De Boog
... voor eenheid in geloof en leven

ZOEK   EEN BOEK  
 
e-mailadres: 
Klant:   
Registreer Klantnummer vergeten?
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escriva
Spreken met God
Over Jozefmaria Escriva
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie Atrium
Theologie andere boeken
DVD
Navarre bible NT
Navarre bible OT
Gezin
Medische Ethiek

Francisco en Jacinta van Fatima
Over 2 Portugese kinderen aan wie Onze Lieve Vrouw in 1917 in Fatima verscheen. Meer ...

Home >  Het geloof van Tomas

Tweede zondag van Pasen

8. HET GELOOF VAN TOMAS

-Verschijning van Jezus aan de apostelen. -De akte van geloof van de apostel Tomas. Ons geloof moet een werkzaam geloof zijn. -De verrijzenis is een oproep met ons leven te laten zien, dat Christus leeft. Noodzaak van een goede vorming.

8.1 Op de eerste dag van de week1, de dag waarop de Heer verrees, de eerste dag van de nieuwe wereld, is vol gebeurtenissen. Vanaf de morgen, heel vroeg2, toen de vrouwen naar het graf gingen, tot in de avond3, toen Hij zijn meest dierbaren kwam opbeuren: Vrede zij met u, zegt Hij. Na hun dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. Bij die gelegenheid was Tomas niet bij de andere apostelen; hij kon de Heer niet zien, en zijn troostende woorden niet horen.

Dit was de apostel die ooit gezegd had: Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.4 En bij het laatste avondmaal bracht hij de Heer met zeer grote oprechtheid zijn gebrek aan kennis onder ogen: Heer, wij weten niet waar Gij heengaat, hoe moeten wij dan de weg kennen?5 Vol intense vreugde zullen de apostelen Tomas wel diezelfde avond zijn gaan zoeken in Jeruzalem, of de volgende dag. Zodra ze hem zagen, zullen ze wel geen moment verloren hebben laten gaan om hem te zeggen: We hebben de Heer gezien! Tomas was echter, zoals de anderen, hevig aangedaan door wat hij met eigen ogen gezien had: nooit zou hij de kruisiging en de dood van de Meester vergeten. Hij hechtte geen enkel geloof aan wat de anderen hem zeiden: Als ik niet in zijn handen de tekenen van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.6 Zij die drie jaar met Hem verkeerd hadden en door zoveel banden met Hem verbonden waren, zouden op duizend verschillende manieren dezelfde waarheid herhalen die hun blijdschap en zekerheid uitmaakten: Wij hebben de Heer gezien!

Tomas dacht dat de Heer dood was. De anderen verzekeren hem dat de Heer leeft, dat zij Hem zelf gezien en gehoord hebben, dat Hij bij hen geweest is. Dat moeten wij nu ook doen: voor heel veel mensen is het alsof Christus nog steeds gestorven is, want Hij betekent nauwelijks iets voor hen, Hij telt niet mee in hun leven. Ons geloof in de verrezen Christus is onze drijfveer naar die mensen toe te gaan en hun op duizend verschillende manieren te zeggen dat Christus leeft, dat we met Hem verenigd zijn door het geloof en dat we elke dag met Hem omgaan, dat Hij de richting en de betekenis van ons leven bepaalt.

Op deze manier leveren wij onze persoonlijke bijdrage aan de opbouw van de Kerk, door het vervullen van de eis van het geloof, dit in voorbeeld en woord uit te dragen. Zo bewerken wij wat de eerste christenen deden, over wie de Handelingen van de apostelen spreken: Steeds meer gelovigen sloten zich aan bij de Heer; grote groepen mannen zowel als vrouwen.7 

8.2 Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: 'Vrede zij u'. Vervolgens zei Hij tot Tomas: 'Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig'.8 

Het antwoord van Tomas is een oefening van geloof, van aanbidding en van grenzeloze overgave. Mijn Heer en mijn God! Deze woorden zijn onuitputtelijk. Zijn geloof bloeit op, niet zozeer uit de onloochenbare aanwezigheid van Jezus, alswel uit een onmetelijke smart. Het zijn niet zozeer de bewijzen, alswel de liefde die hem brengen tot de aanbidding en terugkeer naar het apostolaat. De Traditie zegt ons, dat de apostel Tomas de marteldood zou sterven omwille van zijn geloof en omwille van de Heer. Hij gaf zijn leven weg in dienst van de Heer.

De aanvankelijke twijfel van Tomas heeft gediend om het geloof van hen die veel later in Hem zouden geloven, te versterken. «En wat denkt gij hiervan -merkte de heilige Gregorius de Grote op- dat het misschien zuiver toeval was, dat hij, de uitverkoren apostel, die keer afwezig was en dat hij, toen hij bij terugkomst hoorde spreken over de verschijning van de Heer en twijfelde, uit twijfel zijn hand uitstak en door de aanraking geloofde? Het was geen toeval, maar een beschikking van God. De goedertierenheid van God handelde op bewonderenswaardige wijze, opdat de aarzelende leerling, door de wonden in het vlees van de Meester aan te raken, in ons de wonden van het ongeloof zou helen[...]. Zo veranderde de leerling na twijfel en die aanraking in een getuige van de werkelijke verrijzenis.»9 

Als ons geloof sterk is, zal het ook het geloof van anderen tot steun zijn. Het is nodig dat ons geloof in Jezus Christus van dag tot dag gaat groeien, dat wij leren gebeurtenissen en mensen te beschouwen op de wijze zoals Hij ze bekeek, dat ons optreden in de wereld bezield is door de leer van Jezus. Het kan echter wel eens voorkomen, dat ons geloof te kort schiet, zoals dat van Tomas. We hebben, als we moeilijkheden ondervinden bij het apostolaat, bij gebeurtenissen die we maar niet vanuit een bovennatuurlijke visie weten te interpreteren, in donkere ogenblikken die God niet van ons weghoudt om ons te laten groeien in andere deugden, kortom in zoveel omstandigheden behoefte aan meer vertrouwen in de Heer.

De deugd van het geloof is de deugd die ons inzicht verschaft in de ware betekenis van de gebeurtenissen en ons in staat stelt alle zaken juist te beoordelen. «Alleen in het licht van het geloof en in de overweging van het woord van God kan iemand altijd en overal God herkennen, in wie wij leven, bewegen en zijn (Hnd 17,28); alleen op grond hiervan zullen wij in alles wat er gebeurt, de goddelijke wil kunnen zoeken, zullen wij Christus kunnen zien in alle mensen, of zij ons nu na staan of vreemden voor ons zijn, en een juist oordeel kunnen vellen over de werkelijke betekenis en waarde van de tijdelijke zaken op zich en in hun verhouding tot het doel van de mens.»10 

Richten we onze gedachten op het evangelie uit de Mis van vandaag. «Slaan we opnieuw onze ogen op naar de Meester. Misschien hoort u nu ook het verwijt aan het adres van Tomas: Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig (Joh 20,27). En, net als bij de apostel, zal uit uw ziel met oprecht berouw deze kreet opwellen: mijn Heer en mijn God (Joh 20,28). Ik erken U definitief als mijn Meester en nu en altijd zal ik uw lessen als een schat bewaren en mij inspannen deze trouw te volgen.»11 

Mijn Heer en mijn God! Deze woorden hebben veel gelovigen als schietgebed gediend en als akte van geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in de heilige eucharistie, bij het lopen langs een kerk, op het moment van de consecratie in de heilige Mis... Ze kunnen ons ook helpen om ons geloof in en onze liefde voor de verrezen Christus, werkelijk tegenwoordig in de heilige Hostie, weer wakker te schudden.

8.3 Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge; zalig die niet gezien en toch geloofd hebben'.12 «Een zin die ongetwijfeld ook op ons slaat -zegt de heilige Gregorius de Grote- en die betekent, dat wij met de ziel belijden, wat wij door het vlees gezien hebben. Deze zin is een toespeling op ons, in zoverre we leven in overeenstemming met het geloof; want alleen híj gelooft werkelijk die zijn geloof in daden omzet.»13 De verrijzenis van de Heer is een oproep door ons leven te laten zien, dat Hij leeft. De daden van de gelovige moeten vrucht en uiterlijk teken van de liefde tot Christus zijn.

In de eerste eeuwen geschiedde de verspreiding van het christendom grotendeels door het persoonlijk getuigenis van hen, die zich tot het christendom bekeerden. Het was een rechtstreekse prediking van het Goede Nieuws: van mens tot mens, van familie tot familie; onder mensen met dezelfde functie, onder buren; in dezelfde wijk, bij het doen van boodschappen, op straat. Ook vandaag wil de Heer, dat de wereld, de straat, het werk, het gezin de bedding vormen waardoor het geloof van de een naar de ander stroomt.

Een voorwaarde voor het belijden van het geloof met woorden is: het duidelijk en nauwkeurig kennen van de inhoud van het geloof. Om die reden heeft onze Moeder de heilige Kerk in de loop der eeuwen zo hardnekkig gewezen op het leren van de catechismus, waarin op korte en eenvoudige wijze de kern staat van wat wij moeten kennen om er vervolgens naar te leven. De heilige Augustinus benadrukte dit al ten overstaan van die catechumenen die op het punt stonden het doopsel te ontvangen: «Welnu, aanstaande zaterdag zult u, als we -zo God het wil- de vigilie vieren, moeten overstappen van het gebed (Onze Vader) naar het symbolum (Credo). Als gij het immers nu niet leert, zult gij het later in de kerk niet elke dag van de mensen horen. En om het goed te leren kennen moet ge het elke dag bidden om het niet te vergeten. Bij het opstaan of bij het gaan slapen, zeg uw symbolum, zeg het tot God. Zo zorgt u ervoor het niet te vergeten, en herhaal het zonder luiheid. De herhaling is goed tegen het vergeten. Gij moet niet zeggen: 'ik heb het gisteren al gebeden, maar: ik bid het vandaag, en ik zal het elke dag bidden. Ik houd het goed in mijn geheugen gegrift. Laat het voor u een geheugensteun voor uw geloof zijn en een spiegel waarin u uzelf ziet. Kijk daarin dan naar uzelf; onderzoek of u nog alle waarheden gelooft, die gij met die woorden zegt te geloven en verheug u dagelijks in uw geloof. Daarin zou uw rijkdom moeten liggen; deze geloofswaarheden moeten als het ware de kleren zijn waarmee gij uw ziel tooit.»14 Tot hoeveel christenen, die de kern van hun geloof kwijt zijn, zouden deze zelfde woorden gezegd kunnen worden!

Christus vraagt ons ook met daden ons geloof te belijden tegenover andere mensen. Laten we daarom denken: zou ik bij die of die gelegenheid niet moediger hebben moeten zijn; zou ik niet offervaardiger hebben moeten zijn, wat betreft mijn werkzaamheden op het moment dat ik ze moest afmaken? Laten we denken aan ons werk, aan de omgeving waar we gewoonlijk verkeren: kent men ons daar als mensen die een leven van geloof leiden, zijn we dapper genoeg; kennen we de kern van ons geloof? Laten we bidden tot de maagd Maria, Zetel van Wijsheid, Koningin van de apostelen, en vragen we haar of zij ons helpt door ons gedrag en onze woorden te laten zien, dat Christus leeft.

-1. Joh 20,1. -2. Mc 16,2. -3. Joh 20,19. -4. Joh 11,16. -5. Joh 14,5. -6. Joh 20,25. -7. Hnd 5,14. -8. Joh 20,26-27. -9. H. Gregorius de Grote, Preken over de Evangeliën, 26,7. -10. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 4. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 145. -12. Joh 20,29. -13. H. Gregorius de Grote, Preken over de Evangeliën, 26,9. -14. H. Augustinus, Preek 58, 15.





Nieuwsbrief & e-Book

naam:
e-mail adres:
Meer info ...

Betaal Informatie

iDeal

Klanten service

Bestellen
Per e-mail
Tel. (035) 694 63 50

Adres

Bezoek- en verkoopadres:
Stichting Leesgoed, Keizersgracht 218-B, Amsterdam
Dinsdag t/m donderdag van 10:30 tot 13:15 uur.
Zondag van 12:15 tot 13:15 uur