Tweeëntwintigste zondag door het jaar (A)
1. Het kruis in ons leven
-Geen liefde zonder offer. Kruis en versterving zijn
onvermijdelijk. -Modern heidendom en de zucht naar materieel welzijn tot elke
prijs. Angst voor het lijden. -Wat
voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste
gaat van zijn eigen leven?
1.1 Het
evangelie van vandaag1 beschrijft de
gebeurtenissen die plaatshebben, onmiddellijk nadat Petrus bij Cesarea Filippi
de goddelijkheid van Christus heeft beleden. Eerst horen we woorden van lof van
de Heer voor zijn leerling: Zalig
zijt gij Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit
geopenbaard maar mijn Vader die in de hemel is.2 Jezus zegt dan dat Petrus het fundament zal zijn van
zijn Kerk, maar begint vervolgens aan zijn volgelingen uit te leggen dat Hij
naar Jeruzalem moet gaan en daar veel zal moeten lijden door toedoen van de
joden, en uiteindelijk sterven om op de derde dag te verrijzen.
De apostelen begrepen deze manier van spreken helemaal niet,
omdat zij nog steeds alleen maar in politieke termen dachten over het
Koninkrijk Gods. Toen nam Petrus
Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden: 'Dat verhoede God,
Heer! Zo iets mag U nooit overkomen!' Meegesleept door zijn grote
liefde voor zijn Meester probeerde Petrus Jezus af te brengen van de weg van
het kruis, want hij begreep nog niet wat een grote weldaad het zou zijn voor de
mensheid en dat het het hoogste teken van Gods liefde voor ons zou zijn.
«Petrus redeneerde op menselijke wijze», zegt de heilige Johannes Chrysostomus,
«en hij concludeerde dat alles wat Christus zei over zijn lijden en sterven
vernederend en ongepast voor Hem was.»3
Petrus ziet Christus' aardse zending veel te menselijk en hij
beseft daarom niet, dat het klaarblijkelijk de wil van God is geweest, dat de
Verlossing bewerkt zou worden door het kruis, en dat «er geen passender manier
was om ons uit onze ellende te redden».4 De Heer
antwoordt zijn leerling met vurige stelligheid: Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot, want gij
laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.
In Cesarea had Petrus gesproken met de inspiratie van de
Heilige Geest; nu spreekt hij vanuit een puur materialistisch perspectief. De
verkondiging van het kruis, de versterving, het offer, als iets goeds, als een
middel tot verlossing, zal altijd aanstoot geven aan de mensen die, net als de
heilige Petrus bij deze gelegenheid, deze verkondiging aanhoren met mensenoren.
De heilige Paulus moest de eerste christenen waarschuwen voor de mensen die een leven leiden als de vijanden van Christus' kruis. Zij
zijn op weg naar de ondergang, hun buik is hun god, in hun schande stellen zij
hun eer, zij hebben hun zinnen gezet op het aardse.5
Als we alleen maar in materialistische termen redeneren, valt
het ons moeilijk te begrijpen, dat pijn en lijden, of zelfs alles wat
inspanning vereist, de moeite waard kan zijn. We weten uit ervaring dat
moeilijkheden die we op onze weg tegenkomen, ons louteren, ons verrijken, ons
tot een beter mens maken. Anderzijds echter zijn wij niet voor het lijden in de
wieg gelegd; streven we allemaal naar geluk.
De angst voor pijn, vooral voor hevige of aanhoudende pijn,
is een diep in ons geworteld instinct, en wanneer we iets moeizaams of
moeilijks tegenkomen, is onze eerste reactie er vandoor gaan. Daarom vinden we
de christelijke praktijk van boetedoening moeilijk: we vinden het nooit makkelijk,
en hoe hard we er ook ons best voor doen, het lukt ons nooit eraan te wennen.6
Het geloof laat ons zien en ondervinden, dat er zonder offer
geen liefde is, geen echte blijdschap, dat de ziel niet gezuiverd wordt, dat
wij God niet ontmoeten. De weg naar de heiligheid gaat via het kruis. Het kruis
is de grondslag van alle apostolaat. Het is het «levende boek waarin we
definitief leren wie we zijn en hoe we ons moeten gedragen. Dit boek ligt
altijd geopend voor ons.»7 Iedere dag moeten we
erheen gaan en het lezen. En in dat boek leren we wie Christus is, de
grootsheid van zijn liefde voor ons, en hoe we Hem moeten volgen. Iedereen die
God zoekt zonder offer, zonder het kruis, zal Hem nooit vinden.
1.2 ...want gij laat u leiden door menselijke
overwegingen en niet door wat God wil. Petrus zal later bijzonder
goed de betekenis van pijn en lijden begrijpen; met de andere apostelen zal hij
zich gelukkig achten, omdat ze
waardig bevonden waren smaad te lijden omwille van de naam van Jezus.8
Als christenen weten we dat onze verlossing en de weg naar de
hemel gevonden moeten worden in de liefdevolle aanvaarding van pijn en offer.
Bestaat er een vruchtbaar leven dat geen lijden bevat? «Zijn echtgenoten zeker
van hun liefde voordat ze samen geleden hebben? Wordt vriendschap niet
verstrekt door gedeelde moeilijkheden, of gewoon door samen de hitte van de dag
of de vermoeienis en het gevaar van een steile helling verdragen te hebben?» 9 Om met Christus te verrijzen moeten we Hem
vergezellen op zijn weg naar het kruis. We doen dit door de beproevingen en
tegenslagen van het leven met kalmte en bedaardheid te aanvaarden. Door edelmoedig
te zijn in vrijwillige zelfverloochening, die ons innerlijk zuivert, ons helpt
de bovennatuurlijke betekenis van het leven te begrijpen en die de heerschappij
van de ziel over het lichaam bevestigt. Net als in de tijd van de apostelen
moeten we in gedachte houden, dat het kruis dat Jezus predikt, voor sommigen
een schande is en voor anderen een volkomen dwaasheid.10
Ook vandaag zijn er veel mensen die zich laten leiden door menselijke overwegingen en
niet door wat God wil. Ze hebben hun blik gericht op de dingen
hier beneden, op materieel welzijn, en ze jagen het na alsof dat het enige is
wat echt telt. De mensheid lijdt aan een golf van materialisme dat alles
doordringt en probeert onze beschaving volledig over te nemen. «Dit heidendom
van nu wordt gekenmerkt door de zucht naar materieel welzijn tot elke prijs, en
door het daarmee overeenstemmende negeren van -of, om het preciezer te zeggen,
de angst, echte paniek voor- alles wat lijden zou kunnen veroorzaken. Vanuit
deze visie worden woorden als God, zonde, kruis, versterving, eeuwig leven [...]
onbegrijpelijk voor een groot aantal mensen,
die onwetend zijn over de betekenis en inhoud van die woorden.»11
De mentaliteit van het streven naar comfort, dat genot tot
het hoogste doel van het bestaan maakt, heeft in grote mate de gewoonten en
gebruiken beïnvloed in de meer ontwikkelde landen in het bijzonder, maar
misschien is zij ook, zoals Johannes Paulus ii zich hardop afvraagt, «de levensstijl van toenemende
groepen in de armere landen».12 Dit radicale
materialisme verstikt de zin voor het godsdienstige van naties en individuen en
is rechtstreeks tegengesteld aan de leer van Christus, die ons in de Mis nog
eens uitnodigt ons kruis op te nemen, als noodzakelijke voorwaarde om Hem te
volgen: Wie mijn volgeling wil
zijn, zegt Hij ons, moet
Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen.
De Heer maakt gebruik van pijn, van vrijwillige opoffering,
van armoede, van onaangekondigde ziekte, die op zichzelf ons niet van God
scheiden, maar ons juist nauwer met Hem kunnen verenigen. Als we naar Jezus in
het tabernakel gaan en Hem alles aanbieden wat we moeizaam en moeilijk vinden,
ontdekken we dat «door Christus en in Christus [...] aldus het raadsel van pijn
en dood doorlicht»13 wordt. Dit is de enige
manier om de angst voor lijden, die ons alle dagen van ons leven zal
vergezellen, kwijt te raken. We zullen het met vreugde kunnen aanvaarden als we
Gods liefhebbende wil erin ontdekken: «Dit is de grote christelijke revolutie
geweest: dat het leed is veranderd in lijden
dat vruchtbaar is, dat uit een kwaad iets
goeds is gemaakt. We hebben de duivel van dat wapen beroofd; en we
veroveren er de eeuwigheid mee.»14
1.3 In
ons apostolaat moeten we iedereen vertellen, door woord en voorbeeld, dat ze
hun harten niet moeten vullen met de dingen van deze wereld, want alles in dit
leven is tijdelijk, het wordt oud en blijft maar een moment. Omnes ut vestimentum veterascent15, zij zullen verslijten als kleren. Slechts de ziel
die ervoor strijdt haar zin voor goddelijk bewustzijn te behouden, zal voor
altijd jong blijven tot het moment van de definitieve ontmoeting met haar
Maker. Al het andere gaat voorbij, en snel ook. Wat is het jammer te moeten
zien dat zoveel mensen hun eeuwige verlossing op het spel zetten, en zelfs hun
aardse geluk, voor een paar waardeloze kleinigheden! «Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te
winnen, als dit ten koste gaat van zijn eigen leven? Wat is het
nut voor de mens van al wat de aarde bevolkt, van alles waar verstand en wil
naar kunnen streven? Wat is het allemaal nog waard als alles aan zijn eind
komt, als alles instort, als alle rijkdom van deze aardse wereld bestaat uit
stukken decor; als daarna voor altijd de eeuwigheid aanbreekt, voor altijd,
voor altijd.»16
De wereld en haar rijkdommen kunnen nooit het uiteindelijke
doel van de mens zijn. Zelfs het tijdelijke doel van de mens, waarvoor wij
christenen verplicht zijn te werken, bestaat strikt gesproken niet in materiële
verworvenheden (van technologie, wetenschap en industrie), maar in de humane
dimensie van de mens, in de vervolmaking van zijn talenten, maatschappelijke
relaties en culturele waarden door middel van werk en materiële goederen, die
altijd ten dienste moeten staan van de waardigheid van de menselijke persoon.
Alleen een echt belangeloze liefde, gelouterd en getemperd
door matigheid, kan het legitieme streven naar aardse goederen zijn juiste
betekenis verlenen. Als God werkelijk het centrum van ons leven is, dan zal dat
vele praktische gevolgen hebben voor het leven van alledag: het huwelijk zal in
staat zijn alle hindernissen te nemen om zijn oorspronkelijke doel te bereiken,
namelijk kinderen voort te brengen voor God en hen voor Hem op te voeden; en
het gezinsleven zal een wederzijdse en edelmoedige zelfgave zijn tussen de
echtgenoten. Alleen wanneer God aanwezig is, zullen theater en beeldende kunst
de mens waardig en een oprechte uitdrukking van de menselijke geest zijn.
Alleen in God kan de objectieve fundering van moraliteit juist begrepen worden,
en kunnen de wetten van naties een gelovige reflectie zijn van de goddelijke
wet. Alleen hier kan de mens alle angst overwinnen; alleen in de onvermijdelijkheid
van het lijden zal hij een bron van zuivering en van medeverlossing met
Christus vinden. Kortom, alleen de liefde die geworteld is in edelmoedigheid en
opoffering zal de menselijke persoon in staat stellen zijn eeuwige bestemming
in de hemel te verkrijgen.
-1. Mt
16,21-27. -2. Mt
16,17. -3. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
54,4. -4. H. Augustinus, De Trinitate, 12,1-5. -5. Fil 3,18-19. -6. Vgl. R.M. de Balbín, Sacrificio y alegría, bl. 30. -7. Johannes Paulus ii, Toespraak, 1 april 1980. -8. Vgl. Hnd 5,41. -9. J. Leclerq, Treinta meditaciones sobre la vida cristiana,
Bilbao 19582, bl. 217-218. -10. Vgl. 1 Kor 1,23. -11. A. del Portillo, Pastorale brief, 25
december 1985, 4. -12. Johannes Paulus ii, Homilie in het Yankeestadion,
2 oktober 1979, 6. -13.
Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 22. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 887. -15. Heb 1,11. -16. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden
van God, 200.
|