Twintigste week.
Donderdag
52. Het huwelijksfeest
-Christus zelf nodigt ons uit. -Goed voorbereid te communie
gaan. Routine vermijden. -Liefde voor Jezus in het heilig sacrament.
52.1 In veel parabels van de Heer vinden we een dringende uitnodiging aan
ons allen, aan iedereen naar zijn eigen omstandigheden. Vandaag lezen we over
een koning die een bruiloftsfeest voorbereidt voor zijn zoon en zijn knechten
uitzendt om de genodigden te roepen.1
Het beeld van het gastmaal was tamelijk gewoon voor het
joodse volk: de profeten hadden voorzegd dat Jahwe met de komst van de Messias
een wonderbaar feestmaal voor alle naties zou bereiden. Hij zou een feestmaal
klaarmaken met uitgelezen
gerechten, een feestmaal met belegen wijnen, verrukkelijke, uitgelezen
gerechten, belegen, gelouterde wijnen.2
Het gastmaal betekent de overvloed van goedheid die voortkomt uit de Menswording
en de Verlossing, en de onschatbare waarde van de heilige eucharistie.
In deze parabel laat Jezus zien hoe wij vaak koud en
onverschillig antwoorden op Gods edelmoedigheid: Hij heeft zijn knechten
gezonden om de gasten te roepen, maar zij wilden niet komen. Wanneer de Heer
deze parabel vertelt, is er een verdrietige toon, omdat Hij de vele
verontschuldigingen voorziet die Hem gedaan zullen worden door de eeuwen heen.
Het zorgvuldig bereide voedsel blijft op tafel en de kamer blijft leeg, want
Jezus verplicht niemand om te komen.
De koning zendt zijn knechten nog eens uit: Zegt aan de genodigden: Zie ik
heb mijn maaltijd klaar, mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht; alles
staat gereed. Komt dus naar de bruiloft. Maar de gasten nemen er
geen enkele notitie van: de een gaat heen naar zijn akker, de ander naar zijn
zaken. Anderen wijzen de uitnodiging niet alleen af, maar komen in opstand
tegen de koning: De
overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden hen.
Zij reageren gewelddadig op de uitnodiging van de Liefde.
Jezus roept ons om dichter bij Hem te komen, op een hoger
niveau van toewijding en vertrouwen. Elke dag nodigt Hij ons uit aan de tafel
die Hij bereid heeft. Hij nodigt ons uit en geeft zichzelf tegelijkertijd als
voedsel: het grote gastmaal is natuurlijk een symbool voor de heilige communie.
Jezus zelf is het voedsel dat wij nodig hebben voor ons
levensonderhoud; Hij is «de remedie voor onze dagelijkse noden»3, zonder welke onze ziel zou verzwakken en sterven.
Jezus wacht elke dag op ons, verborgen onder de gedaante van brood, zodat wij
Hem vol liefde en dankbaarheid kunnen gaan ontvangen. De bruiloft is gereed, vertelt Hij
ons; maar velen zijn afwezig, omdat ze het schitterende wonder van de heilige
eucharistie niet naar waarde schatten. Zij antwoorden op de uitnodiging van de
Heer met een reeks domme verontschuldigingen, omdat ze niet beseffen wat er aan
liefde is in iedere communie.
De heilige Johannes Chrysostomus spoort ons aan: «Beschouw de
grote eer die jou te beurt is gevallen en de tafel waaraan je eet. Hij, die de
engelen met beven aanschouwen, niet in staat Hem rechtstreeks in het gezicht te
kijken vanwege de schittering die Hij uitstraalt, is degene met wie wij onszelf
voeden, door ons met Hem te vermengen en één lichaam en vlees te worden met
Christus.»4
Velen zullen wegblijven en dus verwacht Hij dat wij aanwezig
zijn. Hij verlangt, met een intensiteit die wij ons nauwelijks kunnen
voorstellen, dat wij Hem ontvangen met grote liefde en vreugde. Hij zendt ons
uit om anderen te roepen: Gaat
dus naar de drukke verkeerswegen en nodigt wie ge er maar vindt tot de
bruiloft. Hij verwacht velen, en zendt ons uit om een
liefhebbend, geduldig en effectief apostolaat te verrichten en onze vele
vrienden en kennissen te leren wat een onschatbare vreugde het is Christus te
vinden. Misschien is dit wat ons is gebeurd: «Herinner je waar je geroepen
bent: op een kruispunt. En hoe was je toen? Kreupel en mank van ziel, wat veel
erger is dan welke andere lichamelijke mismaaktheid dan ook.»5 De Heer wilde ons hoe dan ook dicht bij Hem hebben.
52.2 Wij mogen niet gedachteloos en onverschillig in de aanwezigheid van de
Heer komen. Toen de
koning binnenkwam om de aanliggenden te bezoeken, merkte hij daar iemand op die
niet voor een bruiloft gekleed was. En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt gij
hier binnengekomen zonder bruiloftskleed?6
Iedere dag worden we uitgenodigd om te naderen tot het
eucharistisch gastmaal, dat met zo'n grote zorg voor ons bereid is. We zijn ons
in onszelf bewust van gewoonten, houdingen, fouten en aspecten van ons karakter
die misschien niet passen bij de grote eer die Jezus Christus ons doet
toekomen.
We moeten ons onderzoeken, opdat we niet voor de Heer
verschijnen in wat gelijk staat met vodden, daar we de neiging hebben onze
gebreken te verbloemen en ons gedrag te rechtvaardigen. «Wanneer op aarde
hoogwaardigheidsbekleders ontvangen worden, is er verlichting, muziek en
galakleding. Hoe moeten wij ons dan voorbereiden om Christus in ons te
ontvangen? Hebben wij er ooit over nagedacht hoe wij al niet zouden doen
wanneer wij slechts eenmaal in ons leven te communie konden gaan?»7 We zouden de nacht ervoor niet kunnen slapen, we
zouden goed uitgedacht hebben wat we zouden zeggen, wat we zouden vragen en hoe
we het zouden vragen; alles wat we konden doen, zou niet genoeg zijn geweest...
Zó zouden we Jezus iedere dag moeten ontvangen.
Een genodigde voor de bruiloft hoorde zeker de uitnodiging en
ging vrolijk naar de bruiloft, maar hij was ongepast gekleed en schonk niet de
juiste aandacht aan wat van hem vereist werd. We kunnen de Heer niet zomaar op
elke willekeurige manier ontvangen, afgeleid, onoplettend, niet volledig
beseffend wat we aan het doen zijn. Om de heilige communie waardig te ontvangen
moeten we bovenal in staat van genade zijn. Onze moeder de Kerk leert ons en
waarschuwt ons dat «niemand die een doodzonde op zijn geweten heeft de heilige
eucharistie zal durven ontvangen zonder een sacramentele biecht te doen, hoe
berouwvol hij ook moge denken te zijn.»8
Evengoed vereist zo'n grote gave van ons dat wij ons naar
lichaam en ziel zo goed als we kunnen gereed maken: door regelmatige biecht,
ook al hebben we misschien geen doodzonden begaan; door ons verlangen naar zuivering
intenser te doen zijn en onze daden van geloof, liefde en nederigheid te doen
groeien op het moment dat we de Heer ontvangen. «Liefde wordt terugbetaald met
liefde... Op de eerste plaats zal het liefde zijn voor Christus zelf. Een
eucharistische ontmoeting is in feite een liefhebbende
ontmoeting.»9 Regelmatige communie moet
nooit lauwe communie betekenen. Vechten tegen de lauwheid betekent dat we ons
moeten voorbereiden en doen wat we kunnen om zeker te zijn dat de Heer ons niet
afgeleid vindt als Hij in ons hart komt. Het zou een groot gebrek aan fijngevoeligheid
zijn als we de communie zouden naderen met onze geest bij andere zaken.
Lauwheid is gebrek aan liefde, aan aandacht om Jezus op waardige wijze te
ontvangen. We weten dat we er nooit in zullen slagen Jezus zo waardig te
ontvangen als Hij verdient: ons begrip van wat er gebeurt is zo beperkt. «Als
een belangrijk of invloedrijk persoon, of zelfs iemand die slechts rijk of
machtig is, ons zou vertellen dat hij naar ons huis zou komen, hoe zouden we
alles doen blinken en alles wegstoppen wat de bezoeker lelijk zou vinden! Wie
kwaad heeft bedreven, reinige eerst het vuil en de vlekken als hij van zijn
ziel een passende woning wil maken.»10
52.3 U hebt een gastmaal voor mij
bereid...11 Wat een vreugde geeft de gedachte dat de Heer het voor ons zo gemakkelijk
heeft gemaakt om Hem te ontvangen! Wat een vreugde te weten dat Hij wil dat wij
Hem ontvangen!
Regelmatige biecht is de beste manier om zich voor te
bereiden op regelmatige communie. Daarnaast kunnen we altijd een nog dieper
verlangen hebben naar zuivering en een groter geloof en grotere zuiverheid in
ons omgaan met Jezus, aanwezig in dit heilig sacrament. Onze inspanning om
gedurende de dag in Gods aanwezigheid te leven, en het feit alleen al dat we
proberen onze dagelijkse plichten zo goed we kunnen uit te voeren, helpt ons om
Hem met grotere liefde in de communie te ontvangen. Het laat ons ook een steeds
grotere behoefte voelen om boete te doen voor de Heer vanwege onze fouten, en
de dag te vullen met daden van dankbaarheid en geestelijke communies, opdat ons
hart steeds vaster geconcentreerd wordt op de Heer tijdens ons werk, ons
gezinsleven en in alles wat we doen.
Bij het beëindigen van ons gebed kunnen we ons de smeekbede
eigen maken die paus Johannes Paulus ii
richtte aan Jezus in de heilige Hostie: «Heer Jezus! Wij komen tot U in de
wetenschap dat U ons roept en bemint zoals we zijn. 'Uw woorden zijn woorden
van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt' (Joh
6,69). Uw eucharistische aanwezigheid begon met het offer van het laatste
avondmaal en gaat door als een communie en een totale gave van Uzelf. Vergroot
ons geloof... U bent onze hoop, onze vrede, onze Middelaar, onze broeder en
vriend. Ons hart is vol vreugde en hoop omdat het weet dat U 'altijd leeft om
onze voorspraak te zijn' (Heb 7,25). Onze hoop wordt vertrouwen en Paasvreugde,
terwijl wij ons haasten op onze weg naar de Vader in Uw gezelschap.
»Wij willen Uw gevoelens delen en de dingen waarderen die U
waardeert, omdat U het middelpunt, het begin en het einde van alles bent.
Gesteund door deze hoop verlangen wij deze evangelische waarden te zaaien in de
wereld waar God en zijn gaven voor verlossing bovenaan zullen staan in de
harten van de mensen en in hun houdingen van praktisch leven.
»Wij willen liefhebben zoals U liefhebt, die het leven geeft
en alles wat U bent. We zouden met sint Paulus willen zeggen: 'Voor mij is het
leven Christus' (Fil 1,21). Ons leven is betekenisloos zonder U. We willen
leren 'bij Hem te zijn van wie we weten dat Hij van ons houdt', want 'met zo'n
goede vriend aan je zij kan ieder lijden verdragen worden'...
»U hebt ons Uw Moeder gegeven om onze Moeder te worden, om
ons te leren hoe we in ons hart moeten mediteren en aanbidden. Door het Woord
te ontvangen en het in praktijk te brengen, werd zij de meest volmaakte Moeder.»12
-1. Mt
22,1-14. -2. Jes
25,6. -3. H. Ambrosius, Over de heilige mysteries van
het altaar, 4,44. -4. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 82,4. -5. Ibidem, 69,2.
-6. Mt
22,11-12. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
91. -8. Concilie van Trente, Dz 1646.
-9. Johannes Paulus ii, Toespraak, Madrid,
31 oktober 1982. -10. H. Gregorius de Grote,
Homilie 30 over de
evangeliën. -11. Tussenzang, Ps 22. -12. Johannes Paulus ii, Toespraak, Madrid,
31 oktober 1982.
|