Vijfentwintigste week. Maandag
31. Het licht op de standaard
-Christenen moeten licht brengen in hun omgeving. -Bekwaamheid
in het eigen beroep. -Bakens te midden van de wereld.
31.1 In het evangelie
van vandaag spreekt de Heer tot ons over onze apostolische
verantwoordelijkheid: Niemand
steekt een lamp aan om die onder een schaal te verbergen of onder een rustbank
te zetten, maar hij plaatst ze op een standaard, opdat al wie binnenkomt het
licht kan zien.1
Ieder die Christus volgt -ieder die een lamp aansteekt- heeft
niet alleen de plicht aan zijn eigen heiliging te werken, maar ook aan die van
anderen. De Heer verduidelijkt deze plicht door beelden te gebruiken die
tamelijk makkelijk te begrijpen waren voor de gewone mensen die naar Hem
luisterden. In ieder huis geeft de lamp licht als de duisternis invalt.
Iedereen weet waar ze gewoonlijk wordt neergezet en waarom: de lamp is daar om
licht te geven. Daarom wordt ze gewoonlijk tamelijk hoog neergezet. Misschien
hangt ze aan een haak. Het zou bij niemand opkomen zijn lamp te verbergen,
zodat het licht verduisterd werd. Waar zou dat voor dienen?
Jezus zei tot zijn
apostelen: Gij zijt het licht der
wereld.2 Het licht van de
leerling is een afstraling van het licht van de Meester zelf. Zonder dit licht
van Christus wordt de maatschappij ondergedompeld in ondoordringbare
duisternis. Wanneer men wandelt in het duister, struikelt men spoedig en valt.
Zonder Christus wordt de wereld een gevaarlijk terrein dat nauwelijks
bewoonbaar is.
Christenen moeten licht brengen in de omgeving waarin zij
wonen en werken. Een leerling van Christus die geen licht uitstraalt, is als de
lamp verborgen onder de schaal. Het Tweede Vaticaanse Concilie heeft de nadruk
gelegd op het recht en de plicht van de gelovigen om te getuigen. Deze
verantwoordelijkheid vindt zijn oorsprong in het sacrament van het doopsel en
wordt opnieuw bevestigd bij het vormsel.3 Als
gevolg hiervan behoren alle gedoopten tot het Mystieke Lichaam van Christus.
«In dit lichaam zijn de leden zelfs zo sterk met elkaar verbonden en zo nauw
samengevoegd (vgl. Ef 4,16), dat een lid dat zijn taak bij de opbouw van het
lichaam niet volledig vervult, noch voor de Kerk noch voor zichzelf van nut kan
worden genoemd.»4
Het apostolaat is zichtbaar in veel verschillende vormen. Het
is een voortdurende werkzaamheid die enigszins te vergelijken is met de
voortdurende lichtstroom van een lamp. Het is geen flitsend of wisselend licht.
Het is er altijd. «Het getuigenis dat een christelijk leven op zichzelf al is
en goede werken die in een bovennatuurlijke geest worden verricht, bezitten de
kracht om de mensen te winnen voor het geloof en tot God te brengen.»5 Bovendien kunnen zij die nog niet in Christus
geloven, hun weg verlicht zien door het voorbeeld van hen die de Meester
volgen. «Want alle christengelovigen, waar zij ook leven, moeten door het
voorbeeld van het leven en door het getuigenis van het woord de nieuwe mens,
die zij door het doopsel hebben aangedaan, en de kracht van de Heilige Geest,
waardoor zij door het vormsel versterkt zijn, zo openbaren, dat de anderen bij het
zien van hun goede werken de Vader verheerlijken (Vgl. Mt 5,16) en een
vollediger begrip krijgen van de ware zin van het menselijk leven en de
algemene band van de eenheid van de mensen.»6
Laten wij ons vandaag afvragen welke invloed wij hebben op de
mensen in onze omgeving, zij die beroepsmatig of sociaal met ons te maken
hebben. Zien zij dit licht dat de weg verheldert die naar God leidt? Voelen
deze mensen zich aangespoord om beter te leven, door hun contact met ons?
31.2 Wat
is die lamp waaruit het licht van Christus mag schijnen naar onze omgeving? Het
is ons werk van de beste kwaliteit en het beroepsaanzien dat ermee samenhangt.
Want waartoe zou een apostolaat van een moeder dienen die niet gewetensvol
zorgt voor haar gezin? Hoe kan een student die niet studeert, praten met zijn
vrienden over menselijke en bovennatuurlijke deugden? Hoe kan een katholieke
zakenman die de sociale leer van de Kerk niet in praktijk brengt met zijn
werknemers spreken over hoge idealen? Als een christen de menselijke deugden
zou veronachtzamen, zou zijn leven alleen maar uit vrome wensen bestaan.
Verlangens die er vroom uitzien maar onvruchtbaar blijven op het gebied van
persoonlijke heiliging, kunnen maar weinig positieve invloed hebben op andere
mensen. Toch gebieden Christus en zijn Kerk ons om werkelijk invloed uit te
oefenen op de wereld rondom ons. Daarom «moet iedere christen Christus onder de
mensen tegenwoordig stellen. Hij moet zo handelen, dat zijn medemensen de
'bonus odor Christi', de goede geur van Christus bespeuren, dat door de werken
van de leerling heen het gelaat van de Meester schijnt.»7 Het volgen van Jezus Christus betekent dat de
religieuze principes gestalte moeten krijgen in het gewone leven. Een christen
moet niet alleen anders zijn, maar moet ook als anders gezien kunnen worden. De
zieke kan licht verspreiden als hij zijn kwaal een bovennatuurlijke zin geeft.
De Heer wil dat de katholieke apotheker goed geïnformeerd en zeer deskundig is
ten aanzien van de medicijnen die hij verkoopt, en ook goede menselijke en
geestelijke raad weet te geven, in zoverre dat nodig is. Op dezelfde wijze moet
de taxichauffeur heel goed bekend zijn met de straten van een grote stad, de
buschauffeur moet zijn zorg voor de passagiers tonen door voorzichtig te
rijden...
Vanaf de allereerste tijd van zijn openbare leven was de Heer
bekend als de timmerman, de zoon
van Maria.8 Ten tijde van zijn wonderen roepen de mensen uit: Hij heeft alles wel gedaan9; en alles
betekent onbetwistbaar alles:
«de grotere wonderen en de mindere, alledaagse dingen die niemand versteld deden staan, maar die Christus deed met de
volheid van hem die is 'perfectus Deus et perfectus homo', volmaakt God en
volmaakt mens.»10
Als teken voor de achting voor menselijke arbeid gebruikte
Jezus bij zijn onderricht dikwijls voorbeelden uit de meest uiteenlopende
beroepen. «Het kan inderdaad gezegd worden dat Hij met liefde naar menselijke
arbeid en naar de verschillende vormen die deze aanneemt kijkt. Hij ziet dan in
ieder van deze vormen een specifiek facet van de gelijkenis van de mens met
God, de Schepper en Vader.»11
Als wij beroepsmatig invloed willen uitoefenen, moeten wij
ons als doel stellen onze arbeid, ons handwerk of ons beroep in de vingers te
hebben. Daartoe moeten wij de nodige tijd vrij maken voor scholing, opleiding
of studie door ons dagelijks een doel te stellen om uiteindelijk beter te
presteren in ons gekozen beroep, zelfs nadat wij onze formele cursus of studie
of opleiding voltooid hebben. De studieresultaten van een student zijn meestal
een indicatie van zijn liefde tot God en zijn naaste: liefde uit zich in daden.
Als logisch gevolg van deze betrokkenheid zal de gelovige
christen gerespecteerd worden door zijn collega's als een goede werknemer of
als een goede student. Dit soort van goede reputatie is onmisbaar voor ieder
die een moeilijke zending wil vervullen midden in de wereld.12
Bijna zonder het te beseffen zal hij of zij laten zien hoe de leer van Christus werkelijkheid kan worden in
het gewone leven. Dit feit ondersteunt wat door de heilige Ambrosius
eeuwen geleden onder de aandacht werd gebracht, namelijk dat de dingen er
minder moeilijk uitzien wanneer wij zien dat ze ook door anderen gedaan worden.13 Iedereen heeft recht op dit goede voorbeeld van
ons.
31.3 Het
is een waarheid van ons geloof, dat de boodschap van Christus niet door menselijke
middelen verspreid is, maar door de impuls van goddelijke genade. Maar het is
ook waar, dat een zinvol blijvend apostolaat moet steunen op mensen die de
menselijke deugden belichamen. Anders zouden mensen afkerig worden door het
grote verschil tussen wat christenen doen en wat zij verkondigen. Het Tweede
Vaticaanse Concilie heeft met betrekking hierop verklaard: «Die discrepantie
bij velen tussen het geloof dat zij belijden en hun dagelijks leven dient tot
de ernstigste dwalingen van onze tijd te worden gerekend. [...] De christen die
zijn tijdelijke plichten verwaarloost, verwaarloost zijn plichten tegenover
zijn naaste, ja tegenover God zelf en brengt zijn eeuwig heil in gevaar. Laten
de christenen zich liever erover verheugen, naar het voorbeeld van Christus die
het handwerk beoefende, dat zij al hun aardse activiteiten kunnen uitoefenen en
daardoor de menselijke beredderingen thuis, in beroep, in wetenschap of
techniek in een levende synthese brengen met de godsdiestige waarden, die
uiteindelijk alles samen ordenen ter ere van God.»14
Wat iemands beroep of bezigheid ook moge zijn, hoe meer
deskundigheid wij verwerven hoe meer wij door onze collega's en partners zullen
worden gerespecteerd. Dit 'beroepsprestige' is van zo'n vitaal belang, dat een
goede christen zijn grote deskundigheid niet moet verbergen en de erkenning die
hem toekomt, niet moet ontlopen. Voor degenen die vastbesloten zijn te leven
volgens hun christelijke roeping, is hun werk de allerbelangrijkste plicht.
Daarom zal de alom gerespecteerde arts zijn best doen gelijke tred te houden
met nieuwe wetenschappelijke en klinische ontwikkelingen. De goede leraar zal
zeker periodiek zijn lesmateriaal en lestechniek herzien. Hij kan niet tevreden
zijn met jaar in jaar uit dezelfde lessen te herhalen.
Onze bekwaamheid en onze harmonie van leven zal een baken
zijn dat zijn licht laat schijnen over collega's, vrienden en misschien zelfs
over heel onze gemeenschap. Dan zal christelijke naastenliefde van verre
zichtbaar zijn, waarbij het licht van een heilzaam uitgangspunt ieders weg
verlicht. «De heiliging van het werk van alledag fungeert als spil van de ware
spiritualiteit van ons allen die -ondergedompeld in de tijdelijke werkelijkheid-
vastbesloten zijn om een intieme omgang met God te zoeken.»15
De heilige Paulus spoorde de eerste christenen te Filippi aan
om trouw te zijn onder een slinks
en ontaard geslacht, waarin gij schittert als sterren in het heelal.16 Hun heldhaftig voorbeeld trok zoveel mensen tot het
geloof, dat een vroeg christelijk schrijver concludeerde: «Om het maar
eenvoudig te zeggen, wat de ziel is in het lichaam, dat zijn de christenen in
de wereld.»17
Als wij het licht van Christus aan allen willen doorgeven
moeten wij, tegelijk met de bovennatuurlijke middelen, ook de menselijke
deugden en maatschappelijke omgangsvormen beoefenen. Veel mensen gebruiken
goede manieren alleen maar om zakelijke contacten soepel te laten verlopen.
Maar voor ons, christenen, moeten zij ook de vruchten zijn van naastenliefde,
de uiterlijke tekenen van een oprechte belangstelling voor de anderen. Dit
gedrag is wederom een facet van het goddelijke licht dat wij met ons mee moeten
dragen en op anderen overbrengen. Wij hebben veel kansen om deze maatschappelijke
deugden te beoefenen voor de mensen die God als naasten bij ons geplaatst
heeft.
-1. Lc
8,16. -2. Mt 5,14.
-3. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 33. -4. Idem, Decr. Apostolicam actuositatem, 2. -5. Ibidem,6. -6. Idem, Decr. Ad gentes, 11. -7. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 105. -8. Mc 6,3. -9. Mc 7,37. -10. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 56. -11. Johannes Paulus ii, Enc.
Laborem exercens, 14
september 1981, 26. -12. Vgl.
Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 36. -13. Vgl. H. Ambrosius, Verhandeling over de maagdelijkheid, 2,2. -14. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium et spes, 43. -15. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 61. -16. Fil 2,15. -17. Brief aan Diognetes, VI,1;
Hilversum 1941, bl. 279.
|