Dertigste zondag door het jaar (C)
12. Het echte gebed
-Noodzaak tot bidden. -Nederig en vertrouwvol
gebed. Gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar. -Trouw aan het gebed.
Moeilijkheden.
12.1. Het gebed is wederom het onderwerp
van het evangelie van deze zondag.1 Jezus begint
de gelijkenis van de tollenaar en de farizeeër met erop aan te dringen, dat we steeds moeten bidden en daarin niet
versagen.2 In heel zijn onderricht spreekt de Heer misschien wel het meest over
het gebed, naast geloof en liefde. Op velerlei wijzen wil de Meester ons zeggen, dat het gebed absoluut
noodzakelijk is om Hem te volgen en
voor ieder werk, wil het van blijvende waarde zijn. In het begin van
zijn pontificaat verklaarde paus Johannes Paulus II: «Het gebed is voor
mij de eerste opdracht en als het ware de eerste verkondiging; het is de eerste
voorwaarde voor mijn dienstwerk aan de Kerk en aan de wereld.» En hij voegde
eraan toe: «Ook iedere gelovige moet het gebed altijd beschouwen als het
wezenlijke en onvervangbare werk van de eigen roeping, het opus divinum dat elk
ander werk voorafgaat; het staat aan de top van heel zijn leven en handelen. We
weten zeer wel, dat trouw aan het gebed of het nalaten ervan het bewijs vormen
van de levenskracht dan wel de achteruitgang van het godsdienstige leven, van
het apostolaat, van de christelijke trouw.»3
Zonder gebed zouden wij Christus niet kunnen volgen te midden van de wereld.
Het is voor ons net zo noodzakelijk als het voedsel of de ademhaling voor het
lichamelijke leven. Vandaar dat de duivel zich zo inspant om ons, christenen,
van het gebed af te brengen of het ons te doen verwaarlozen met allerlei drogredenen.
Enkele dagen tevoren memoreerde de paus, dat
een gevaar voor zelfs de meest toegewijde priesters «erin bestaat, dat zij
zozeer opgaan in het werk van de Heer, dat zij de Heer van het werk vergeten.»4 Het is een gevaar voor iedere christen, want niets
is de moeite waard, zelfs niet het meest uitzonderlijke apostolaat dat men zou
kunnen bedenken, als het geschiedt ten koste van onze omgang met de Heer, want
alles zou uiteindelijk vruchteloos blijken te zijn. We zouden een louter
menselijk werk volbracht hebben, waarin we, wellicht onbewust, onszelf hadden
gezocht. Het middel tegen dit gevaar is niet het nalaten van het werk of de
apostolische opdracht, maar het «tijd maken om in gebed bij de Heer te zijn»5 en dat gebed «is vandaag net zo onmisbaar als
gisteren.»6
Laten we vandaag eens nagaan of het gebed, de
dagelijkse omgang met Jezus ons werk, het gezinsleven, de vriendschap en het
apostolaat levend maakt. We weten, dat alles anders is, wanneer we het eerst
met de Meester hebben besproken. «Daar geeft de Heer het licht om de waarheden
te verstaan.»7 En zonder dat licht wandelen we
in duisternis. Maar met het licht dringen we door in het mysterie van God en
van ons bestaan.
12.2 De gelijkenis die wij in het evangelie
van vandaag lezen wil ons de waarachtige godsvrucht doen onderscheiden van de
valse. Het gebed van de arme dringt door de wolken heen -zo lezen we in de eerste lezing-, het stijgt altijd op tot God en daalt vol van vruchten weer neer.
Voordat Jezus de parabel vertelt, wijst Lucas
er met aandrang op, dat Jezus sprak tot sommigen die, overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten. De Heer spreekt over twee soorten mensen die bij alle toehoorders
welbekend waren: Twee mensen gingen op
naar de tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de andere een
tollenaar. Meteen geven we ons rekenschap van het
feit, dat beiden zich weliswaar met hetzelfde doel naar de tempel begaven, maar
dat een van hen niet bad. Hij spreekt niet met God in een liefdevolle dialoog,
maar met zichzelf. Er ligt geen liefde in zijn gebed en evenmin nederigheid. De
farizeeër staat rechtop, hij dankt voor wat hij allemaal doet, hij is
zelfvoldaan. Hij vergelijkt zichzelf met de anderen en beschouwt zich rechtvaardiger
en als iemand die beter de Wet vervult. Hij lijkt God niet nodig te hebben.
De tollenaar «bleef op een afstand staan, en
daarom kwam God makkelijker tot hem. Omdat hij de ogen niet ten hemel durfde
opslaan, had hij degene die de hemel gemaakt heeft al bij zich... Of de Heer
veraf is of niet, dat hangt van jezelf af. Heb lief en Hij zal naar je toe komen.»9 En Hij zal alle aandacht hebben -meer dan iemand
ooit heeft gehad- voor alles wat wij Hem willen zeggen. De tollenaar heeft God
veroverd door zijn nederigheid en zijn trouw, want God weerstaat de hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade10. De parabel
leert ons dat ons gebed nederig moet zijn, vol aandacht en vertrouwen. We
zouden de houding van de 'biddende farizeër' moeten vermijden om ons gebed niet
in een zelfgenoegzame monoloog te laten verzanden.
In de gelijkenis ligt de idee opgesloten van de
nederigheid als basis van onze omgang met God. Hij wil dat wij bidden als behoeftige
kinderen die zijn barmhartigheid zoeken. «God heeft graag -zo leert de heilige
Alfonsus Maria de Liguori- dat gij vertrouwelijk met Hem omgaat. Spreekt met
Hem over uw aangelegenheden, uw plannen, uw werk, uw angsten en alles wat voor
u van belang is. Doet dat alles met vertrouwen en een open hart, want God
spreekt gewoonlijk niet met iemand die niet tot Hem spreekt.»11 Laten we vluchten voor zelfvoldaanheid in het
gebed, voor tevredenheid over onze deugden of onze prestaties... maar ook voor
negatieve, pessimistische houdingen die de weerspiegeling zijn van gebrek aan
vertrouwen op Gods genade en dikwijls uitingen zijn van een verborgen trots.
Gebed is steeds een tijd van blijdschap, vertrouwen en vrede.
12.3 Laten wij onze tijd voor het gebed
goed voorbereiden. Gebed is «alleen te zijn
met Hem van wie we weten dat Hij ons liefheeft».12
Uit het gebed zullen we kracht putten om ons dagelijks werk te heiligen, om de
tegenslagen om te kunnen zetten in zegeningen, om alle moeilijkheden te kunnen
overwinnen. We zullen sterker zijn naarmate ons gebed waarachtiger is. Wanneer
we beginnen te bidden «moeten we het hart gereedmaken zoals iemand die zijn
luit stemt alvorens hem te bespelen.»13 We
kunnen al ons dagelijkse werk aan de Heer
opdragen, tezamen met kleine verstervingen, in liefdevolle
ingetogenheid. Wanneer we ons in de tegenwoordigheid van God stellen, is de
tijd van onze samenspraak met Hem
aangebroken. Een kort gebed kan ons helpen om de dialoog te openen. We
zouden met grote aandacht en devotie kunnen bidden: Ik geloof vast dat U hier aanwezig
bent, dat U mij ziet, dat U mij hoort... God ziet ons. Als wij deze
werkelijkheid onderkennen, is dit op zichzelf reeds een gebed, zelfs al hebben
we nog geen woord gezegd. Hij begrijpt ons en wij begrijpen Hem. Wij vragen Hem
om vele zaken en Hij vraagt ons meer edelmoedigheid, meer liefde, meer
innerlijke strijd.
Laten we niet verontrust worden als we soms -of
zelfs vaak- niets bijzonders voelen tijdens het gebed. «Voor wie zich ijverig
toelegt op het gebed, zullen er tijden komen waarin hij in een woestijn denkt
rond te dwalen en ondanks al zijn inspanningen niets van God lijkt te bemerken.
Hij moet dan bedenken dat niemand die het gebed serieus wil nemen, zulke
beproevingen bespaard zullen blijven [...]. Dan moet hij zich krachtig inspannen
om te blijven bidden, want ook al kan hij denken, dat het een beetje gekunsteld
is, toch gaat het in werkelijkheid om iets volkomen anders: juist dan vormt het
gebed een uiting van zijn trouw aan God, in wiens aanwezigheid hij wil blijven,
ook al wordt hij door geen enkele subjectieve troost beloond.»14 Op vele dagen waarin we, in onze strijd om bij de
Heer te zijn, het gevoel hadden, dat de tijd vruchteloos voorbij ging, zal het
misschien voor Hem juist een schitterend gebed geweest zijn. De Heer beloont
ons altijd met zijn vrede en zijn kracht om alle veldslagen aan te gaan die ons
nog te wachten staan. Laten we het gebed nooit nalaten. «Het verliezen van de
weg is volgens mij niets anders dan het nalaten van het gebed»15, schrijft de heilige Teresia van Ávila in de haar
eigen heldere stijl. Niet zelden kan de ernstigste bekoring, die een ziel die
ooit besloten heeft Christus van nabij te volgen, liggen in het nalaten van die
dagelijkse dialoog met Christus, omdat hij denkt dat het geen vrucht oplevert,
omdat hij andere dingen, zelfs apostolische ondernemingen, voornamer acht... en
toch is er niets belangrijkers dan die dagelijkse afspraak, waarin Jezus op ons
wacht. Zoals een geestelijk schrijver zegt: «Ten koste van alles moet men het
besluit nemen en dat onwrikbaar vervullen om te volharden in het dagelijks
reserveren van een gepaste tijd voor het persoonlijk gebed. Het is niet erg,
als men die tijd alleen maar op de knieën blijft zitten en absoluut vergeefs
tegen afleidingen moet vechten: men is zijn tijd niet aan het verdoen.»16
Laten we vandaag Onze Lieve Vrouw om hulp
bidden, opdat zij ons leert met haar Zoon om te gaan zoals zij met Hem is omgegaan
in Nazareth en tijdens zijn openbare leven. En laten we het voornemen maken
nooit de domheid te begaan om het gebed te verwaarlozen en verstrooiing toe te
laten in die tijd waarin we in persoonlijk gesprek zijn met de Heer.
-1. Lc 18,9-14. -2. Vgl. Lc 18,1. -3. Johannes Paulus ii, Toespraak 7 oktober
1979. -4. Idem, Toespraak in Maynooth
(Ierland), 1 oktober 1979. -5. Ibidem. -6. Idem, Toespraak in Guadalupe
(Mexico), 27 januari 1979. -7. H. Theresia van
Avila, De kloosterstichtingen, 10,13. -8. Sir 35,19. -9. H. Augustinus, Preek 9,21. -10. Jak 4,6. -11. H. Alfonsus Maria van Liguori, Cómo conversar continua y familiarmente con Dios, in Obra ascética de..., BAC, vol. I, bl. 316-317. -12. H.
Teresia van Avila, Het boek van
haar leven, 8,2. -13. H. Petrus van Alcántara, Tratado de la oración y de la meditación, 1,3. -14. Congregatie
voor de Geloofsleer, Enkele
aspecten van de christelijke meditatie, 15 oktober
1989, n. 30. -15. H. Theresia van
Avila, Het boek van haar leven, 19,5. -16. E. Boylan, This Tremendous Lover.
|