21 januari. Vierde dag van de Bidweek
7. HET FUNDAMENT VAN DE EENHEID
-Het primaatschap van
Petrus wordt in de Kerk voortgezet door de eeuwen heen in de persoon van de
paus van Rome. -De plaatsbekleder van Christus. -Het primaatschap, waarborg
voor de eenheid van de christenen en bedding van het ware oecumenisme. Liefde
en eerbied voor de paus.
7.1 Johannes begint het verhaal van Jezus' openbare
leven met de episode waarin de eerste apostelen Hem ontmoeten
en Andreas Hem zijn broer Petrus voorstelt. De Heer heette hem welkom met deze
begroeting: Gij
zijt Simon, de zoon van Johannes; gij zult
Kefas -dat betekent: Rots- genoemd worden.1 'Kefas' is de Griekse transcriptie van een Aramees
woord, dat 'steen, rots' betekent. Daarom verklaart het evangelie, dat in het
Grieks geschreven is, de betekenis van het door Jezus gebruikte woord. 'Kefas'
was geen eigennaam, maar de Heer noemt de apostel aldus om daarmee de zending
aan te duiden die Jezus zelf hem later zal openbaren. Een naam geven stond
gelijk aan het in bezit nemen van wat door
die naam werd uitgedrukt. Zo maakt God bij voorbeeld Adam tot heerser
over de schepping en draagt hem op alle dingen een naam te geven2; daarmee gaf de mens aan, dat hij over al deze dingen heerste. De naam 'Noach' wordt verleend als
teken van nieuwe hoop na de zondvloed.3
God veranderde de naam 'Abram' in 'Abraham' om daarmee aan te geven, dat deze vader van een menigte volkeren4 zou worden.
De eerste christenen vonden de naam Kefas zo veelbetekenend, dat zij hem gebruikten zonder hem
te vertalen5; later werd de vertaling -Steenrots, Petrus-
gebruikelijk; deze deed zijn eerste naam, Simon, grotendeels in
vergetelheid raken. De Heer zal hem heel vaak Simon Petrus noemen; daarmee duidt Hij zowel
de eigennaam aan als de zending en het ambt die Hij hem zal verlenen. Deze
woorden van Jezus winnen nog meer aan betekenis als men bedenkt dat 'Petrus'
-Kefas- geen eigennaam was in die tijd.
Vanaf het begin nam Petrus een bijzondere
plaats in onder de leerlingen van Jezus en later in de Kerk. In de vier lijsten
van het Nieuwe Testament waarin de twaalf apostelen worden opgenoemd, bezet
Simon Petrus de eerste plaats. Jezus onderscheidt hem van de anderen, ofschoon
Johannes zijn geliefde leerling lijkt te zijn: Hij treedt zijn huis binnen6, betaalt de schatting voor hen beiden7 en waarschijnlijk verschijnt Hij hem als eerste.8 Zo ook de
uitdrukkingen: Petrus en zijn
metgezellen9, Petrus en zij die hem
vergezelden...10 De engel zegt tot de vrouwen: Gaat aan zijn leerlingen en aan Petrus zeggen...11 Vele andere malen is Petrus de woordvoerder
van de Twaalf; hij ook is degene die de Heer vraagt hun de betekenis van de
gelijkenissen te verklaren12, enz.
Allen weten van deze bevoorrechte positie van
Simon. Zo richten bij voorbeeld degenen die verantwoordelijk zijn voor de
inning van de belastingen zich tot hem om de drachmen van de Meester te innen...13 Dit overwicht heeft hij niet te danken aan zijn
persoonlijkheid, maar aan het feit dat Jezus
hem heeft onderscheiden door hem op plechtige wijze deze macht te verlenen,
die het fundament is van de eenheid
van de Kerk en die in zijn opvolgers
wordt voortgezet tot het einde der tijden: «De paus van Rome -zo leert het Tweede
Vaticaans Concilie- is het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van de
eenheid zowel van de bisschoppen als van de menigte van de gelovigen.»14
In deze dagen van gebed voor de eenheid van
alle christenen, zullen wij heel bijzonder bidden voor de paus, in wie deze
eenheid verankerd ligt. We moeten bidden voor zijn intenties, voor zijn
persoon: Dominus conservet eum et
vivificet eum... Moge de Heer hem behoeden en hem nieuwe kracht verlenen en hem gelukkig op
aarde maken..., zo bidden we God, en we kunnen dat in de loop van de dag
herhalen; we mogen er zeker van zijn, dat dit gebed de Heer zeer welgevallig
zal zijn.
7.2 Toen Jezus in Caesarea van Filippus was, vroeg Hij op hun tocht aan
zijn leerlingen wat de mensen over Hem dachten.
En zij vertelden Hem in alle eenvoud wat de mensen van Hem zeiden. Toen
vroeg Jezus om hún mening, na die jaren waarin zij Hem gevolgd hadden: Maar gij, wie zegt gij dat Ik
ben? Petrus trad naar voren en zei: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Toen antwoordde de
Heer hem met de volgende woorden die van zulk een bovennatuurlijke betekenis
zijn voor de geschiedenis van Kerk en wereld: Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet
vlees en bloed hebben u dit geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is. Op
mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk
bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Ik zal u de
sleutels geven van het Rijk der hemelen en wat gij zult binden op aarde, zal
ook in de hemel gebonden zijn en wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in de
hemel ontbonden zijn.15
Deze tekst bevindt zich in alle oude codices en
wordt reeds door de eerste christelijke schrijvers aangehaald.16 De Heer sticht de Kerk op de persoon Simon zelf: Gij zijt Petrus en op deze steenrots...
Jezus' woorden zijn tot hem persoonlijk
gericht: Gij... en
vormen een duidelijke zinspeling op de eerste ontmoeting.17 De leerling is het stevige fundament waarop het
gebouw in oprichting -de Kerk- wordt gegrondvest. Het eigen voorrecht van
Christus de enige hoeksteen18 te zijn wordt op Petrus overgedragen. Vandaar de latere naam die aan de opvolger van
Petrus wordt gegeven: 'Plaatsbekleder van Christus', degene die Hem vervangt en
zijn dienst vervult. Vandaar ook die innige naam die sint Catharina van Siëna
aan de paus gaf: de 'zoete Christus op aarde'.19
De Heer zal tot Petrus zeggen: «Ofschoon Ik het fundament ben en er buiten Mij geen ander kan zijn, bent ook gij, Petrus,
steenrots, omdat Ik zelf u tot fundament maak en de voorrechten die Mij
toebehoren aan u overdraag en die wij aldus beiden gemeen hebben.»20
In die tijd, waarin de steden ommuurd waren,
was het overhandigen
van de sleutels het symbool van
de machtsoverdracht en het toevertrouwen van de zorg voor de stad.
Christus legt Petrus de verantwoordelijkheid op om de Kerk te behoeden en voor
haar te zorgen, dat wil zeggen, Hij verleent hem het hoogste gezag over de Kerk.
'Binden en ontbinden' betekent in de Semitische taal van die tijd 'verbieden en
toestaan'. Petrus en zijn opvolgers zullen naast fundament tegelijkertijd ook
degenen zijn die belast zijn met richting geven, gebieden, verbieden, leiden...
En deze macht zal als zodanig in de hemel worden bekrachtigd. Bovendien zal de
plaatsbekleder van Christus, ondanks zijn persoonlijke zwakheid, belast worden
met het ondersteunen van de overige apostelen en van alle christenen. Tijdens
het Laatste Avondmaal zal Jezus tot hem zeggen: Simon, Simon, weet dat de satan heeft geëist u allen te
ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken.
Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan op uw beurt uw
broeders.21 Nu, op het ogenblik
waarop Hij de hoogste waarheden in herinnering brengt, wanneer Hij de
eucharistie heeft ingesteld en zijn dood nabij is, hernieuwt Jezus de belofte
van het primaat: het geloof van Petrus kan niet bezwijken, omdat het steunt op
de daadkracht van Christus' gebed.
Door het gebed van Jezus, is het geloof van
Petrus niet bezweken, ook al is hij
gevallen. Hij stond weer op, bevestigde zijn broeders en werd de
hoeksteen van de Kerk: «Waar Petrus is, daar is de Kerk; waar de Kerk is, daar
is geen dood, maar leven»22, zo legt de heilige
Ambrosius uit. Dat gebed van Jezus, waarmee wij vandaag ons gebed verenigen,
behoudt zijn doeltreffendheid door de eeuwen heen.23
7.3 De belofte die Jezus aan Petrus deed in Caesarea van Filippus komt tot
vervulling na zijn verrijzenis, bij het meer van Genesaret, na een wonderbare
visvangst die lijkt op die eerste visvangst, waarbij Simon de boten en netten
in de steek liet om Jezus voorgoed te volgen.24
Petrus werd door Christus uitgeroepen tot zijn
opvolger, zijn plaatsbekleder, met die herderlijke zending die Jezus zelf
aanduidde als zijn meest karakteristieke en geliefde zending: Ik ben de goede herder.
«Het charisma van sint Petrus ging over op zijn opvolgers.»25 Hij zou jaren later sterven, maar het was van
belang dat zijn taak als opperherder eeuwig zou duren, want de Kerk -gebouwd
op een stevige rots- zal voortduren tot de voleinding der tijden.26
Het primaatschap
is een waarborg voor de eenheid van de christenen en de bedding waarin zich het
ware oecumenisme dient te ontplooien. De paus vervult de taak van Christus op
aarde; wij moeten hem beminnen, naar hem luisteren, want in zijn stem ligt de
waarheid. En wij moeten met alle middelen trachten te bereiken, dat deze waarheid
de verste en moeilijkste uithoeken van de aarde bereikt, onvervormd, opdat
velen die de richting kwijt zijn, het licht zien en velen die terneergeslagen
zijn, de hoop herkrijgen. Ons bewust van de gemeenschap van de heiligen zullen
we dagelijks voor hem bidden; dit is een van de dankbaarste plichten van een
geordende naastenliefde.
De eerbied en
liefde voor de paus vormt voor de katholieken een uniek onderscheidingsteken,
dat het getuigenis meedraagt van een geloof dat tot in zijn uiterste consequenties
wordt beleefd. De paus is voor ons de tastbare aanwezigheid van Jezus, 'de
zoete Christus op aarde'; dit spoort ons aan hem lief te hebben en in ons
binnenste die stem van de Meester te vernemen die in ons spreekt en tot ons
zegt: Dit is mijn welbeminde,
luistert naar Hem, want de paus «vervult de rol van Christus
zelf, als leraar, herder en hogepriester, en treedt in zijn persoon op.»27
-1. Joh 1,42. -2. Gn 2,20. -3. Gn 5,20. -4. Gn 17,5. -5. Vgl. Gal 2,9.11.14. -6. Lc 4,38-41. -7. Mt 17,27. -8. Lc 24,34. -9. Lc 9,32.
-10. Lc 8,45. -11. Mc 16,7. -12. Lc 12,41. -13. Mt 17,24. -14. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 23. -15. Mt 16,16-20.
-16. Vgl. J. Auer, J. Ratzinger,
Curso de Teología dogmática,
Barcelona 1986, vol. VIII, La
Iglesia, bl. 267 vv. -17. Joh 1,42. -18. Vgl. 1 Pe 2,6-8. -19. H. Catharina van
Siëna, Brief 207.
-20. H. Leo de Grote, Preek 4. -21. Lc 22,31-32. -22. H. Ambrosius, Commentaar op psalm 12.
-23. Vgl. Vaticanum i,
Const. Pastor aeternus,
3. -24. Joh
21,15-17. -25. Johannes
Paulus ii, Toespraak 30-XII-1980. -26. Vaticanum i, loc. cit., 2. -27. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 21.