Tweede week. Maandag
13.
HET GEWETEN: HET LICHT VAN DE ZIEL
-Het geweten werpt licht op elk detail van iemands leven.
-Een goed gevormd geweten. Leer en leven. Voorbeeld. -Een licht zijn voor
anderen. Verantwoordelijkheid.
13.1 Het is heden!
hoort naar zijn stem: verhardt niet uw hart.1 Dit is wat de liturgie ons elke dag van
deze periode voorhoudt. En elke dag spreekt God, op heel verschillende
manieren, tot het hart van ieder van ons.
«Ons gebed heeft gedurende deze vastentijd tot doel de
gewetens wakker te schudden door deze gevoelig te maken voor de stem van God. Verhardt
niet uw hart, zegt de psalmist. Eigenlijk is de afstomping van de gewetens,
de ongevoeligheid ervan voor goed en kwaad, het afwijken van het geweten een
bedreiging voor de mens. Indirect is het een bedreiging voor de maatschappij,
want volgens de laatste onderzoekingen is het morele peil van een samenleving
afhankelijk van het menselijk geweten.»2 Het geweten is het licht voor de ziel, voor het
diepste in het wezen van de mens. Als dit licht wordt uitgedaan, is de mens in
de duisternis geworpen en kan hij de laaghartigste misdrijven tegen zichzelf en
tegen anderen begaan.
De lamp van uw lichaam is uw oog3, zegt de Heer.
Het geweten is de lamp van de ziel en als het goed gevormd is, verlicht het de
weg, de weg die naar God leidt en de mens kan door dit licht verder trekken.
Hij kan natuurlijk verzwakken en vallen, maar hij kan weer opstaan en altijd
verder gaan. Wie echter deze innerlijke gevoeligheid laat 'verslappen' of
'afsterven' met betrekking tot de zaken van God, is zijn bakens kwijt en is
verloren. Er is bijna geen groter ongeluk voor de ziel denkbaar in dit leven: Wee
hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die van het duister licht
maken en van het licht duisternis4, verkondigt de profeet Jesaja.
Jezus vergelijkt de functie van het geweten met die van het
oog. Wanneer uw oog helder is, is heel uw lichaam verlicht. Is het echter
slecht, dan is ook uw lichaam duister. Zie dus toe, of het licht in u geen
duisternis is.5 Als
het oog helder is, worden de dingen gezien zoals ze zijn, zonder misvormingen.
Een ziek oog ziet niet, of misvormt de werkelijkheid; het bedriegt de mens aan
wie het toebehoort; die kan gaan denken dat gebeurtenissen en mensen in feite
zijn zoals het zieke gezichtsvermogen ze ziet. Als iemand zich in het gewone
leven vergist omdat hij een paar feiten verkeerd geïnterpreteerd heeft, kan dat
leiden tot problemen en moeilijkheden die, bij tijd en wijle, niet van belang
zijn. Als het echter over zaken gaat die de eeuwigheid betreffen, zijn de
gevolgen ervan grenzeloos.
Het geweten kan misvormd worden doordat we vergeten hebben de
middelen te gebruiken om het geloof te kennen, of doordat de wil beheerst is
door trots, zinnelijkheid, luiheid... Als de Heer klaagt dat de Joden zijn
boodschap niet aannemen, wijst Hij nadrukkelijk op de weloverwogen aard van hun
beslissing -zij wilden niet geloven6- en op geen enkele wijze aanvaardt Hij dat de oorzaak ligt
in een moeilijkheid buiten hun wil. Het is een gevolg van hun vrij gekozen
weigering. Waarom verstaat ge mijn taal niet? Omdat gij niet in staat zijt
mijn woord te aanhoren.7 Hartstochten en een gebrek aan oprechtheid tegenover
zichzelf kunnen uiteindelijk het verstand dwingen te denken op een wijze die
gemakkelijk aangepast is aan iemands manier van leven, of in overeenstemming
met gebreken en slechte gewoonten die men niet op wil geven. In zo'n geval is
er geen goede wil; het hart is verhard, het geweten begint te verslappen, want
het wijst niet meer in de juiste richting, niet meer in de richting van God.
Het is net een kapot kompas dat niet alleen de eigenaar ervan desoriënteert,
maar ook anderen schade kan berokkenen. «De mens wiens hart verhard is en wiens
geweten ontaard is, is -ook al is hij in het volle bezit van zijn kracht en
lichamelijke capaciteiten- geestelijk ziek en alles moet gedaan worden om de
gezondheid van zijn ziel te herstellen.»8
De Veertigdagentijd is een goede tijd om de Heer te vragen
ons te helpen ons geweten werkelijk goed te vormen en te helpen bij onszelf na
te gaan of we wel volstrekt eerlijk zijn tegenover onszelf, tegenover God, en
tegenover hen die in zijn naam de opdracht hebben ons raad te geven.
13.2 Het licht dat in
ons is, schijnt niet vanuit onszelf, vanuit onze subjectiviteit, maar door
Jezus Christus.Ik ben het licht van de Wereld -heeft Hij ons gezegd- wie
Mij volgt dwaalt niet rond in duisternis.9 Zijn licht verheldert ons geweten, maar
nog meer, het kan van ons een licht maken dat het leven van anderen verlicht: Gij
zijt het licht der wereld.10 De Heer zet ons, christenen, zo in de wereld dat we, met
het licht van Christus, anderen de weg kunnen wijzen. We doen dat met woorden,
maar vooral met ons gedrag, onze houding tegenover de verplichtingen van het
werk, het gezin, de maatschappij. We zullen daarom zeer goed de grenzen moeten
leren kennen die niet overschreden kunnen worden als we onze eigen goede naam
en de moraal van Christus respecteren. We moeten ons bewust worden van het
goede wat we kunnen doen en wat we doen; duidelijk voor ogen hebben dat iemand
die eerlijk zijn beroep uitoefent en een goed christen wil zijn, zichzelf niet
mag toestaan het goede niet te doen of anderen te verhinderen het goede te
doen. Als we een vergissing hebben begaan, zouden we moeten weten hoe
noodzakelijk het is het weer goed te maken, excuses aan te bieden en de schade
te verhelpen. Een moeder van een gezin die het voeren van de huishouding als
haar taak tot heiliging heeft, zou zich in haar gebed moeten afvragen of ze wel
voorbeeldig was in het vervullen van haar verplichtingen tegenover God, of ze
sober leefde, of ze de baas was over de minste neiging tot humeurigheid, of ze
de vereiste tijd besteedde aan haar kinderen en haar huis... De zakenman zou
frequent moeten overwegen of hij alle noodzakelijke middelen gebruikt om de
sociale leer van de Kerk te kennen, of hij moeite doet die leer bij zijn zaken
toe te passen, of hij rechtvaardige lonen betaalt...
Het christenleven wordt verrijkt als de leer van Christus die
Hij ons via de Kerk doet toekomen, in de gewone dagelijkse praktijk wordt
toegepast. De leer oefent dan al haar inherente kracht uit. Leer en leven zijn
realiteiten voor een welgevormd geweten. Als door een meer of minder schuldige
nalatigheid de leer niet gekend wordt, of als deze wel gekend maar niet toegepast
wordt, wordt het christelijk leven onmogelijk, dan kan er geen sprake zijn van
een werkelijke vooruitgang op de weg naar heiligheid.
Wij moeten allemaal ons
geweten vormen tot een echt en fijngevoelig geweten, dat in alles, de
hele dag, luistert naar de stem van God. Leer
(voor zover het de kennis van de moraal en de sociale leer betreft) en
leven (het pogen de christelijke deugden te beoefenen) zijn twee wezenlijke
vereisten om ons geweten in de goede richting te ontwikkelen.
Een enkele keer, als we geconfronteerd worden met de 'grijze'
gebieden van wat in ons vak of beroep niet gewoon is, moeten we de situatie
beschouwen in aanwezigheid van God: als het nodig is, zullen we het advies
moeten vragen van mensen die de zaak voor ons geweten kunnen verhelderen.
Daarna moeten de beslissingen waar we zelf verantwoordelijk voor zijn, worden
uitgevoerd.
We leren eerlijk te zijn tegenover onszelf in het algemene en
bijzondere gewetensonderzoek, door onze vergissingen, zwakheden en fouten te
noemen, zonder ze te verdoezelen met valse rechtvaardigingen en zonder ze te
negeren als niet ter zake doend. Een geweten dat zijn fouten niet als zodanig
herkent, levert de mens uit aan de genade van zijn eigen willekeur.
13.3 Elke reiziger die
ernst maakt met het bereiken van zijn bestemming, zal de weg goed moeten weten.
Hij is dankbaar voor duidelijke richtingaanwijzers, ook als deze wel eens een
smal pad over tamelijk moeilijk terrein aangeven. Hij zal zich wel wachten
wegen te nemen die er wel makkelijk begaanbaar en minder steil uitzien, maar
nergens naar toe gaan -of naar een afgrond. We zouden een groot verlangen
moeten hebben ons geweten goed te vormen, want het is het licht dat ons in
staat stelt goed van kwaad te onderscheiden. Het stelt ons in staat vergeving
te vragen en de weg terug te vinden naar het juiste pad als we het zicht daarop
verloren hadden. De Kerk geeft ons hulpmiddelen, maar zij bespaart ons niets
van de moeite die het kost deze hulpmiddelen op verantwoorde wijze te
gebruiken.
Wij kunnen in ons gebed vandaag onszelf afvragen: Besteed ik
voldoende tijd aan mijn godsdienstige vorming, of heb ik er vrede mee, dat ik
de dag laat dichtslibben met de andere dingen die hem vullen? Heb ik een
programma om te lezen, besproken met mijn geestelijke leidsman, mijn
biechtvader, dat mij zal helpen voortgang te boeken in leerstellige vorming in
overeenstemming met mijn leeftijd en achtergrond? Ben ik trouw aan het
leergezag van de Kerk, omdat ik weet dat ik daar eerder het licht van de
waarheid vind dan in tegenovergestelde opvattingen die ik vaak tegenkom in
geloofszaken, sociale leer...? Probeer ik het onderricht van de paus te volgen en
draag ik het verder uit? Respecteer ik hem getrouw en volgzaam? Corrigeer ik
regelmatig mijn bedoelingen, daarbij al mijn handelen aan God offerend en
daarbij rekening houdend met onze neiging applaus, erkenning en lof te zoeken
voor wat we doen? Ben ik mij voortdurend bewust dat dit vaak het begin is van
de misvorming van het geweten?
We hebben licht en helder zicht nodig, voor onszelf en voor
de mensen om ons heen. Daar ligt onze grote verantwoordelijkheid. De christen
is door God neergezet als een lamp om, voor anderen, de weg naar God te
beschijnen. We zouden ons moeten vormen «met het oog op de grote toevloed van
mensen die ons te wachten staat en die ons de duidelijke en dringende vraag zal
stellen: 'Goed, wat moet ik doen?'»11 Kinderen, bekenden, collega's, vrienden -zij kijken
allemaal naar ons gedrag en het is onze verantwoordelijkheid hen naar God te
leiden. En niet op de manier van de blinde die de blinde leidt12, het is niet
genoeg tweedehands kennis, puur van horen zeggen, te hebben.
Een vage, oppervlakkige kennis van de weg is niet voldoende
om onze vrienden en verwanten naar God te leiden: we moeten de weg zelf al
gegaan zijn... Het is essentieel, dat we intiemer omgaan met de Heer, te vechten
tegen onze eigen specifieke tekortkomingen... Kortom, het betekent zelf
vooruitgaan in innerlijk leven en voorbeeld. «Wie gezonden is om grote dingen
te verkondigen -zegt de heilige Gregorius de Grote- is ook gehouden die zelf te
onderhouden.»13 Alleen
als we zelf iets in praktijk brengen, zullen we succes hebben als we erover
praten.
Toen Christus zijn leerlingen wilde onderrichten hoe een geest van dienstvaardigheid te verkrijgen,
omgordde Hij zich met een linnen doek
en waste hun de voeten.14 Dit
moeten we doen: om Christus bekend te maken moeten we voorbeeldig zijn
in het nakomen van onze dagelijkse verplichtingen
en daarbij de leer van de Heer in praktijk brengen.
-1. Getijdenboek,
Ps 95(94),7-8. -2. Johannes
Paulus ii, Angelus, 15 maart 1981. -3. Lc
11,34. -4. Jes 5,20-21. -5. Lc 11,34-35. -6. Vgl. Lc 13,34
en Joh 10,38. -7. Joh 8,43. -8. Johannes
Paulus ii, Angelus, 15 maart 1981. -9. Joh 8,12. -10.
Mt 5,14. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 221. -12. Vgl. Mt 15,14. -13. H. Gregorius de Grote, Regula
Pastoralis, 2,3. -14. Vgl. Joh 13,15.
|