Elfde zondag door het jaar (A)
28. Het meest effectieve middel
-De dringende noodzaak van het apostolaat: de oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig. -Geen
excuses. God roept iedereen om apostel te zijn.-God om roepingen vragen.
28.1 Het evangelie uit de mis van
vandaag1 verhaalt over iets dat vaak voorgekomen
zal zijn, toen Jezus van dorp tot dorp en van stad tot stad trok om de komst
van het koninkrijk van God te verkondigen. Als Hij de menigte zag, kreeg Hij
medelijden met hen; hij werd tot in het diepst van zijn ziel getroffen, want
Hij zag dat ze afgetobd neerlagen, als schapen zonder herder, niet wetend tot
wie ze zich wenden moesten. In plaats van hen te leiden en voor hen te zorgen,
deden hun herders hen verdwalen, en gedroegen ze zich meer als wolven dan als
herders. Toen sprak Jezus tot zijn leerlingen: 'De oogst is
wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.'
Hetzelfde is ook vandaag de dag het geval; er zijn te weinig
arbeiders voor het werk dat gedaan moet worden. De oogst kan verloren gaan,
omdat er niemand is die er op uit trekt om te oogsten. Daarom is er een
dringende behoefte aan christenen die blij zijn, werkzaam, eenvoudig, trouw aan
de kerk, en die zich bewust zijn van wat hun te doen staat. Wij allen zijn
hierbij betrokken, omdat God arbeiders en studenten nodig heeft om Christus in
de fabriek en op de universiteit te brengen, met hun prestige en hun
apostolaat. God heeft voorbeeldige leraren nodig die les geven vanuit een
christelijke visie, die tijd aan hun leerlingen besteden, leraren die echte
meesters zijn. God heeft in elke menselijke activiteit mannen en vrouwen nodig
die hun geloof beleven in heel hun handelen. God heeft ouders nodig die zich
waarachtig bekommeren om de opvoeding en het geloof van hun kinderen, die een
actieve rol vervullen in schoolraden, buurtverenigingen enz.
Als we zoveel mensen de verkeerde weg op zien gaan, zonder
God en alleen maar gericht op materieel bezit of op het verlangen dit te
verwerven, dan kunnen we niet onbewogen blijven. Want hoe onverschillig zij ook
mogen lijken, diep in hun ziel dorsten deze mensen naar God. Ze hunkeren
ernaar, ook vandaag de dag, dat iemand met hen spreekt over God en over de
geloofswaarheden waar hun redding van afhangt. Als wij christenen op dit gebied
niet met een geest van offerbereidheid te werk gaan, dan zal gebeuren wat de
profeet Joël voorspeld heeft: De velden zijn verwoest, de
grond is verdroogd, het koren vernield; de druiven zijn verschrompeld, de
olijfbomen verdord. Weest ontredderd, landbouwers, weest wanhopig, wijnbouwers,
want er is geen koren, geen gerst. De oogst is verloren.2 God verwachtte dat deze vruchten geoogst zouden
worden, maar ze gingen verloren omdat de landarbeiders het lieten afweten.
De woorden van Jezus -de oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig-
moeten ons ertoe brengen, onszelf elke dag te onderzoeken: wat heb ik vandaag
gedaan om God bekend te maken? Heb ik iemand over Christus gesproken? Wat heb
ik gedaan voor het apostolaat? Ben ik bekommerd om de redding van vrienden en
collega's? Ben ik mij ervan bewust, dat veel mensen dichter bij God zouden
komen, als ik meer durf zou tonen en een beter voorbeeld zou geven in het
vervullen van mijn plichten?
28.2 Er zijn veel
verontschuldigingen te bedenken om andere mensen niet naar Christus toe te
brengen: gebrek aan middelen, slechte voorbereiding of tijdgebrek, het feit dat
we in een kleine uithoek van de wereld wonen en weinig mensen kennen, of omdat
de afstanden in de stad waar we wonen juist zo groot zijn. Toch blijft God ons
allen steeds eraan herinneren, juist in deze tijd van sterke godsdienstige
onverschilligheid, dat de oogst wel groot is, maar
dat er weinig arbeiders zijn. Een oogst die niet op tijd wordt binnengehaald,
gaat verloren. De volgende woorden van de heilige Johannes Chrysostomus kunnen
ons helpen, om in ons gebed te onderzoeken of we ons niet te gemakkelijk
verontschuldigen en ons aan de edele oproep apostel te zijn, zoals God het wil,
onttrekken. «Niemand is kouder dan de christen die zich niet bekommert om de
redding van anderen. Je mag je armoede niet als excuus aanwenden. De weduwe die
haar laatste penningske gaf zal je aanklagen. Petrus zelf zei: Zilver of goud heb ik niet (Hnd 3,6). En Paulus was zo arm
dat hij vaak honger leed en het hem ontbrak aan wat hij nodig had om te kunnen
leven. Je mag je nederige afkomst niet als verontschuldiging aanvoeren. Ook zij
waren nederig, van eenvoudige afkomst. Je gebrek aan kennis mag ook geen excuus
zijn. Zij waren ongeletterd. Slaaf of vluchteling; je moet doen wat je kunt.
Dat was Onesimus..., en zie wat zijn roeping was... Gebruik je zwakke gezondheid
niet als excuus. Timotheus was dikwijls ziek... Ieder van ons kan nuttig zijn
voor zijn naasten als we alles doen wat we kunnen.»3
Wij willen trouw aan God zijn: alles doen wat we kunnen.
De oogst is wel groot, maar arbeiders
zijn er weinig. De heilige Gregorius de Grote legt hierbij uit: «Als we
dit horen kunnen we ons alleen maar droevig voelen omdat we weten dat er mensen
zijn die willen luisteren naar de blijde boodschap; maar het ontbreekt aan
mensen die hun die boodschap brengen.»4
Opdat er veel arbeiders zijn die schouder aan schouder op de
akker van de wereld werken, ieder op zijn eigen plaats, hoeven we slechts de
weg te volgen die Jezus zelf ons heeft laten zien: Vraagt
daarom, de Heer van de oogst, arbeiders te sturen om te oogsten. Jezus
nodigt ons uit om te bidden, dat God in vele zielen het verlangen mag opwekken
om in grotere mate deel te nemen aan het verlossingswerk. «Het gebed is het
meest doeltreffende middel om apostelen te winnen»5,
en mensen ertoe te brengen hun roeping te ontdekken. Het verlangen om nieuwe
apostelen te winnen moet voor alles tot uiting worden gebracht in het
smeekgebed: een voortdurend, vertrouwvol en nederig vragen. Alle christenen
moeten bidden, dat de Heer arbeiders stuurt in zijn oogst. Als we God vragen om
roepingen, zullen we ons meer verplicht voelen om moedig ons apostolaat te
vervullen, en van de Heer nieuwe arbeiders voor de oogst verkrijgen.
28.3 Door zijn apostelen uit te
zenden, bereidde Jezus zijn komst voor in steden en dorpen. Hun taak was alleen
het voorbereidingswerk, zoals dit bij elk apostolaat het geval is. Ze moesten
gaan naar alle steden en plaatsen, waarheen Hijzelf van
plan was te gaan.6 Elk apostolaatswerk
bestaat erin, iemand voor te bereiden op de komst van Christus; deze
voorbereiding wordt gedaan door mensen die Hem reeds volgen.
De oogst is groot... We moeten God
voortdurend vragen dat de christenen, mannen en vrouwen, er zich opnieuw bewust
van worden dat hun leven een roeping inhoudt; dat ze niet alleen maar goede
mensen willen zijn, maar leren arbeiders van God te zijn, door edelmoedig te beantwoorden
aan de roeping van de Heer. Mannen en vrouwen, jong en oud, die zich aan God
gegeven hebben midden in deze wereld; velen in een apostolisch celibatair
leven; gewone christenen, met dezelfde aardse taken als hun medeburgers, die
Christus tot diep in het hart van de maatschappij brengen.
Vraagt de Heer van de oogst... We
moeten ook bidden dat er veel roepingen voor het priesterschap en het religieuze
leven komen; roepingen die trouw zijn, heilig en vol vreugde, roepingen die in
de Kerk zo hard nodig zijn.
God, die het werk van de verlossing in de wereld helemaal
zelf zou kunnen doen, wil op leerlingen kunnen rekenen die voor Hem uit naar de
steden en dorpen trekken, naar de universiteiten en fabrieken, om daar de
wonderen en eisen van het koninkrijk van God te verkondigen. Het is duidelijk:
onze moeder de Kerk heeft mensen nodig die deze weg van overgave en heiligheid
vastbesloten willen gaan. De pausen herinneren ons steeds weer aan de noodzaak
van apostolische roepingen, want daar hangt grotendeels de evangelisatie van de
wereld vanaf.
«Help mij roepen: Jezus, geef mij mensen!... Apostolische mensen!
Ze zijn voor U, voor Uw glorie.
»Je zult zien, dat Hij ons tenslotte zal verhoren.» 7
Wat doe ik om zulke roepingen in mijn omgeving te bevorderen?
Deze roepingen moeten voortkomen uit onze kinderen, broers en zussen, familie,
vrienden en bekenden. Laten we niet vergeten dat God velen roept. Laten we Hem
vragen om de genade, zulke roepingen te bevorderen en aan te moedigen, Gods
roepstem is mogelijk gericht op mensen die we elke dag ontmoeten.
Laten we Onze Lieve Vrouw vragen ons te helpen, de woorden
van de Heer -de oogst is groot- serieus te nemen, en
alles te willen doen wat mogelijk is, met volharding, opdat er veel arbeiders
in Gods oogst zijn. Laten we Hem vragen om de vreugde een instrument te mogen
zijn waarvan Jezus zich bedient om anderen te roepen.
»Moge God jouw visvangst overvloedig doen slagen!»8
God vergeet de 'visser' nooit.
-1. Mt 9,36-10,8. -2. Joël 1,10-12. -3. H. Johannes
Chrysostomus, Homilie bij de Handelingen van
de Apostelen, 20. -4. H. Gregorius de Grote,
Homilieën bij het evangelie, 17. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 800. -6. Lc 10,1. -7. H.
Jozefmaria Escrivá,
o.c., 804. -8. Ibidem, 808.
|