Drieëntwintigste week. Dinsdag
14. Het gebed van Christus, Ons gebed
-De Heer blijft, vanuit de hemel, onze voorspraak. Zijn
gebed heeft altijd effect. -Vruchten van het gebed. -Mondgebeden.
14.1 In
het evangelie1 lezen we: Jezus ging naar het gebergte om te bidden en bracht daar de
nacht door in gebed tot God. De volgende dag koos Hij de twaalf
apostelen. Het is het gebed van Christus voor de beginnende Kerk.
Op veel plaatsen in het evangelie zien we Christus verenigd
met zijn hemelse Vader in een intiem en vertrouwvol gebed. Het is ook passend
dat Jezus, volmaakt God en volmaakt mens, moet bidden om ons een voorbeeld te
geven van nederig, vertrouwvol en volhardend gebed, daar Hij ons opdroeg steeds
te bidden en niet te versagen2, zonder ons te
laten overmannen door vermoeidheid, net zoals je niet ophoudt met ademhalen.
Jezus smeekte bij zijn Vader en zijn gebed werd altijd
verhoord.3 Zijn volgelingen wisten goed hoe
krachtig het gebed van de Heer was. Na de dood van Lazarus zei zijn zuster
tegen Jezus: Heer, als Gij hier
was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik, dat wat
Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.4 Toen Lazarus opstond uit de doden, sloeg Jezus zijn
ogen op naar de hemel en zei: Vader,
Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort.5 Voor zijn lijden bad hij voor Petrus: Simon, Simon, waarschuwde
Hij hem, weet dat de satan heeft
geëist u allen te ziften als tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof
niet zou bezwijken. Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan op
uw beurt uw broeders.6 En Petrus
keerde terug na zijn afvalligheid. Op dezelfde wijze had Hij voor de apostelen
en voor alle christenen gebeden bij het Laatste Avondmaal: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat
Gij hen bewaart voor het kwaad. [...] Wijd hen U toe in de waarheid.7 Jezus kent de ontmoediging waaraan zijn leerlingen
een paar uur later ten prooi zullen vallen, maar zijn gebed zal hen ondersteunen;
het zal voor hen de kracht verkrijgen trouw te blijven, zelfs hun leven te
geven voor hun Meester.
In dit hogepriesterlijk gebed van het Laatste Avondmaal
smeekt de Heer bij zijn Vader voor allen die door de eeuwen heen in Hem zullen
geloven. De Heer bad voor ons, en zijn genade zal ons nooit ontbreken. «De
levende Christus blijft ook nu, zelfs op deze dag, van ons houden, en Hij toont
ons zijn hart als de bron van onze verlossing: Semper vivens ad interpellandum pro nobis,
-altijd een levende voorspraak voor ons (vgl. Heb 7,25). Op elk moment wordt de
hele wereld, inclusief wijzelf, omvat door de liefde van dit Hart dat de mensen
zozeer bemind heeft en waaraan zij zo weinig beantwoord hebben.»8 Laten wij op onze beurt proberen er beter aan te
beantwoorden.
Vanuit de hemel bemiddelt Jezus Christus, «gezeten aan de
rechterhand van de Vader»9, voor ons die de
leden van zijn Kerk zijn, en «Hij blijft altijd onze Advocaat en onze
Middelaar».10 De heilige Ambrosius herinnert ons
eraan dat Jezus altijd voor onze zaak pleit bij zijn Vader en dat zijn gebed
niet geweigerd kan worden.11 Hij vraagt zijn
Vader, dat de verdiensten die Hij tijdens zijn aardse leven verworven heeft,
ons voortdurend tot voordeel mogen strekken.
Wat een vreugde te bedenken dat Christus altijd leeft om onze voorspraak te zijn12, zodat onze gebeden en ons werk verenigd kunnen
worden met zijn gebed en, daarmee samen, een oneindige waarde kunnen aannemen.
Soms is er in ons gebed te weinig nederigheid, vertrouwen en volharding die er
onontbeerlijk voor zijn; dan ondersteunen we het met het gebed van Christus; we
vragen Hem ons te inspireren om te bidden zoals we zouden moeten, volgens de
goddelijke bedoeling, om ons gebed uit ons hart te laten voortkomen en het aan zijn
Vader aan te bieden, opdat we met Hem één zullen zijn voor alle eeuwigheid.13 Meer nog: we maken ons hele leven een offer, intiem
verenigd met dat van Jezus, door zijn heilige Moeder. «Heilige Vader! Door het
Onbevlekte Hart van Maria, offer ik U Jezus, uw zeer beminde Zoon, en ik offer
mijzelf in Hem, met Hem, en door Hem, voor al zijn intenties en in de naam van
alle schepselen».14 Zo verwerven ons gebed en al
onze handelingen, intiem verenigd met die van Jezus, een waarde die oneindig
is.
14.2 Met
zijn voorbeeld leerde de Meester ons de noodzaak van het gebed. Hij herhaalde
steeds maar weer dat het nodig is te volharden in het gebed. Als ook wij ons
opmaken voor gebed, plaatsen we ons bij de bron van levend water.15 Daar zullen we de vrede en kracht vinden die nodig
is om met vreugde en optimisme door te gaan op dit levenspad.
Hoeveel goed doen we voor de Kerk en voor de wereld met ons
gebed, met deze momenten, zoals hier en nu, waarin we samen zijn met de Heer!
Er is gezegd dat degenen die echt bidden, zijn als de «zuilen van de wereld»,
zonder welke alles in elkaar zou storten. De heilige Johannes van het Kruis onderwees prachtig: «Zelfs al lijkt het of
er niets gebeurt, een klein beetje van deze zuivere liefde is kostbaarder voor
God en de ziel en doet meer goed voor de Kerk dan alle andere werken samen»16, werken die zonder Christus weinig of niets waard
zijn. Juist omdat het gebed ons sterk maakt bij moeilijkheden, helpt het ons
ons werk te heiligen, het goede voorbeeld te geven in onze daden en hartelijk
en waarderend om te gaan met hen die met ons werken of leven. In het gebed
ontdekken we de dringende noodzaak Christus binnen te voeren in de wereld om
ons heen, een noodzaak die, hoe verder die mensen van God af staan, des te
dringender is.
De heilige Teresia van Ávila herhaalde de woorden van «een
erg geleerd man», voor wie «de zielen die geen gebedsleven hebben als een
'verlamd' of kreupel lichaam zijn, dat, ofschoon het voeten en handen heeft,
deze niet kan gebruiken».17 Gebed is nodig om de
Heer steeds meer lief te hebben, om nooit van Hem gescheiden te worden; zonder
gebed vervalt de ziel tot lauwheid, verliest zij zijn vreugde en de kracht om
goed te doen.
De intieme dialoog van Jezus met God de Vader was
voortdurend; het gaf Hem de gelegenheid te vragen, te prijzen, te danken; in
elke omstandigheid wendde de Heer zich tot zijn Vader. Ook wij moeten zo'n
voortdurende ontmoeting verlangen, altijd met God wensen om te gaan, en vooral
in de momenten die we er bijzonder aan toewijden om met Hem te spreken, zoals
in de heilige Mis, en nu, in dit ogenblik van gebed waarin we Hem ontmoeten bij
het overwegen van deze zaken. Ook in de loop van de dag, in de situaties waarin
het tapijt van onze dag geweven wordt, als we ons werk of onze studie beginnen of
eindigen, als we wachten voor de lift, bij een onverwachte kennismaking op
straat. Die aanroep vol tederheid -Abba,
Vader- was voortdurend op de lippen van de Heer; daarmee begon
Hij vaak zijn oefeningen van dankzegging, zijn smekingen, zijn lofprijzing. Hoeveel
zal het onze ziel helpen als we ons eraan wennen God op deze manier aan te roepen,
ons tot Hem te richten als tot de Vader, met tederheid en vertrouwen, met
liefde!
Alle plechtige momenten in het leven van de Heer werden
voorafgegaan door gebed. «De evangelist vertelt ons dat het juist tijdens
Jezus' gebed was dat Hij het mysterie van de liefde van zijn Vader toonde en de
gemeenschap van de drie goddelijke Personen openbaarde. In het gebed leren we
het mysterie van Christus en de wijsheid van het Kruis doorgronden. In het
gebed bespeuren we, in al hun dimensies, de ware noden van onze broeders en
zusters over de hele wereld; in het gebed vinden we de kracht om alles waarmee
we geconfronteerd worden, het hoofd te bieden; in het gebed verkrijgen we de kracht
voor de zending die Christus met ons deelt.»18
De heilige Pastoor van Ars was gewoon te zeggen, dat alle
kwaad dat ons op de wereld bezwaart, juist voortkomt uit afwezigheid van het
gebed, of de ontoereikendheid van het gebed. Laten we het voornemen maken om
ons met liefde en vertrouwen tot God te wenden, door middel van ons stil gebed
en ons mondgebed en door die korte zinnetjes of schietgebeden die zo makkelijk
in ons opkomen; en laten we de vreugde smaken ons leven dicht bij God de Vader
te leven, op de enige plaats waar het de moeite waard is te leven.
14.3 De
Heilige Geest leert ons met Jezus om te gaan in ons stille gebed en ons mondgebed,
en misschien ook met die gebeden die we van onze moeder geleerd hebben toen we
klein waren. Ook al was Hij als God alwetend, als mens moest de Heer van de
lippen van zijn Moeder heel wat vaste gebeden leren die van generatie op
generatie door het joodse volk waren overgeleverd, en Hij heeft ons het
voorbeeld nagelaten van zijn waardering voor het mondgebed. In zijn laatste
gebed tot zijn Vader gebruikte Hij de woorden van een psalm. En Hij leerde ons
het gebed bij uitstek, het Onze Vader, dat alles bevat waar we om zouden moeten
vragen. Het mondgebed is een blijk van de vroomheid van ons hart en het helpt
ons een levende aanwezigheid van God te houden gedurende de dag en op die
momenten van stil gebed waarop we onszelf droog vinden en er niets aan ons
gebeurt.
De teksten van de mondgebeden, vele met bijbelse wortels, en
van liturgische en andere gebeden, samengesteld door de heiligen, zijn voor
ontelbare christenen nuttig geweest voor lofprijzing en dankzegging, voor het
vragen van hulp, om het weer goed te maken. Als we onze toevlucht nemen tot
deze gebeden, beleven we de gemeenschap van de heiligen op een intieme wijze en
funderen we ons geloof op het geloof van de Kerk.19
Om beter te bidden en routine te vermijden, kan dit advies
ons helpen: «Om geen routine in het mondgebed te laten insluipen, moet je erop
letten de gebeden te zeggen met dezelfde liefde als waarmee de verliefde voor
de eerste keer sprak..., en alsof het de laatste gelegenheid zou zijn waarin jij
je tot de Heer zou kunnen richten.»20
-1. Lc
6,12-19. -2. Vgl. Lc
18,1. -3. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III,
q21, a4. -4. Joh
11,21-22. -5. Joh
11,41-42. -6. Lc
22,31-32. -7. Vgl. Joh
17,15vv. -8. Johannes Paulus ii, Homilie, Parijs, 1 juni
1980. -9. Geloofsbelijdenis van
Nicea-Constantinopel. -10. H. Gregorius
de Grote, Commentaar
op psalm 5. -11. Vgl. H. Ambrosius, Commentaar op de brief aan de Romeinen,
8,34. -12. Vgl. Heb
7,25. -13. Vgl. R. Garrigou-Lagrange
o.p., Le Sauveur et son
amour pour nous, Parijs 1952. -14. P.M. Sulamitis,
Ofrenda al Amor Misericordioso, Madrid 1931. -15. Vgl. Ps 41,2. -16. H. Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, 29,2 b. -17. H. Teresia van Ávila, Innerlijke burcht. Eerste verblijf, I, 6. -18. Johannes Paulus ii, Homilie, 13 januari 1981.
-19. Vgl. G. Chevrot, Dans le secret. -20. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 432.
|