Vierentwintigste week. Maandag
22. HET GELOOF VAN een HONDERDMAN
-Nederigheid, noodzakelijke voorwaarde om te kunnen geloven.
-De groei van het geloof. -Nederigheid om te volharden in het geloof.
22.1 We
kunnen ons voorstellen dat het voorval dat verteld wordt in het evangelie van
vandaag, plaatshad in de late namiddag. Nadat Hij zijn prediking voor de dag
had beëindigd, ging onze Heer de stad Kafarnaüm binnen. Twee oudsten van de
joodse gemeenschap kwamen naar Jezus toe namens een Romeinse honderdman die een
zieke knecht had aan wie hem veel gelegen was.1
Deze niet-joodse officier wordt aan ons voorgesteld als een man van grote rechtschapenheid.
Hij is iemand die weet hoe hij anderen moet leiden, want hij zegt tegen een
soldaat 'ga' en hij gaat, en tot
een ander 'kom' en hij komt. Tegelijkertijd heeft hij een groot
hart. Hij weet hoe hij moet zorgen voor de mensen in zijn omgeving, zoals deze
zieke knecht. Hij is een grootmoedig man. Hij doet alles wat in zijn vermogen
ligt om zijn knecht te helpen. Hij had op eigen kosten de plaatselijke synagoge
laten bouwen ofschoon hij zelf geen jood was. De oudsten brengen het onder de
aandacht van Jezus: Hij verdient,
dat Gij hem deze gunst bewijst, want hij houdt van ons volk.
De meest treffende karaktertrek van deze honderdman is zijn
nederigheid. Toen Jezus op weg was naar het huis van de honderdman, zond deze
een boodschapper die zei: Heer,
doe geen verdere moeite; ik ben niet waard dat Gij onder mijn dak komt. Daarom
meende ik ook er geen aanspraak op te mogen maken persoonlijk naar U toe te
komen. Maar één woord van U is voldoende om mijn knecht te doen genezen.
Dit geloof en deze nederigheid verrassen Jezus. Toen Jezus dit hoorde, stond Hij verwonderd
over hem. Hij keerde zich om en zei tot het volk dat Hem volgde: 'Ik zeg u:
zelfs in Israël heb Ik zo'n groot geloof niet gevonden'.
Nederigheid is de noodzakelijke voorwaarde om tot geloof, om
dichtbij Christus te komen. Deze deugd is de smalle weg die voert tot geloof en
tot groei in het bovennatuurlijke leven. Nederigheid leert ons Jezus te
begrijpen. In zijn uitleg van dit verhaal merkt de heilige Augustinus op, dat
nederigheid diende als de deur waardoor de Heer het leven van deze
rechtvaardige man wilde binnenkomen.2
Laten wij vandaag de Heer om die oprechte nederigheid vragen
die ons dichter bij Christus zal brengen. «Jij vertrouwde me toe, dat jij in je
gebed je hart opende voor de Heer met de volgende woorden: ?Ik overweeg wat
voor stuk ellende ik ben wat, ondanks uw genade, erger lijkt te worden;
natuurlijk doordat ik tekort schiet in het beantwoorden aan die genade. Ik
erken, dat er in mij geen enkele voorbereiding is voor het karwei dat Gij van
mij vraagt. En wanneer ik in de kranten lees, dat zo ontzettend veel mensen van
aanzien, begaafde mensen, rijke mensen spreken en schrijven en in de weer zijn
om uw Rijk te verdedigen..., kijk ik naar mijzelf en vind ik zo helemaal niets; ik
ben zo onwetend, zo armoedig, kortom: zo klein..., dat ik vervuld zou raken van
verwarring en schaamte, als ik niet wist, dat Gij mij bemint, zoals ik ben. Ach
Jezus. Aan de andere kant weet Gij goed, hoe ik, uit volle overtuiging, mijn
ambities aan uw voeten heb gelegd... Geloof en Liefde: Beminnen, Geloven, Lijden.
Daarin wil ik wel rijk en wijs zijn, maar niet wijzer en niet rijker dan Gij
het, in uw grenzeloze Barmhartigheid, beschikt hebt: want al mijn aanzien en
eer dien ik aan te wenden in het getrouw vervullen van uw allerrechtvaardigste
en allerbeminnelijkste Wil.?»3
22.2 Ik zeg u, zelfs in Israël heb Ik zo'n geloof niet
gevonden. Wat een ongelooflijk compliment! Hoezeer moet de Heer
door hem zijn verrast, dat Hij deze woorden uit! Laten wij vandaag nadenken
over de kwaliteit van ons eigen geloof en Jezus vragen ons de genade te geven
om het dagelijks te laten groeien. De heilige Augustinus zei: geloof is «Deo
credere, Deum credere, in Deum credere.»4 'Deo
credere' betekent: geloven dat wat God zegt,
waar is; zo geloven we ook een mens,
terwijl wij niet geloven 'in' een mens. 'Deum credere' betekent: geloven
dat Hij God is. 'In Deum credere' betekent: gelovend liefhebben, gelovend naar
Hem toegaan, gelovend Hem vasthouden en bij zijn ledematen gevoegd worden.
Voortgang in het geloof is geloven in deze drie opzichten. Om in God te geloven
hebben we een oprecht verlangen nodig naar leerstellige vorming. Hoe staat het
met onze belangstelling om God en zijn openbaring beter te kennen door middel
van geestelijke lezing, studie enzovoort.? Ons verlangen om God beter te kennen
wordt ook duidelijk in onze trouw aan de geopenbaarde waarheid zoals deze door
de Kerk wordt verkondigd.
Om in God te geloven moeten we groeien in onze persoonlijke
vriendschap met Hem. We moeten met God omgaan op een dagelijkse basis van
liefdevol gebed. We moeten Hem ontmoeten in de dagelijkse Mis. We moeten Hem
vinden in onze successen en onze mislukkingen. Geloof in God brengt ons ertoe
Hem dichtbij te zien in ons dagelijkse leven.5
In God zelf te geloven is de bekroning van de twee andere
geloofsaspecten. Dit is de liefde die het oprechte geloof met zich meebrengt.
«God, ik geloof in U en ik heb U lief. Ik sprak met U als met een vriend, niet
een vreemdeling. Het is onmogelijk U te leren kennen en U niet lief te hebben.
Hij die U liefheeft weet dat hij moet worstelen om zich met uw wil te
vereenzelvigen.»6
22.3 Toen de mensen, die gestuurd waren, in
huis terugkeerden, vonden zij de knecht weer gezond.
Alle wonderen die Jezus
tot stand bracht, waren blijken van zijn liefhebbend en medelijdend
hart. Hij heeft nooit een wonder verricht dat iemand pijn deed. Ook verrichtte
Hij nooit een wonder als doel-op-zich. Wij zien Hem honger lijden en Hij vraagt
niet om brood. Bij Jakobs bron heeft Hij dorst en Hij vraagt de Samaritaanse
vrouw Hem te drinken te geven.7 Als Herodes om
een teken vraagt, blijft Hij zwijgen. Het doel van de wonderen is, dat er
mensen in Hem zullen geloven, opdat
zij mogen geloven dat Gij mij gezonden hebt.8 Hij verandert de lichamelijke werken van
barmhartigheid in middelen voor geestelijke groei. Daarom had de genezing van
de knecht als doel de honderdman dichter bij de Heer te brengen. We mogen
aannemen dat hij een van de eerste niet-joden was die vroeg om het doopsel na het
Pinksterfeest.
Ons geloof verenigt ons met Christus de Verlosser, met zijn
heerschappij over de gehele schepping. Het geeft ons een zekerheid die groter
is dan enige menselijke activiteit kan verschaffen. Maar om dit geloof te
bezitten hebben we de nederigheid van die honderdman nodig. Het is nodig dat
wij onszelf zien als nietig ten opzichte van Christus. We nemen ons voor om
altijd zijn leiding te volgen, ongeacht onze gevoelens.
De heilige Augustinus zegt, dat alle gaven van God kunnen worden teruggebracht tot dit: «Ontvang het
geloof en blijf er trouw aan tot aan het einde van je leven.»9 Nederigheid zal ons leren waakzaam te blijven ten
aanzien van onze aangeboren zwakte. De echte belemmering om te kunnen geloven
is trots. God weerstaat de
hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.10 We moeten dikwijls vragen om nederigheid.
In Onze Lieve Vrouw vinden we het volmaakte samengaan van
geloof en nederigheid. Haar nicht Elisabeth groet Maria, hiertoe bewogen door
de Heilige Geest, met deze woorden: Gezegend is zij die geloofd heeft.
Op dezelfde wijze geïnspireerd antwoordt Maria met haar Magnificat: Mijn hart prijst hoog de Heer, van
vreugde juicht mijn geest om God mijn redder; daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden
af prijst elk geslacht mij zalig. Maria haalt geen persoonlijke eer uit deze
goddelijke gunst. God heeft haar grote nederigheid gezien en heeft besloten
haar van genade te vervullen.11 Laten we tot
Maria gaan zodat zij ons kan leren hoe wij kunnen groeien in nederigheid, wat
de beste basis is voor ons geloof. «De dienstmaagd des Heren is nu de koningin
van het heelal. Al wie zichzelf
verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden
(Mt 23,12). Als we onszelf onvoorwaardelijk overgeven aan de dienst van God,
zullen we tot grote hoogten verheven worden. We zullen deelnemen aan het innerlijke
leven van God. We zullen zijn 'als goden' als we de weg volgen van nederigheid
en gehoorzaamheid aan de wil van God.»12
-1. Lc
7,1-10. -2. Vgl. H. Augustinus, Preek 46, 12. -3. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 822.
-4. H. Augustinus, Preek 144, 2. -5. Vgl. P. Rodríguez, Fe y vida de fe, Pamplona 1974, bl. 124-125.
-6. Ibidem, bl. 125.
-7. Vgl. Joh 4,7.
-8. Joh 11,42. -9. H. Augustinus, De dono perseverantiae, 17,47; 50,641 -10. Jak 4,6 -11. Vgl. Lc 1,45 e.v. -12. A. Orozco, Mirar a María, Madrid 1981, bl. 238.
|