Tweede zondag van Pasen
8. HET GELOOF VAN TOMAS
-Verschijning van Jezus aan de apostelen. -De akte van
geloof van de apostel Tomas. Ons geloof moet een werkzaam geloof zijn. -De
verrijzenis is een oproep met ons leven te laten zien, dat Christus leeft.
Noodzaak van een goede vorming.
8.1 Op de eerste dag
van de week1,
de dag waarop de Heer verrees, de eerste dag van de nieuwe wereld, is vol
gebeurtenissen. Vanaf de morgen, heel vroeg2, toen de vrouwen naar het graf gingen,
tot in de avond3, toen Hij zijn meest dierbaren kwam opbeuren: Vrede zij
met u, zegt Hij. Na hun dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen
en zijn zijde. Bij die gelegenheid was Tomas niet bij de andere apostelen;
hij kon de Heer niet zien, en zijn troostende woorden niet horen.
Dit was de apostel die ooit gezegd had: Laten ook wij gaan
om met Hem te sterven.4 En bij het laatste avondmaal bracht hij de Heer met zeer
grote oprechtheid zijn gebrek aan kennis onder ogen: Heer, wij weten niet
waar Gij heengaat, hoe moeten wij dan de weg kennen?5 Vol intense vreugde zullen de
apostelen Tomas wel diezelfde avond zijn gaan zoeken in Jeruzalem, of de
volgende dag. Zodra ze hem zagen, zullen ze wel geen moment verloren hebben
laten gaan om hem te zeggen: We hebben de Heer gezien! Tomas was echter,
zoals de anderen, hevig aangedaan door wat hij met eigen ogen gezien had: nooit
zou hij de kruisiging en de dood van de Meester vergeten. Hij hechtte geen
enkel geloof aan wat de anderen hem zeiden: Als ik niet in zijn handen de
tekenen van de nagelen zie en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan
steken en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik het niet geloven.6 Zij die drie jaar
met Hem verkeerd hadden en door zoveel banden met Hem verbonden waren, zouden
op duizend verschillende manieren dezelfde waarheid herhalen die hun blijdschap
en zekerheid uitmaakten: Wij hebben de Heer gezien!
Tomas dacht dat de Heer dood was. De anderen verzekeren hem
dat de Heer leeft, dat zij Hem zelf gezien en gehoord hebben, dat Hij bij hen
geweest is. Dat moeten wij nu ook doen: voor heel veel mensen is het alsof
Christus nog steeds gestorven is, want Hij betekent nauwelijks iets voor hen,
Hij telt niet mee in hun leven. Ons geloof in de verrezen Christus is onze
drijfveer naar die mensen toe te gaan en hun op duizend verschillende manieren
te zeggen dat Christus leeft, dat we met Hem verenigd zijn door het geloof en
dat we elke dag met Hem omgaan, dat Hij de richting en de betekenis van ons
leven bepaalt.
Op deze manier leveren wij onze persoonlijke bijdrage aan de
opbouw van de Kerk, door het vervullen van de eis van het geloof, dit in
voorbeeld en woord uit te dragen. Zo bewerken wij wat de eerste christenen
deden, over wie de Handelingen van de apostelen spreken: Steeds meer
gelovigen sloten zich aan bij de Heer; grote groepen mannen zowel als vrouwen.7
8.2 Acht dagen later waren zijn leerlingen
weer in het huis bijeen, en was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren,
kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: 'Vrede zij u'. Vervolgens
zei Hij tot Tomas: 'Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand
uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer ongelovig, maar gelovig'.8
Het antwoord van Tomas is een oefening van geloof, van
aanbidding en van grenzeloze overgave. Mijn Heer en mijn God! Deze woorden zijn
onuitputtelijk. Zijn geloof bloeit op, niet zozeer uit de onloochenbare
aanwezigheid van Jezus, alswel uit een onmetelijke smart. Het zijn niet zozeer
de bewijzen, alswel de liefde die hem brengen tot de aanbidding en terugkeer
naar het apostolaat. De Traditie zegt ons, dat de apostel Tomas de marteldood
zou sterven omwille van zijn geloof en omwille van de Heer. Hij gaf zijn leven
weg in dienst van de Heer.
De aanvankelijke twijfel van Tomas heeft gediend om het
geloof van hen die veel later in Hem zouden geloven, te versterken. «En wat
denkt gij hiervan -merkte de heilige Gregorius de Grote op- dat het misschien
zuiver toeval was, dat hij, de uitverkoren apostel, die keer afwezig was en dat
hij, toen hij bij terugkomst hoorde spreken over de verschijning van de Heer en
twijfelde, uit twijfel zijn hand uitstak en door de aanraking geloofde? Het was
geen toeval, maar een beschikking van God. De goedertierenheid van God handelde
op bewonderenswaardige wijze, opdat de aarzelende leerling, door de wonden in
het vlees van de Meester aan te raken, in ons de wonden van het ongeloof zou
helen[...]. Zo veranderde de leerling na twijfel en die aanraking in een getuige
van de werkelijke verrijzenis.»9
Als ons geloof sterk is, zal het ook het geloof van anderen
tot steun zijn. Het is nodig dat ons geloof in Jezus Christus van dag tot dag
gaat groeien, dat wij leren gebeurtenissen en mensen te beschouwen op de wijze
zoals Hij ze bekeek, dat ons optreden in de wereld bezield is door de leer van
Jezus. Het kan echter wel eens voorkomen, dat ons geloof te kort schiet, zoals
dat van Tomas. We hebben, als we moeilijkheden ondervinden bij het apostolaat,
bij gebeurtenissen die we maar niet vanuit een bovennatuurlijke visie weten te
interpreteren, in donkere ogenblikken die God niet van ons weghoudt om ons te
laten groeien in andere deugden, kortom in zoveel omstandigheden behoefte aan
meer vertrouwen in de Heer.
De deugd van het geloof is de deugd die ons inzicht verschaft
in de ware betekenis van de gebeurtenissen en ons in staat stelt alle zaken
juist te beoordelen. «Alleen in het licht van het geloof en in de overweging
van het woord van God kan iemand altijd en overal God herkennen, in wie wij
leven, bewegen en zijn (Hnd 17,28); alleen op grond hiervan zullen wij in
alles wat er gebeurt, de goddelijke wil kunnen zoeken, zullen wij Christus
kunnen zien in alle mensen, of zij ons nu na staan of vreemden voor ons zijn,
en een juist oordeel kunnen vellen over de werkelijke betekenis en waarde van
de tijdelijke zaken op zich en in hun verhouding tot het doel van de mens.»10
Richten we onze gedachten op het evangelie uit de Mis van
vandaag. «Slaan we opnieuw onze ogen op naar de Meester. Misschien hoort u nu
ook het verwijt aan het adres van Tomas: Kom hier met uw vinger en bezie
mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde, en wees niet langer
ongelovig, maar gelovig (Joh 20,27). En, net als bij de apostel, zal uit uw
ziel met oprecht berouw deze kreet opwellen: mijn Heer en mijn God (Joh
20,28). Ik erken U definitief als mijn Meester en nu en altijd zal ik uw lessen
als een schat bewaren en mij inspannen deze trouw te volgen.»11
Mijn Heer en mijn God! Deze woorden hebben veel
gelovigen als schietgebed gediend en als akte van geloof in de werkelijke
tegenwoordigheid van Jezus Christus in de heilige eucharistie, bij het lopen
langs een kerk, op het moment van de consecratie in de heilige Mis... Ze kunnen
ons ook helpen om ons geloof in en onze liefde voor de verrezen Christus,
werkelijk tegenwoordig in de heilige Hostie, weer wakker te schudden.
8.3 Toen zei Jezus tot hem: 'Omdat ge Mij
gezien hebt, gelooft ge; zalig die niet gezien en toch geloofd hebben'.12 «Een zin die
ongetwijfeld ook op ons slaat -zegt de heilige Gregorius de Grote- en die
betekent, dat wij met de ziel belijden, wat wij door het vlees gezien hebben.
Deze zin is een toespeling op ons, in zoverre we leven in overeenstemming met
het geloof; want alleen híj gelooft werkelijk die zijn geloof in daden omzet.»13 De verrijzenis
van de Heer is een oproep door ons leven te laten zien, dat Hij leeft. De daden
van de gelovige moeten vrucht en uiterlijk teken van de liefde tot Christus
zijn.
In de eerste eeuwen geschiedde de verspreiding van het christendom grotendeels door het persoonlijk
getuigenis van hen, die zich tot het christendom bekeerden. Het was een rechtstreekse prediking van het Goede Nieuws: van
mens tot mens, van familie tot familie; onder mensen met dezelfde
functie, onder buren; in dezelfde wijk, bij het doen van boodschappen, op
straat. Ook vandaag wil de Heer, dat de wereld, de straat, het werk, het gezin
de bedding vormen waardoor het geloof van de een naar de ander stroomt.
Een voorwaarde voor het belijden van het geloof met woorden
is: het duidelijk en nauwkeurig kennen van de inhoud van het geloof. Om die
reden heeft onze Moeder de heilige Kerk in de loop der eeuwen zo hardnekkig
gewezen op het leren van de catechismus, waarin op korte en eenvoudige wijze de
kern staat van wat wij moeten kennen om er vervolgens naar te leven. De heilige
Augustinus benadrukte dit al ten overstaan van die catechumenen die op het punt
stonden het doopsel te ontvangen: «Welnu, aanstaande zaterdag zult u, als we
-zo God het wil- de vigilie vieren, moeten overstappen van het gebed (Onze
Vader) naar het symbolum (Credo). Als gij het immers nu niet leert, zult gij
het later in de kerk niet elke dag van de mensen horen. En om het goed te leren
kennen moet ge het elke dag bidden om het niet te vergeten. Bij het opstaan of
bij het gaan slapen, zeg uw symbolum, zeg het tot God. Zo zorgt u ervoor het
niet te vergeten, en herhaal het zonder luiheid. De herhaling is goed tegen het
vergeten. Gij moet niet zeggen: 'ik heb het gisteren al gebeden, maar: ik bid
het vandaag, en ik zal het elke dag bidden. Ik houd het goed in mijn geheugen
gegrift. Laat het voor u een geheugensteun voor uw geloof zijn en een spiegel
waarin u uzelf ziet. Kijk daarin dan naar uzelf; onderzoek of u nog alle
waarheden gelooft, die gij met die woorden zegt te geloven en verheug u
dagelijks in uw geloof. Daarin zou uw rijkdom moeten liggen; deze
geloofswaarheden moeten als het ware de kleren zijn waarmee gij uw ziel tooit.»14 Tot hoeveel
christenen, die de kern van hun geloof kwijt zijn, zouden deze zelfde woorden
gezegd kunnen worden!
Christus vraagt ons ook met daden ons geloof te belijden
tegenover andere mensen. Laten we daarom denken: zou ik bij die of die
gelegenheid niet moediger hebben moeten zijn; zou ik niet offervaardiger hebben
moeten zijn, wat betreft mijn werkzaamheden op het moment dat ik ze moest afmaken?
Laten we denken aan ons werk, aan de omgeving waar we gewoonlijk verkeren: kent
men ons daar als mensen die een leven van geloof leiden, zijn we dapper genoeg;
kennen we de kern van ons geloof? Laten we bidden tot de maagd Maria, Zetel
van Wijsheid, Koningin van de apostelen, en vragen we haar of zij ons helpt
door ons gedrag en onze woorden te laten zien, dat Christus leeft.
-1. Joh 20,1. -2. Mc 16,2. -3. Joh
20,19. -4. Joh 11,16. -5. Joh 14,5. -6. Joh 20,25. -7. Hnd
5,14. -8. Joh 20,26-27. -9. H.
Gregorius de Grote, Preken over de Evangeliën, 26,7. -10. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam
actuositatem, 4. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 145. -12. Joh 20,29. -13. H. Gregorius de Grote, Preken over
de Evangeliën, 26,9. -14. H.
Augustinus, Preek 58, 15.
|