, dat U mij hoort... God ziet ons. Als wij deze werkelijkheid onderkennen, is dit op zichzelf reeds een gebed, zelfs al hebben we nog geen woord gezegd. Hij begrijpt ons en wij begrijpen Hem. Wij vragen Hem om vele zaken en Hij vraagt ons meer edelmoedigheid, meer liefde, meer innerlijke strijd.

Laten we niet verontrust worden als we soms -of zelfs vaak- niets bijzonders voelen tijdens het gebed. «Voor wie zich ijverig toelegt op het gebed, zullen er tijden komen waarin hij in een woestijn denkt rond te dwalen en ondanks al zijn inspanningen niets van God lijkt te bemerken. Hij moet dan bedenken dat niemand die het gebed serieus wil nemen, zulke beproevingen bespaard zullen blijven [...]. Dan moet hij zich krachtig inspannen om te blijven bidden, want ook al kan hij denken, dat het een beetje gekunsteld is, toch gaat het in werkelijkheid om iets volkomen anders: juist dan vormt het gebed een uiting van zijn trouw aan God, in wiens aanwezigheid hij wil blijven, ook al wordt hij door geen enkele subjectieve troost beloond.»14 Op vele dagen waarin we, in onze strijd om bij de Heer te zijn, het gevoel hadden, dat de tijd vruchteloos voorbij ging, zal het misschien voor Hem juist een schitterend gebed geweest zijn. De Heer beloont ons altijd met zijn vrede en zijn kracht om alle veldslagen aan te gaan die ons nog te wachten staan. Laten we het gebed nooit nalaten. «Het verliezen van de weg is volgens mij niets anders dan het nalaten van het gebed»15, schrijft de heilige Teresia van Ávila in de haar eigen heldere stijl. Niet zelden kan de ernstigste bekoring, die een ziel die ooit besloten heeft Christus van nabij te volgen, liggen in het nalaten van die dagelijkse dialoog met Christus, omdat hij denkt dat het geen vrucht oplevert, omdat hij andere dingen, zelfs apostolische ondernemingen, voornamer acht... en toch is er niets belangrijkers dan die dagelijkse afspraak, waarin Jezus op ons wacht. Zoals een geestelijk schrijver zegt: «Ten koste van alles moet men het besluit nemen en dat onwrikbaar vervullen om te volharden in het dagelijks reserveren van een gepaste tijd voor het persoonlijk gebed. Het is niet erg, als men die tijd alleen maar op de knieën blijft zitten en absoluut vergeefs tegen afleidingen moet vechten: men is zijn tijd niet aan het verdoen.»16

Laten we vandaag Onze Lieve Vrouw om hulp bidden, opdat zij ons leert met haar Zoon om te gaan zoals zij met Hem is omgegaan in Nazareth en tijdens zijn openbare leven. En laten we het voornemen maken nooit de domheid te begaan om het gebed te verwaarlozen en verstrooiing toe te laten in die tijd waarin we in persoonlijk gesprek zijn met de Heer.

-1. Lc 18,9-14. -2. Vgl. Lc 18,1. -3. Johannes Paulus ii, Toespraak 7 oktober 1979. -4. Idem, Toespraak in Maynooth (Ierland), 1 oktober 1979. -5. Ibidem. -6. Idem, Toespraak in Guadalupe (Mexico), 27 januari 1979. -7. H. Theresia van Avila, De kloosterstichtingen, 10,13. -8. Sir 35,19. -9. H. Augustinus, Preek 9,21. -10. Jak 4,6. -11. H. Alfonsus Maria van Liguori, Cómo conversar continua y familiarmente con Dios, in Obra ascética de..., BAC, vol. I, bl. 316-317. -12. H. Teresia van Avila, Het boek van haar leven, 8,2. -13. H. Petrus van Alcántara, Tratado de la oración y de la meditación, 1,3. -14. Congregatie voor de Geloofsleer, Enkele aspecten van de christelijke meditatie, 15 oktober 1989, n. 30. -15. H. Theresia van Avila, Het boek van haar leven, 19,5. -16. E. Boylan, This Tremendous Lover.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 05 feb 2012