Tweede week.
Zaterdag
14. HET GEWETENSONDERZOEK
-De vruchten van het dagelijks gewetensonderzoek. -Een
ontmoeting die vooruitloopt op onze ontmoeting met de Heer. -Hoe wordt een
gewetensonderzoek gedaan. Berouw en voornemens.
14.1 Dit
zegt de Heer: Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon breng Ik mee om ieder te
vergelden naar zijn werk.1
In
de Wet was geregeld, dat tienden betaald moesten worden. Een tiende deel van de
graanoogst, de olijfolie, de most moest afgestaan worden voor het onderhoud van
de tempel en voor de eredienst. De farizeeën, een stel liefdeloze rigoristen,
betaalden tienden van munt, anijs en komijn, kruiden die om
aromatische eigenschappen vaak in de tuinen van de huizen gekweekt werden.
Matteüs vermeldt deze zeer
harde woorden van de Heer tegen de schijnheiligheid en het gebrek aan eenheid
van leven bij de schriftgeleerden: Wee u, schriftgeleerden en farizeeën,
huichelaars! Gij betaalt wel tienden van munt, anijs en komijn, maar het belangrijkste van de Wet, te weten
rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw, verwaarloost ge. Het ene moet men
doen en het andere niet nalaten. Blinde leiders die de mug uitziften en de
kameel doorslikken!2
In hun manier van leven
kunnen we, aan de ene kant, een overstelpende nauwgezetheid zien; maar
anderzijds een geweldige laksheid in de zaken waar het eigenlijk om gaat: zij
verwaarlozen het belangrijkste van de Wet, te weten rechtvaardigheid,
barmhartigheid en trouw. Zij slaagden er niet in te begrijpen wat de Heer
werkelijk van hen verwachtte. Wij kunnen, in deze adventstijd, ook ons
gewetensonderzoek verbeteren door ons niet te verliezen in zaken die
uiteindelijk bijkomstig zijn en daardoor te laten schieten wat werkelijk
belangrijk is. Als wij ons gewennen aan een dagelijks gewetensonderzoek -kort,
maar krachtig- zullen we niet vervallen tot de schijnheiligheid en de
misvorming van de farizeeën. Op die wijze zullen wij duidelijk de fouten zien
die ons hart van God afhouden en zullen wij tijdig weten in te grijpen.
Het gewetensonderzoek is
als een oog dat de intieme kneepjes, de ontsporingen en verknochtheden van ons
hart kan zien. «Daardoor zie ik, word ik verlicht, vermijd ik de gevaren,
herstel ik de gebreken en maak ik de paden recht. Ik gebruik het gewetensonderzoek
als toorts, mijn gehele innerlijk neem ik waar en zie ik. Op die wijze kan ik
niet in het kwaad blijven steken, maar zie ik me juist verplicht de waarheid te
beoefenen, dat wil zeggen, vooruit te gaan in vroomheid.»3
Als we uit luiheid ons
gewetensonderzoek veronachtzamen, is het mogelijk, dat er dwalingen en
verkeerde neigingen in ons hart wortel schieten en wij niet meer de grootsheid
zien waartoe wij geroepen zijn, maar daarentegen onze roeping zoeken in anijs
en komijn, in kleinigheden die voor de Heer weinig of niets betekenen.
In het gewetensonderzoek
zullen we de verborgen oorsprong ontdekken van
ons gebrek aan liefde of activiteit. Dat gebrek is de intieme wortel van
droefheid, een slecht humeur of een gebrek aan vroomheid die zich,
misschien met een bepaalde frequentie, in ons leven herhalen. Door het
gewetensonderzoek zullen wij het geneesmiddel weten toe te passen. «Onderzoek
jezelf, langzaam en moedig. -Komen immers je slechts schijnbaar ongemotiveerde
slechte humeur en droefheid niet voort uit je besluiteloosheid om de fijne
maar stevige banden te verbreken, waarin je
zondige begeerten je -onder geniepige voorwendsels- hebben verstrikt?»4 Het dagelijks
gewetensonderzoek is een onmisbare hulp om de Heer met oprechte instelling te
volgen.
14.2 Heel
onze handel en wandel -thuis, op het werk, in de sociale omgang- is een
gelegenheid God te ontmoeten. Ook in de loop van vandaag vinden er veel
bijzondere ontmoetingen met de Heer plaats: in de communie, in dit stuk gebed-
ook in het gewetensonderzoek.
Het dagelijks
gewetensonderzoek is het grondig analyseren wat we op de bladzijde van elke
onherroepelijke dag hebben geschreven. Veel onoprechte woorden kunnen met
behulp van berouw gecorrigeerd worden. Een afschuwelijke bladzijde kan omgezet
worden in iets goeds, zelfs iets heel goeds, door middel van inkeer en het
voornemen de volgende bladzijde, die onze engelbewaarder ons namens God zal
aanreiken, blanco te beginnen. Een unieke en onherroepelijke bladzijde, zoals
elke dag uit ons leven. «En die blanco pagina's die wij elke dag beginnen vol
te krabbelen -schrijft een hedendaags auteur- zou ik graag van de volgende kop
voorzien: Serviam!, ik zal dienen. Dat drukt zowel verlangen als hoop
uit. [...] Na dat begin -verlangen en hoop- zal ik woorden en zinnen
concipiëren, paragrafen opstellen en het blad vullen met een duidelijk en goed
leesbaar schrift. Dat is niets anders dan werk, gebed, apostolaat. Dat wil
zeggen alles wat ik die dag doe.
»Ik geef aandacht aan de
juiste interpunctie, ofwel het beleven van de aanwezigheid van God. Die
onderbrekingen, laat ik maar zeggen die komma's, puntkomma's of punten, staan
als ze wat langer duren, voor de stilte van de ziel en voor de schietgebeden
waarmee ik aan alles wat ik schrijf een bovennatuurlijke lading en betekenis
probeer te geven.
»Ik hou van die punten, en
nog meer van het eind van een alinea en de inspringing op de volgende regel.
Dan lijkt het telkens weer of ik opnieuw begin
te schrijven. Het zijn de schetsen van gestes waarmee ik mijn bedoeling
corrigeer en de Heer zeg dat ik opnieuw begin -nunc coepi!- dat ik
opnieuw begin in oprechte dienstwilligheid en Hem mijn leven wijd: moment voor
moment, minuut voor minuut.
»Ik geef ook veel aandacht
aan de juiste spelling, aan de verstervingen door middel waarvan mijn leven en
werk een echt christelijke lading krijgen. Als een woord niet correct gespeld
is, is dat een gemiste kans de versterving die de Heer mij stuurde op
christelijke wijze te beleven, terwijl Hij mij die kans met liefde bereidde,
terwijl Hij wilde dat ik die kans zou aangrijpen en wel met beide handen. Ik
doe mijn best doorhalingen, vergissingen en inktvlekken te vermijden, of
stukken leeg te laten. Mocht dat toch gebeuren, dan is dat ontrouw,
onvolmaaktheid, zonde... en nalatigheid. Ik heb er de pee over in, als ik zie dat
er bijna geen bladzijde is waarop ik geen sporen van mijn traagheid en
onhandigheid heb achtergelaten. Ik ben echter onmiddellijk getroost en
gerustgesteld, als ik denk dat ik een klein kind ben dat nog niet kan schrijven
en een overtrekpapier moet gebruiken om de letters allemaal in dezelfde
richting te krijgen, en een meester nodig heb die mijn hand vasthoudt om geen
schrijffouten te maken -wat is God onze Heer een goede Meester-, een meester
die een eindeloos geduld met mij heeft.»5
14.3 De
bedoeling van het gewetensonderzoek is onszelf beter te leren kennen opdat we
volgzamer kunnen zijn met betrekking tot de voortdurende genade die de Heilige
Geest ons instort en waarmee Hij ons telkens meer op Christus doet gelijken.
Misschien is een van de eerste vragen die ons duidelijkheid kunnen
verschaffen: waarin ligt mijn hart? Wie of wat neemt in mijn hart de meeste
ruimte in? Is dat Christus? «Op hetzelfde moment waarop ik me dat afvraag, komt
het antwoord in mij op. Die vraag doet mij een snelle blik slaan op het
intiemste middelpunt in mijzelf. Dan zie ik het punt waar het om draait. Ik
richt mijn oor naar het geluid dat mijn ziel voortbrengt en ik herken onmiddellijk
de hoofdtoon. Het gebeurt intuïtief, van het ene moment op het andere. Het gaat
in een oogopslag, in ictu oculi. De ene keer zal ik zien dat de
allesbepalende neiging mijn zucht naar applaus is, of het verlangen naar
lofprijzingen, de vrees voor kritiek. Een andere keer gaat het om boosheid, na
een tegenslag, na een gesprek of behandeling waarin ik vernederd werd; of het
gevoel dat het gevolg is van een stevige en onplezierige uitbrander. Dan weer
gaat het om de bitterheid die veroorzaakt is door achterdocht of om een door
antipathie gevoed onbehagen, en vaak om een door zinnelijkheid geïnspireerde
lafheid, om een door een moeilijkheid of mislukking teweeggebrachte
ontmoediging. Het kan ook gaan om routine als gevolg van onverschilligheid, om
losbandigheid voortvloeiend uit ijdele nieuwsgierigheid en blijdschap
enzovoort. Of zal ik juist de liefde tot God zien, offerzucht, ijver die
ontbrand is door een klaroenstoot van de genade, volledige onderwerping aan de
wil van God, de vreugde van de nederigheid enzovoort? Goed of slecht, wat we
naar waarheid moeten onderzoeken, is wat de belangrijkste en overheersende
tendens is, want het goede zowel als het slechte moet gezien worden. Het gaat
er immers om de toestand van ons hart te leren kennen: daartoe is vereist
rechtstreeks de grote drijfveer te onderzoeken die alle delen van het uurwerk
in beweging zet.»6
Wij kunnen ons bij het doen van het gewetensonderzoek afvragen of we deze
dag de wil van God vervuld hebben, dat wat Hij van ons verwachtte, of dat we
meer onze eigen wil gedaan hebben. Het is goed dan af te dalen tot concrete
details omtrent onze omgang met God, omtrent het vervullen van onze plichten
jegens Hem in ons leefplan, ons werk, onze verhouding met anderen. Laten we
nagaan hoe we ons inspannen bij de strijd tegen gemakzucht en tegen de neiging
onszelf behoeften aan te praten. Hoeveel moeite doen we, bij voorbeeld, om -ook
in de omgang met anderen- een sober en matig leven te leiden wat betreft eten
en drinken en in het gebruik van de aardse goederen. Kijk in het
gewetensonderzoek of je je dag gevuld hebt met liefde voor God of dat je de dag
in het licht der eeuwigheid leeg gelaten hebt -iets wat niet voor zal komen als
we ons laten helpen door de genade- of in zonde hebt doorgebracht. Het is als
een klein naar voren gehaald oordeel dat we over onszelf moeten vellen.
We zullen de dingen zien waarmee we bij de volgende biecht rekening zullen
moeten houden. Laat het einde van je gewetensonderzoek altijd een oefening van
berouw zijn: zonder spijt kun je het gewetensonderzoek net zo goed laten. Maak
een klein voornemen dat je bij het begin van de nieuwe dag kunt hernieuwen, bij
het opofferen van wat je gaat doen, in het persoonlijk gebed, in de heilige
Mis. Tot besluit van het onderzoek zullen wij God danken voor alle goede zaken
waarmee onze dag gevuld was.
-1. Communio, Apok
22,12. -2. Mt 23,23-24. -3. J.
Tissot, La vie intérieure. -4.
H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 237. -5. S. Canals, Ascética Meditada, bl. 130-137. -6. J. Tissot, o.c.
|