Tweede week. Donderdag
12. HET GOEDE DOEN EN HET KWADE WEERSTAAN
-Het verzet van de apostelen om onrechtvaardige bevelen te
gehoorzamen. Standvastigheid in het geloof. -Alle aardse bestaan moet op God
gericht zijn. Eenheid van leven. De kracht van het voorbeeld. -Het geloof kan
niet buiten beschouwing worden gelaten, wanneer het gaat over het beoordelen
van aardse werkelijkheden. Weerstaan van het kwaad.
12.1 Niettegenstaande een zwaar verbod van de
Hogepriester en van het Sanhedrin om ooit iets te zeggen of te leren met een
beroep op Jezus' naam1, predikten de apostelen elke dag de leer van het geloof
vrijmoediger en met meer aandrang. En er waren velen, die bekeerd en gedoopt
werden. Dan, zoals ons wordt gezegd in de eerste lezing van de Mis, brachten
zij hen voor het Sanhedrin. De hogepriester begon hen te ondervragen: Hebben
wij u niet uitdrukkelijk verboden in de naam van Jezus onderricht te geven?
Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer. Maar Petrus en de andere
apostelen gaven ten antwoord: Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen.2 En zij gingen
verder met de verkondiging van het Goede Nieuws.
Het verzet van de apostelen om de bevelen van het Sanhedrin
te gehoorzamen, was geen kwestie van trots of gebrek aan kennis van de sociale
plichten ten opzichte van het wettelijk gezag. Zij boden weerstand, omdat de
raad hun een bevel wilde opleggen, dat tegen de wet van God was. Zij
herinnerden moedig en met eenvoud hun rechters eraan, dat gehoorzaamheid aan
God op de eerste plaats komt. Zij waren er vast van overtuigd «dat voor hen die
God vrezen er geen gevaar is, maar alleen voor hen die Hem niet vrezen»3 en dat het erger
is een onrechtvaardigheid te bedrijven dan er een te ondergaan.
Door hun gedrag toonden de apostelen hun vastheid van geloof,
hoe grondig zij het onderricht van de Meester in zich hadden opgenomen na de
neerdaling van de Heilige Geest, en het belang dat zij aan Gods eer hechtten.4
Onze Heer vraagt ook vandaag aan zijn volgelingen de
vastberadenheid en de overtuiging van de eerste christenen, wanneer er in een
bepaalde omgeving een klimaat heerst van onverschilligheid of zelfs van directe
kritiek, meer of minder versluierd, op de waarachtige menselijke en
christelijke waarden. Een goed gevormd geweten zal een christen ertoe brengen
even wetsgetrouw te zijn als de beste van zijn medeburgers, terwijl hij
tezelfdertijd bereid is op te komen tegen alles wat ingaat tegen de natuurwet.
De staat is niet wettelijk almachtig; zij is niet de bron van goed en kwaad.
«Het is een plicht voor katholieken die in politieke instellingen
tegenwoordig zijn een kritische rol te vervullen in hun respectieve
instellingen, zodat de programma's en aktiviteiten
elke dag meer overeenstemmen met de idealen en criteria van de christelijke
moraal. In sommige gevallen zal het zelfs een plicht kunnen zijn in
geweten te protesteren tegen handelingen en beslissingen, die rechtstreeks
ingaan tegen de normen van de christelijke moraal.»5
De doeltreffende bescherming van fundamentele individuele
rechten, het recht op leven vanaf het allereerste ogenblik van de bevruchting,
de bescherming van het huwelijk en het gezin, de gelijkheid van kansen op
onderwijs en op werk, de vrijheid van spreken
en onderwijs, godsdienstvrijheid, persoonlijke veiligheid, bijdrage tot
wereldvrede, vormen alle een deel van het gemeenschappelijk welzijn, waarvoor
de christenen bereid behoren te zijn te strijden.6
Passiviteit ten opzichte van zulke belangrijke zaken zou
werkelijk een betreurenswaardige fout en nalatigheid zijn -soms ernstig- van de
plicht om bij te dragen tot het gemeenschappelijk welzijn. Zij zouden deel
uitmaken van de zonden van nalatigheid, waarvoor wij onze Heer elke dag
vergiffenis vragen bij het begin van de Mis. «Veel materiële, technische,
economische, sociale, politieke en culturele zaken worden enorme hinderpalen
voor het bovennatuurlijk leven, als ze aan zichzelf worden overgelaten, of als
ze in handen van mensen zijn die het licht van ons geloof missen; zij gaan als
het ware een gesloten blok vormen dat vijandig staat tegenover de Kerk. -Jij
-als onderzoeker, schrijver, wetenschapper, politicus, arbeider...- hebt als
christen de plicht om die werkterreinen te heiligen. Besef dat het hele heelal
-zoals de Apostel schrijft- zucht als in barensweeën, in afwachting van de
bevrijding van de kinderen van God.»7
12.2 Overal rondom ons is er voortdurend
beweging, een komen en gaan van meningen, van doctrines, van ideologieën, van
zeer verschillende verklaringen over de mens en over het leven. En dit gebeurt
niet alleen in boeken voor specialisten, maar ook via in de mode zijnde romans,
geïllustreerde weekbladen, kranten en televisie-programma's, alle toegankelijk
voor jong en oud. Te midden van deze verwarring van doctrines is er nood aan
een onderscheidingsnorm, een heldere, vaste en wijze maatstaf, die ons in staat
stelt alles te zien in de eenheid en de samenhang van de christelijke kijk op
het leven, die weet dat alles van God komt en aan God is toegewijd.
Het geloof verschaft ons een stabiele toetssteen voor de
juiste norm, en de vastberadenheid van de apostelen om de norm in de praktijk
te brengen. Het geeft ons een klare kijk op de wereld, op de waarde van dingen
en van mensen, van echt en bedrieglijk welzijn. Zonder God en zonder de kennis
van de uiteindelijke bestemming van de mens, houdt de wereld op verstaanbaar te
zijn met het verstand, of wordt ze beschouwd vanuit een bevooroordeeld en
misvormd standpunt. Juist «de meest kwaadaardige en typerende kant van de
moderne tijd bestaat in de dwaze poging gescheiden van God, de enige basis
waarop het kan blijven bestaan, een betrouwbare en vruchtbare tijdelijke orde
op te bouwen.»8
De christen moet zijn geloof onder geen enkele voorwaarde
buiten beschouwing laten. «Ongodsdienstigheid. Neutraliteit. Oude mythen, die
zich steeds weer als nieuw trachten voor te doen. -Heb je wel eens de moeite
genomen te bedenken, hoe absurd het zou zijn je katholiciteit af te geven bij
het binnengaan van een universiteit, een vakbond, een congreszaal of het
parlement, zoals je een hoed afgeeft aan de garderobe?»9 Die houding komt overeen -in de
politiek, in zaken, in de vrije tijd of gedurende de ontspanning, wanneer ik
met vrienden ben, wanneer het erop aankomt om een school te kiezen voor de
kinderen- met te zeggen, dat hier in deze situatie God er in het geheel niets
mee te maken heeft; dat bij die zaken het geloof geen enkele invloed moet
hebben, omdat hiervan niets van God komt of aan God toegewijd is.
En toch: het geloof werpt licht op het geheel van het
bestaan. Alles is God toegewijd. Maar deze toewijding moet de specifieke natuur
van elk concreet iets respecteren. Het is niet de bedoeling om de hele wereld
in een grote sacristie te veranderen, of de familiekring in een klooster, of de
economie in een weldadigheidsinstelling. Zonder naïeve onnozelheid moet het
geloof de gedachten en daden van de christen inspireren. Hij moet nooit, in
geen enkele omstandigheid, geen moment van de dag, ophouden een christen te
zijn, zich zo te gedragen en dusdanig te denken.
Daarom «moeten christenen hun respectieve beroepen
uitoefenen, bewogen door de geest van het evangelie. Hij, die zijn manier van
handelen in zijn beroep enkel ondergeschikt maakt aan de wens geld te verdienen
of macht te verkrijgen als de opperste en uiteindelijke waarde, is geen goed
christen. Christelijke beroepsmensen moeten op elk terrein van het leven een
voorbeeld zijn van werkzaamheid, bekwaamheid, eerlijkheid, verantwoordelijkheid
en edelmoedigheid.»10
12.3 Een christen behoort het licht van het
geloof niet buiten beschouwing te laten, wanneer hij een politiek of sociaal
programma beoordeelt of een artistiek of cultureel werk. Ook moet hij niet
precies één enkele kant ervan beoordelen -economisch, politiek, technisch of
artistiek- om tot de slotsom te komen dat het goed is. Als bij een bepaalde
politieke of sociale gebeurtenis, of kunstwerk of wat dan ook, de gepaste
gerichtheid op God -zoals aangegeven door de goddelijke wet- niet in stand
gehouden wordt, dan kan de totale beoordeling niet anders dan negatief zijn,
ondanks dat het op een beperkte wijze bepaalde verdiensten heeft.
Men kan een politieke of sociale verordening of kunstwerk
niet aanprijzen, wanneer het wordt omgevormd tot een instrument van het kwaad.
Het is een zaak van nauwgezette moraal en daarom van gezond verstand. Wie zou
een belediging van zijn eigen moeder prijzen, alleen omdat het op muziek werd
gezet met een vers dat een prachtig ritme heeft? Wie zou het rondbazuinen en om
zijn volmaaktheden loven, zelfs met het commentaar dat die alleen 'formeel'
waren? Het is duidelijk dat technische volmaaktheid van de middelen niets
anders doet als het kwaad van de zaak -die in zichzelf ongeordend is en die
anders misschien onopgemerkt zou voorbijgaan of minder kwaadaardig is-
verergeren.
Het goed gevormde christelijke geweten vereist,
geconfronteerd met 'afschuwwekkende misdaden' zoals het Tweede Vaticaanse
Concilie die van abortus beschrijft, dat men daar op geen enkele wijze aan zou
deelnemen, ze krachtig moet ontmoedigen, ze verhinderen indien mogelijk, en
bovendien, dat men actief deelneemt aan inspanningen om dit morele vergrijp van
het wettelijke systeem te vermijden of te corrigeren. Met betrekking tot deze
zeer ernstige zaken en andere van een overeenkomstige aard, die direct ingaan
tegen de moraal, kan niemand denken dat hij niets doen kan. Hoe weinig ook een
ieder in staat is te doen, moet hij het doen, in het bijzonder indien hij in
een openbaar ambt werkt. «Door van ons stemrecht gebruik te maken, vertrouwen
we bepaalde instellingen en bepaalde mensen het bestuur van publieke zaken toe.
Zeer belangrijke kanten van sociaal, familiaal en persoonlijk leven hangen van
deze gemeenschappelijke beslissing af, niet alleen wat betreft de economische
en materiële orde, maar ook wat betreft de morele orde.»11
Het ligt in ieders handen, van elk individu, aangenomen dat
hij met een bovennatuurlijke kijk en met gezond verstand handelt, om deze
wereld, die God ons heeft gegeven om in te leven, tot een meer menswaardige
plaats te maken en tot een middel ter heiliging. Als we ernaar streven onze
sociale verplichtingen te vervullen, of we nu in een grote stad wonen of in een
klein veraf gelegen dorp, met een belangrijke baan in de maatschappij of een
eenvoudige, zelfs als wij menen dat onze bijdrage een kleine is, moeten we
trouw zijn aan onze Heer. En hetzelfde is van toepassing als het zou gebeuren,
dat op een dag de Heer ons een meer heldhaftige daad zou vragen: Wie
betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote.12
-1. Vgl. Hnd 4,18. -2. Hnd 5,27-29. -3. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over de Handelingen van de apostelen, 13. -4. Vgl. The Navarre Bible, Acts
of the apostels. -5. Spaanse
Bisschoppenconferentie, Getuigen van de levende God, 28 juni
1985. -6. Idem, Katholieken in
het openbare leven, 22 april 1986. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 313. -8. Johannes xxiii, Enc. Mater et magistra, 15 mei
1961, 217. -9. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 513. -10. Spaanse
Bisschoppenconferentie, Getuigen van de levende God. -11. Idem, Katholieken in het openbaar
ambt. -12. Lc 16,10.
|