Elfde zondag door het jaar (B)
29. Het mosterdzaadje
-God maakt gebruik van kleine dingen om in de wereld en in
de zielen te werken. -Moeilijkheden in het apostolaat mogen ons niet
ontmoedigen. - De noodzaak menselijk opzicht te overwinnen.
29.1 Dit zegt
de Heer God: 'Dan zal Ik zelf van de top van de hoge ceder een twijgje nemen en
dat in de grond zetten; van de bovenste van de jonge takken zal ik een twijgje
plukken en Ik zelf zal het planten op een hoge en verheven berg, op het
gebergte van Israëls hoogland zal Ik het planten. Het zal takken dragen, vrucht
vormen en een prachtige ceder worden. Daaronder zullen alle vogels van allerlei
gevederte nestelen: in de schaduw van zijn takken zullen ze nestelen.1 Deze mooie woorden van de profeet Ezechiël, genomen
uit de eerste lezing van de mis van vandaag1,
herinneren ons eraan hoe God gebruik maakt van kleine dingen om in de wereld en
in de zielen werkzaam te zijn. Jezus geeft ons dezelfde les in het evangelie.
Het koninkrijk van God lijkt op een mosterdzaadje. Wanneer
dat gezaaid wordt in de grond, is het wel het allerkleinste zaadje op aarde;
maar eenmaal gezaaid, schiet het op en het wordt groter dan alle tuingewassen,
en het krijgt grote takken, zodat de vogels in zijn schaduw kunnen nestelen.2
De Heer koos enkele mannen uit om het werk van de evangelisatie
te beginnen. Voor het grootste deel waren het eenvoudige vissers, ongeletterde
mensen, met aanwijsbare gebreken en zonder materiële middelen: wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om het sterke
te beschamen.3 Als men de dingen vanuit
louter menselijk gezichtspunt bekijkt, is het onmogelijk uit te leggen hoe deze
mensen de leer van Jezus in korte tijd konden verbreiden over de hele wereld,
met zoveel hindernissen en zoveel tegenstand die overwonnen moesten worden. In
de parabel van het mosterdzaadje, zo legt de heilige Johannes Chrysostomus uit,
spoorde Jezus zijn leerlingen aan te geloven en ervan overtuigd te zijn, dat
het evangelie zich ondanks alles zou verbreiden.4
Wij zijn ook als dat mosterdzaadje, ten opzichte van de taak
die God ons gegeven heeft midden in de wereld. We mogen niet vergeten, dat er
geen verhouding bestaat tussen de middelen die we hebben, onze geringe
talenten, en de omvang van het apostolaat dat we moeten vervullen. Maar we
mogen ook nooit vergeten, dat we altijd op Gods hulp kunnen rekenen. Er zullen
moeilijkheden komen, en we zullen ons dan meer bewust zijn van onze
onbeduidendheid. Dit moet ons brengen tot meer vertrouwen in de Meester en in
het bovennatuurlijke karakter van het werk dat Hij ons toevertrouwt. «In tijden
van strijd en tegenwerking, wanneer misschien zelfs 'de goeden' je dwarsbomen,
moet je je hart verheffen. Luister naar Jezus, hoe Hij spreekt over het
mosterdzaadje en over de zuurdesem. - En zeg Hem: edissere
nobis parabolam, verklaar me de gelijkenis.
»Dan zul je het genot smaken je toekomstige overwinning te
zien: dat de vogels zich nestelen in jouw nu ontluikend apostolaat, en dat heel
het deeg doordesemd is.»5
Als we het besef van onze nietigheid en van de kracht van de
genade niet verliezen, zullen we altijd sterk zijn en trouw aan wat God van
ieder van ons vraagt. Als we onze ogen niet op Jezus gericht houden, zullen we
pessimistisch en ontmoedigd raken, en spoedig onze taak opgeven. Met God kunnen
we echter alles aan.
29.2 De apostelen en de eerste
christenen leefden in een maatschappij die tot in de fundamenten aangetast was;
een maatschappij waarin het bijna onmogelijk was idealen te koesteren. De
heilige Paulus beschrijft de Romeinse maatschappij en de heidense wereld als
plaatsen waar het natuurlijke licht van het verstand in veel opzichten
verduisterd was, vooral wat betreft de waardigheid van de menselijke persoon.
Hij gaat verder en zegt: Daarom heeft God hen prijsgegeven
aan hun onreine begeerten, zodat zij hun eigen lichaam onteren. [...] Daarom
heeft God hen overgeleverd aan onterende hartstochten. [...] En daar zij het
niet de moeite waard hebben geacht God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven
aan hun nietswaardige gezindheid zodat zij alles doen wat niet te pas komt.
Vervuld zijn zij van allerlei ongerechtigheid, boosheid, hebzucht en
slechtheid; vol nijd, bloeddorst, tweespalt, bedrog en kwaadaardigheid.
Roddelaars zijn het, lasteraars, haters van God, vermetel, verwaand, protserig,
vindingrijk in het kwaad, ongehoorzaam aan hun ouders, onverstandig, onbestendig,
zonder liefde en zonder mededogen.6
De christenen hebben deze maatschappij van binnenuit veranderd.
Daar viel het zaad, dat vervolgens verspreid werd over de hele wereld. Hoewel
het een klein zaadje was, droeg het een goddelijke kracht in zich, want het was
het zaad van Christus. De eerste christenen die naar Rome kwamen waren niet
anders dan wijzelf, en met de hulp van de genade waren ze in staat een daadkrachtig
apostolaat te volbrengen: zij werkten schouder aan schouder met hun
medeburgers, ze hadden dezelfde beroepen als ieder ander, ze kampten met
dezelfde problemen, ze gehoorzaamden dezelfde wetten, behalve als deze rechtstreeks
in strijd waren met de wet van God. De eerste christenen in Jeruzalem,
Antiochië en Rome waren werkelijk kleine mosterdzaadjes, schijnbaar verloren in
een reusachtig veld.
Hoewel onze maatschappij soms lijkt op die welke door de
heilige Paulus beschreven wordt, mogen we de moed niet verliezen als we
tegenstand ontmoeten. God rekent op ons, dat wij de plaats waar we werken en
leven ten goede veranderen. Al lijkt het weinig en onbeduidend wat we kunnen
doen, zoals de korrel van het mosterdzaad, we mogen nooit nalaten te doen wat
we kunnen, omdat God op onze bijdrage rekent. Hij verzekert ons, dat er door
ons gebed en offer groei zal komen, en dat we vruchten zullen voortbrengen. Het
'beetje' dat we kunnen doen is, misschien, een vriend of studiegenoot de raad
geven een goed boek te lezen; of vriendelijk zijn voor een klant, een
medepassagier of collega; of iemand die hulp nodig heeft een kleine dienst
bewijzen; of voor een zieke vriend of het kind van de buren bidden, en hen
vragen voor ons te bidden; of iemand helpen te gaan biechten. En, altijd, het
goede voorbeeld en een blijde glimlach. Iedereen moet discreet, eenvoudig, maar
ook moedig apostolaat bedrijven. Dit kan als we verenigd blijven met God, als
we een gemakzuchtig, verburgelijkt bestaan afwijzen, als we lauwheid en
tegenzin overwinnen. «Deze tijd waarin we geroepen zijn te leven, vraagt vooral
van ons, dat we ons ten diepste verplicht voelen om altijd ijverig en enthousiast
te zijn. Dat kunnen we alleen, als we strijden. Alleen wie zich krachtig
inspant, is in staat vrede in de wereld te brengen, de vrede van Christus.»7
29.3 De verbreiding van het
evangelie, meestal via vrienden, collega's op het werk of buren, veroorzaakte
bij hele families een radicale levensverandering en zette hen op de weg naar
het eeuwige leven. Voor anderen was het aanstoot, en voor weer anderen een
dwaasheid.8 De heilige Paulus zegt tegen de
christenen in Rome, dat hij zich niet schaamt voor het evangelie, omdat het een goddelijke kracht is tot heil van ieder die erin
gelooft.9 De heilige Johannes
Chrysostomus verklaart: «Als iemand je benadert en vraagt 'of je iemand aanbidt
die gekruisigd is', laat dan je hoofd niet hangen uit schaamte of omdat je moet
blozen. Gebruik dat verwijt als een kans tot glorie en laat door je ogen en de
blik op je gezicht zien, dat je je niet schaamt. Als ze opnieuw in je oor
fluisteren: 'Wat! aanbid jij iemand die gekruisigd is?' antwoord dan 'Ja, ik
aanbid Hem' [...] Ik aanbid en verheerlijk een gekruisigde God die door zijn
kruis de duivels tot zwijgen bracht en alle bijgeloof wegnam. Voor mij is het
kruis de trofee van Gods liefde en vriendschap!»10
Dat is een goed antwoord. We kunnen het zelf gebruiken.
Van de eerste christenen moeten we leren om geen verkeerd
menselijk opzicht te hebben. We moeten van hen leren niet bang te zijn voor wat
anderen zullen zeggen. We moeten sterk erop gericht zijn Christus bekend te
maken, waar we ons ook bevinden, en ons helder bewust zijn van de schat die we
gevonden hebben11, de parel van grote waarde die
we na veel zoeken ontdekt hebben.12 De strijd
tegen het menselijk opzicht moet nooit ophouden, want vaak komen we in een
vijandige omgeving terecht als we Christus serieus van nabij proberen te
volgen, en als we in overeenstemming met ons geloof trachten te leven. Velen
die zich christen noemen, tonen weinig moed als ze moeten getuigen van hun
geloof. Ze lijken meer bekommerd te zijn om de mening van anderen dan om het
oordeel van Christus. Ze laten zich vaak door de stroom meeslepen, en ze zijn
bang om op te vallen.
Deze houding verraadt een zwak karakter, gebrek aan diepe
overtuiging en weinig liefde voor God. Natuurlijk is het soms moeilijk ons te
gedragen in overeenstemming met wat we zijn, christenen die hun geloof op elk
moment en in alle levensomstandigheden willen beleven. Maar deze situaties
zullen ook uitstekende gelegenheden zijn om Christus onze liefde te tonen, door
te vergeten wat anderen over ons kunnen zeggen en ons niet te laten beïnvloeden
door de publieke opinie. Want God heeft ons niet een geest
geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van kracht, liefde en
bezonnenheid. Schaam u dus niet van onze Heer te getuigen13, zegt de heilige Paulus tegen Timoteüs.
Dit was ook altijd de houding van degenen die ons voorafgingen
in de taak van de evangelisatie. En zelfs nog daarvoor! Wij hebben het
voorbeeld van Judas de Makkabeeër. In een periode dat zelfs
onder de Israëlieten er velen waren die [...] aan de afgoden offerden en de
sabbat niet meer hielden14, volgden hij
en zijn broers het voorbeeld van hun vader Mattatias, en verzetten zij zich
tegen die onrechtvaardigheid, en streden zij voor de eer van God, geestdriftig
voor Israël.15 Zoals Judas zelf zei: In de oorlog hangt de overwinning niet af van de grootte van het
leger, maar van de hulp van boven.16 Zo
ging het altijd bij zaken die God betreffen, van het begin van de Kerk tot in
onze tijd. God gebruikt wat klein en zwak is, om zijn werk te doen. We zullen
zijn hulp niet ontberen. Hij zal het kleine beetje dat we kunnen doen, veranderen
in een sterke kracht voor het goede.
Van het kruis van Christus komen de kracht en de moed die we
nodig hebben. Laten we naar Maria kijken. «Het gebrul van de menigte doet haar
niet terugdeinzen. Zij blijft de Verlosser vergezellen terwijl allen in de stoet,
in de anonimiteit van de massa, Christus op lafhartige wijze durven te
mishandelen.
»Roep haar vurig aan: Virgo fidelis!, trouwe Maagd!, en vraag
haar dat wij die ons vrienden van God noemen, dat ook echt en altijd mogen
zijn.»17
-1. Ez 17,22-24. -2. Mc 4,31-32. -3. 1 Kor 1,27.
-4. Vgl. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën op het Matteüsevangelie, 46. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 695. -6. Rom 1,24-31. -7. A. del Portillo,
Brief, 8 december 1976, 4. -8. Vgl. 1 Kor 1,23. -9. Rom 1,16.
-10. H. Johannes Chrysostomus, Homilie bij de brief aan de Romeinen, 2. -11. Vgl. Mt 13,44. -12. Vgl. Mt
13,45-46. -13. 2 Tim 1,7-8. -14. 1 Mak 1,41. -15. Vgl. 1 Mak 3,2.
-16. 1 Mak 3,18-19. -17. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 51.
|