Zestiende week. Dinsdag
14. Het nieuwe huisgezin van Jezus
-Onze vereniging met Christus is sterker dan enige
menselijke band. -Onthechting en persoonlijke verantwoordelijkheid om de
vereisten van onze roeping te vervullen. -Maria, Moeder van de Kerk en Moeder
van ieder van ons.
14.1 In het evangelie van vandaag vinden we Jezus aan het preken in een huis
zo vol met mensen dat zelfs zijn Moeder en andere verwanten er niet in slagen
binnen te komen. Dus sturen ze Hem een boodschap. Terwijl Hij nog tot het volk sprak, gebeurde het dat
zijn moeder en broeders buiten stonden om te trachten met Hem te spreken. Maar
Hij antwoordde aan degene die Hem dit kwam zeggen: Wie is mijn moeder en wie
zijn mijn broeders? En met een gebaar naar zijn leerlingen zei Hij: Ziedaar
mijn moeder en mijn broeders; want mijn broeder, mijn zuster en mijn moeder
zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader die in de hemel is.1
Bij een andere gelegenheid becommentarieerde een vrouw het
onderricht van Jezus met woorden van lof voor Maria: Gelukkig de schoot die U gedragen heeft en de
borsten die U hebben gevoed! Maar de Heer geeft de indruk deze
woorden te verwerpen als Hij antwoordt: Veeleer gelukkig die naar het woord van God luisteren en het
onderhouden! 2
Paus Johannes Paulus ii
analyseert de betekenis van deze woorden in verband met wat Jezus tegen Maria
en Jozef zei toen zij Hem in de tempel vonden na hun zoektocht van drie dagen.
Jezus zegt hun met een oneindige liefde en volkomen zuiverheid: Wat hebt ge toch naar Mij
gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn? 3 Vanaf zijn vroegste jaren was Jezus toegewijd
aan de dingen van zijn Vader. «Hij verkondigde het Rijk: 'Rijk van God' en
'dingen van de Vader', die ook een nieuwe dimensie en een nieuwe zin geven aan
al wat menselijk is en dus aan iedere menselijke relatie, in verband met de
doeleinden en de taken die aan iedere mens zijn toevertrouwd. Ook een band als
die van het 'broeder-zijn' betekent in deze nieuwe dimensie iets anders dan het
'broeder-zijn naar het vlees', dat voortkomt uit de gemeenschappelijke afkomst
van dezelfde ouders. En zelfs het 'moederschap' krijgt een andere zin in de
dimensie van het Rijk Gods, in de straal van het vaderschap van God zelf.»4
De Heer leert ons herhaaldelijk dat het doen van de Wil van
God de aanspraken van iedere menselijke band of autoriteit overstijgt, zelfs
die van het gezin. Jezus zegt ons, dat als wij Hem vanwege onze roeping des te
meer van nabij volgen, wij zullen ontdekken dat onze binding met Hem inderdaad
sterker is dan die met onze natuurlijke familie.5
De heilige Thomas zegt: «iedereen die de Wil van de Vader doet, wordt als een
broer van Christus: Hij die de wil van zijn Vader deed. Hij die niet alleen
Christus gehoorzaamt maar werkt om anderen te bekeren, om Christus in hen te
verwekken, wordt als de Moeder van Christus.»6 De
banden van bloed zijn ongetwijfeld sterk, maar nog sterker zijn de banden die
hun oorsprong hebben in een diepe liefde voor Christus. Er is geen menselijke
verbintenis, en het maakt niet uit hoe nauw die zou kunnen zijn, die sterker is
dan onze vereniging met Jezus en met diegenen die Hem volgen.
14.2 «'Wie is mijn moeder?' Neemt Jezus daarmee afstand van zijn
moeder-naar-het-vlees? Wil Hij haar misschien achterlaten in de verborgen
onbekendheid die zijzelf had gekozen? Als dit het geval schijnt te zijn, te
oordelen naar de toon van die woorden, moet men desondanks opmerken dat het
nieuwe en andere moederschap waarover Jezus met zijn leerlingen spreekt, juist
op een zeer bijzondere manier naar Maria verwijst.»7
Zij wordt door Jezus op een uitzonderlijke manier bemind daar zij inderdaad
zijn Moeder is naar het vlees. Maar Jezus houdt zelfs nog meer van haar en is
inniger met haar verenigd wegens haar getrouwheid aan haar roeping, aan de Wil
van de Vader. Om deze reden herinnert de Kerk ons eraan dat Maria «de woorden
opnam waarmee de Zoon in het verloop van zijn prediking, om de verhevenheid van
het rijk boven alle banden van vlees en bloed te doen uitkomen, degenen zalig
noemde die het woord van God aanhoren en onderhouden, zoals zijzelf het met
getrouwheid deed.»8
In het beleven van onze roeping behoren we te ontdekken dat
we zelfs een grotere liefde voor ouders, kinderen, broers en zussen gaan
ontwikkelen. God maakt het hart groter en fijngevoeliger, ook als Hij
onthechting van de dingen van deze wereld verlangt. Wij hebben dat grotere hart
nodig om onze roeping te vervullen, ofschoon we gewaarschuwd moeten zijn dat
onze roeping lijden kan veroorzaken bij degenen die ons het dierbaarst zijn. Zo
gebeurde het dat Maria en Jozef drie dagen lang naar Hem zochten. Maria, vol
van genade, en Jozef, de rechtvaardige, begrepen de woorden van Christus niet,
niettegenstaande al hun heiligheid. Later, terwijl zij de gebeurtenissen in
Christus' leven gadesloegen, begrepen zij meer; en Maria mocht zich in een
dieper begrijpen verheugen dan Jozef. Het moet ons dan ook niet verbazen, dat
soms onze familieleden onze roeping niet begrijpen.
Wat een vreugde is het, zelf deel te nemen aan die sterke
banden van eenheid met het nieuwe huisgezin van Jezus! Hoe moeten wij diegenen
liefhebben en helpen die met ons verenigd zijn met de banden van geloof en roeping!
Het is dan dat wij die woorden van de Heilige Schrift zullen begrijpen: Frater qui adiuvatur a fratre
quasi civitas firma.9 Een broer
door zijn broer geholpen is als een sterke stad. Niets kan naastenliefde en
broederschap die goed worden beleefd, overwinnen. «De macht van de
naastenliefde! Als jullie de gezegende broederlijkheid in praktijk brengen, is
de zwakte van ieder van jullie tegelijkertijd een steun, die jullie staande
houdt bij de vervulling van je plicht, zoals speelkaarten zich staande houden
die tegen elkaar gezet zijn.»10
14.3 Want mijn broeder, mijn zuster
en mijn moeder zijn zij die de wil volbrengen van mijn Vader die in de hemel
is. Wellicht hoorde Maria Hem die woorden feitelijk
zeggen of iemand kan ze voor haar hebben herhaald. Zij kende de sterke banden
die haar Zoon en haarzelf verenigden zeer goed. Het waren banden van nature en,
zelfs meer, het waren banden die berustten op haar volmaakte vereniging met de
Heilige Drieëenheid. Zij wist op een zelfs meer volmaakte wijze dat zij van
alle eeuwigheid was geroepen de Moeder te zijn van deze nieuwe familie van
Jezus. Zoals paus Johannes Paulus II heeft geschreven: «Door het geloof is Maria de moeder geworden van de Zoon die de Vader haar heeft
gegeven uit kracht van de Heilige Geest, terwijl zij haar maagdelijkheid
ongeschonden heeft bewaard. In hetzelfde geloof heeft zij de andere dimensie van het
moederschap ontdekt en aanvaard, welke Jezus heeft
geopenbaard gedurende zijn messiaanse zending. Men kan zeggen dat het
moederschap van Maria vanaf het begin deze dimensie had, dat wil zeggen, vanaf
het ogenblik van de ontvangenis en de geboorte van de Zoon. Van toen af was zij
'degene die geloofd heeft'. Terwijl de messiaanse zending van deze Zoon
duidelijk werd voor haar ogen en in haar geest, stelde zij zichzelf als moeder
steeds meer open voor de 'nieuwheid' van het moederschap welke haar deel zou
zijn aan de zijde van de Zoon.»11
Veel later, op Calvarië, openbaart Christus aan Maria de
volheid van haar geestelijk moederschap voor alle komende eeuwen: Vrouw, ziedaar uw zoon! 12 Jezus wijst naar Johannes, die de hele
mensheid vertegenwoordigt. Maria's moederschap strekt zich op een bijzondere
wijze uit naar alle gedoopten en naar hen die onderweg zijn naar de volheid van
het geloof. Dit, omdat Maria de Moeder is van de gehele Kerk, de grote familie
van de Heer die zal voortbestaan tot het einde der tijden.
Er is een verband tussen het ogenblik van de Blijde Boodschap
en het moment van de geboorte van de Kerk met Pinksteren. «De persoon die deze
twee momenten verbindt, is Maria: Maria te Nazaret en Maria in het cenakel te Jeruzalem. In
beide gevallen wijst haar discrete maar wezenlijke aanwezigheid de weg aan van
de 'geboorte uit de Heilige Geest'. Zo komt zij die als moeder aanwezig is in
het mysterie van Christus, krachtens de wil van de Zoon en door de werking van
de Heilige Geest tegenwoordig in het mysterie van de Kerk.»13 De aanwezigheid van Maria in de Kerk is een moederlijke
aanwezigheid. Precies zoals in een gezin de verhouding van moederschap en
kindschap uniek en onherhaalbaar is, zo is de relatie van Maria met elke
christen uniek en onherhaalbaar. In navolging van Johannes, die «haar bij zich
nam, zo streeft de christen ernaar binnen te treden in de straal van de werking
van de 'moederlijke liefde' waarmee de Moeder van de Verlosser 'zorg draagt
voor de broers van haar Zoon'».14
Zij zorgt voor elk van ons alsof wij haar enig kind waren.
Zij waakt over onze heiligheid en onze redding alsof zij geen andere kinderen
op aarde had. Wij moeten haar vele malen per dag aanroepen. Moeder! Als we deze
tijd van gebed beëindigen, moeten we haar vanuit het diepste van onze hart
zeggen, 'Moeder van mij, wijk niet van mijn zijde! Help mij altijd om dichtbij
uw Zoon te zijn'.
-1. Mt
12,46-50. -2. Lc 11,27-28. -3. Lc
2,49. -4. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris Mater,
20. -5. The Navarre Bible,
aantekening bij Mc
4,31-35. -6. H. Thomas van Aquino, Commentaar op het Matteusevangelie,
12. -7. Johannes Paulus ii, o.c. -8. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 58.
-9. Lc 2,50.
-10. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg,
42. -11. Johannes Paulus ii, o.c. -12. Joh 19,26 -13. Johannes Paulus ii, o.c., 24. -14. Ibidem, 45.
|