Negende week door het jaar. Donderdag
16. HET EERSTE GEBOD
-De ene God aanbidden. Moderne afgoderij. -Redenen om God
lief te hebben. Enige tekortkomingen en zonden tegen het eerste gebod. -Het
eerste gebod omvat alle aspecten van ons leven. Blijken van liefde tot God.
16.1 Het evangelie van de mis van
vandaag gaat over de vraag van een schriftgeleerde die, vol goede wil, verlangt
te weten welk gebod van de Schrift het belangrijkste is.1 Jezus bekrachtigt wat in de oude wet al duidelijk
neergelegd was: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige
Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel,
geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: Gij zult uw naaste
beminnen als uzelf. De schriftgeleerde vereenzelvigt zich geheel met het
onderricht van Jezus en, als hij verder spreekt, herhaalt hij langzaam de
woorden die hij zojuist gehoord heeft. De Heer heeft voor hem een hartelijk
woord, dat tot zijn definitieve bekering oproept: Gij staat
niet ver af van het Koninkrijk Gods.
Dit gebod, waarin heel de wet en de profeten wordt samengevat,
begint met de vaststelling van het bestaan van God, de
enige Heer, en zo wordt het herhaald in het credo: Credo
in unum Deum - ik geloof in één God. Het is
een waarheid die gekend wordt door het natuurlijke licht van de rede. En het
uitverkoren volk wist goed, dat alle goden van de heidenen vals waren.
Niettemin waren de afgoden voor hen een voortdurende bekoring en een regelmatige
oorzaak van hun verwijdering van God, die hen weggevoerd had uit het land van
Egypte. De profeten voelden zich gedrongen hen te herinneren aan de onwaarheid
van die godheden, die zij hadden leren kennen toen zij in contact traden met
naties wier macht en cultuur die van hen overtroffen, en hen aantrokken en
verblindden. Het ging om volkeren die rijker waren, materieel verder
ontwikkeld, maar ondergedompeld in de duisternis van het bijgeloof, van de
onwetendheid en de dwaling. Het uitverkoren volk wist bij herhaling de
onvergelijkelijke rijkdom van de openbaring, de schat van het geloof, niet te
appreciëren. Zij lieten de bron van levend water in
de steek voor de gebroken en gebarsten bekkens die geen water bevatten en ook
niet waterdicht waren.2
In de oudheid bedachten de heidenen die beschaafd waren voor
de tijd waarin zij leefden, zich afgoden die zij op verschillende wijzen
aanbaden. Heel wat mensen in onze dagen, nieuwe heidenen, richten beter
geconstrueerde en verfijndere afgodsbeelden op: er lijkt zich vandaag de dag
een echte afgoderij en aanbidding3 te
ontwikkelen voor alles wat zich aandient onder het mom van vooruitstrevendheid,
of meer materieel welzijn, genot of gemak geeft; daarbij vergeten zij vrijwel
volledig, dat de mens een geestelijk wezen is en wat zijn eeuwig heil is. De
woorden van Paulus in zijn brief aan de Filippensen zijn actueel: hun buik is hun god, in hun schande stellen zij hun eer, zij
hebben hun zinnen gezet op het aardse.4
Het is de moderne afgoderij, waartoe ook vele christenen verleid worden: zij
vergeten de schat van hun geloof, de rijkdom van de liefde tot God.
Het eerste van de Tien Geboden van God wordt geschonden,
wanneer men de voorkeur geeft aan andere zaken, ook al zijn het op zich goede
zaken, boven God, want dan worden die dingen wanordelijk bemind. In die
gevallen gooit de mens de ordening van de schepselen door elkaar, door deze te
gebruiken voor een tegengesteld of een ander doel dan waarvoor ze geschapen werden.
Met het doorbreken van de goddelijke ordening, waar de Tien Geboden ons op
wijzen, vindt de mens God niet meer in de schepping; hij maakt zich dan zijn
eigen god, waarachter zijn eigen egoïsme of hoogmoed schuilgaat. Erger nog, de
mens probeert, stom als hij is, zich Gods plaats toe te eigenen, zichzelf te
verheffen tot bron van al wat goed en al wat kwaad is, door te vallen voor de
bekoring waarmee de duivel onze stamouders verlokte: gij zult worden als goden,
als gij de geboden van God niet gehoorzaamt.5
Daarom -want de verleiding is voor elke man, elke vrouw reëel-
is het noodzakelijk ons vaak af te vragen, en laten wij dat nu doen in ons
gebed, of God werkelijk de eerste plaats inneemt in ons leven, de belangrijkste
plaats, of Hij het hoogste goed is, dat ons gedrag en onze beslissingen
richting geeft. En wij zullen dat beter inzien, als wij onderzoeken hoeveel
belang wij eraan hechten Hem steeds beter te leren kennen, want niemand bemint
wat hij niet kent. Nemen wij de tijd in acht die bestemd is om onze leerstellige
vorming te verbeteren; zijn wij onthecht van de goederen die wij bezitten, en
gebruiken wij deze op een wijze dat zij nooit het eerste goed zullen worden? Gij zult de Heer uw God beminnen... en
Hem alleen aanbidden... De volharding in het gaan van de weg die de Heer
van ons verlangt -de persoonlijke roeping van iedereen- is de concrete wijze om
die liefde en aanbidding te realiseren.
16.2 Er zijn veel en machtige
redenen om God te beminnen: «Hij heeft ons geschapen, Hij bestuurt ons; [...]
Hij geeft ons al wat nodig is voor leven en onderhoud».6
Bovendien ziet men de schuld die wij bij Hem hebben louter vanwege het feit van
ons bestaan, toenemen doordat Hij ons verheven heeft tot de orde van de genade,
en verlost uit de macht van de zonde door het lijden en sterven van zijn
eniggeboren Zoon. Voeg daar nog eens bij de ontelbare weldaden en geschenken
die wij voortdurend van Hem ontvangen: de waardigheid zijn kinderen te zijn, en
tempels van de Heilige Geest... Het zou van hemeltergende ondankbaarheid
getuigen, als wij Hem niet zouden danken voor wat Hij ons gegeven heeft.
Sterker nog -vermaant de heilige Thomas ons- het zou zijn, alsof wij ons een
andere God zouden produceren, zoals toen de zonen van Israël zich tijdens hun
tocht uit Egypte een afgod maakten.7
De echte liefde -de menselijke liefde, en bij uitstek de
liefde tot God- veredelt en verrijkt de mens altijd, zij doet hem een beetje meer
op zijn Schepper gelijken.
De persoonlijke geschiedenis van iedere mens maakt duidelijk
hoe de waardigheid en het geluk, ook het menselijke geluk, bereikt worden langs
het pad van de liefde tot God, nooit daarbuiten. Wanneer de uiteindelijke drijfveer
van een leven gericht is op een ander motief, welk motief dan ook, dan loopt
men het risico ten prooi te vallen aan de heerschappij van de eigen
hartstochten. Terecht wordt gezegd, dat de weg naar de hel al een hel is. De
woorden van de profeet Jeremia tot de mensen die zich verblind voelden door de
afgoden van de buurvolken, worden daar vervuld: de andere
goden zullen u geen rust laten.8
Wie ophoudt God lief te hebben, slaat een pad in dat van
kwaad naar erger gaat, want wie de Heer beledigt, «laat het niet bij een zonde,
maar wordt integendeel gedrongen in te stemmen met andere: al
wie zonde doet is slaaf van de zonde (Joh 8,34). Daarom is het helemaal
niet makkelijk eruit te komen, zoals de heilige Gregorius zegt: 'de zonde die
niet uitgeboet wordt door de boetedoening, doet door zijn eigen gewicht de mens
vervallen tot andere'.»9 De liefde tot God,
daarentegen, leidt tot het verachten van de zonde, tot het ontvluchten -met de
hulp van zijn genade, met ascetische strijd- van elke gelegenheid waarin God misschien
beledigd kan worden, tot het doen van boete voor de tekortkomingen en zonden
uit het voorbije leven.
Wij moeten regelmatig welbewuste akten van liefde en aanbidding
tot de Heer stellen: door aan elke kniebuiging -een teken van aanbidding- voor
het tabernakel inhoud te geven, of misschien door de woorden van het Adoro te devote te herhalen of die van
het Gloria in excelsis: Wij loven U; wij prijzen en
aanbidden U; wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.
Wij schieten te kort in liefde tot God, wanneer wij Hem niet
de verschuldigde eredienst brengen, wanneer wij niet of slecht bidden. Die
liefde schiet te kort bij vrijwillige geloofstwijfel, bij het lezen van boeken,
kranten of tijdschriften die het geloof of de moraal aanvallen. De liefde tot
God schiet te kort als wij meegaan met bijgeloof, of met theorieën-die
misschien wel als wetenschap worden opgediend- die zich te weer stellen tegen
het geloof: alle twee vruchten van onwetendheid. De liefde schiet te kort als
men zichzelf, of zijn kinderen of mensen die aan onze zorg zijn toevertrouwd,
blootstelt aan invloeden die schadelijk zijn voor het geloof en de moraal; als
wij God, zijn macht, zijn goedheid... wantrouwen. «Langs deze weg kan de ziel
onomstotelijk te weten komen of zij God op zuivere wijze liefheeft of niet.
Want als zij Hem liefheeft, heeft zij geen hart meer voor zichzelf; en ook let
zij dan niet meer op eigen smaak en voordeel. Zij heeft alleen nog maar hart
voor de eer en glorie van God om Hem plezier te doen. Want hoe meer hart zij
voor zichzelf heeft, des te minder heeft zij hart voor God.»10 Wij willen, dat ons hart God bemint en de mensen,
en het werk dat wij voor Hem en met Hem verrichten.
16.3 De liefde tot God vindt haar
uitdrukking niet alleen in de verschuldigde eredienst, met name die van de heilige
mis, maar moet alle aspecten van het menselijk leven vervullen. Ze kan op veel
manieren geuit worden. Wij beminnen God door een goed verricht werk, door het
trouw nakomen van onze plichten in het gezin, op het werk, in de maatschappij;
met onze geest, met ons hart..., met ons optreden naar buiten toe, als een echt
kind van God... Dit gebod vereist op de eerste plaats aanbidding, eer brengen
aan God, wat niet zo maar een extra bezigheid is tussen alle andere, maar het
uiteindelijk doel van heel ons handelen, tot en met wat het allergewoonste
lijkt: Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet
alles ter ere Gods.11 Deze basishouding
van aanbidding tot in de basis vergt in de praktijk alles te doen, of te willen
doen, tot lof en eer van God: dat wil zeggen, te handelen met een zuivere
mening.
De liefde tot God en de werkelijke liefde tot de naaste
worden gevoed in het gebed en de sacramenten, in de voortdurende strijd om onze
gebreken te overwinnen, in de inspanning om gedurende de dag in Gods aanwezigheid
te blijven. De heilige eucharistie moet op bijzondere wijze de bron zijn
waardoor onze liefde tot de Heer ononderbroken gevoed wordt. Dan kunnen wij
zeggen met de woorden van het Adoro te devote: tibi se cor
meum totum subiicit - ik aanbid U met eerbied... aan
U onderwerpt zich geheel en al mijn hart.
Laten wij bedenken, wat ons hart bemint. Laten wij in ons gebed
zien of wij onze menselijke 'trucjes' gebruiken om gedurende de dag veel aan de
Heer te denken, en Hem zo te beminnen en te aanbidden.
-1. Mc 12,28-34. -2. Vgl. Jer 2,13. -3. Vgl. Vaticanum ii,
Decr. Apostolicam actuositatem, 7. -4. Fil 3,19. -5. Vgl. Gn 3,5. Vgl.
-6. Romeinse Catechismus, III,2,6. -7. H. Thomas van Aquino, De duobus
praeceptis charitatis et decem legis praeceptis, 1. -8. Vgl. Jer 16,13. -9. H. Thomas van
Aquino, o.c. -10. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk
Hooglied, 9,5. -11. 1 Kor 10,31.
|