Zesde week. Maandag
46. Het offer van Abel
-Het beste uit ons leven is voor God: liefde,
tijd, bezit... -Waardigheid en edelmoedigheid in de voorwerpen voor de eredienst.
-Liefde voor Jezus in het tabernakel.
46.1 Het boek Genesis1 vertelt ons, dat Abel de beste vruchten en het beste deel van zijn vee
aan God offerde. Zijn offer was God welgevallig, in tegenstelling tot dat van zijn broer Kaïn die niet het beste van
zijn oogst offerde.
Abel was 'rechtschapen', dat wil zeggen, heilig
en godvruchtig. Het is niet de objectieve kwaliteit van het offer van Abel dat
het beter maakt, maar de overgave en edelmoedigheid ervan. Daarom zag God met
welgevallen naar het offer van Abel en zond Hij -volgens een oude joodse
traditie- vuur naar beneden om het te verbranden, als teken dat Hij het offer
aanvaardde.2
Ook in ons leven moet het beste voor God
bestemd zijn. We moeten het offer van Abel brengen, niet dat van Kaïn. We
moeten God het beste deel van onze tijd, van onze goederen, van ons leven
geven. We mogen Hem niet het slechtste geven, het overschotje, wat geen
opoffering kost of wat we niet nodig hebben. Voor God ons hele leven, maar dan
ook met inbegrip van de beste jaren. Voor de Heer heel ons bezit, maar als we
Hem een offer willen brengen, laten we dan het kostbaarste uitkiezen, zoals we
zouden doen wanneer we een dierbare iets willen geven. De mens is niet alleen
een lichaam of louter een ziel. Hij is uit beide gemaakt, materie en geest, en
daarom moet
hij zijn geloof en zijn liefde tot God tonen in uiterlijke, zichtbare daden.
Hoe meelijwekkend zijn degenen die voor iedereen tijd lijken te hebben behalve
voor God: geen tijd om een poosje te bidden of voor een bezoek aan het Heilig
Sacrament, dat niet meer vraagt dan enkele minuten... Of degenen die geld hebben
voor zoveel dingen maar zo krenterig zijn jegens God en de mensen. Geven
vergroot en veredelt altijd het hart. Uit gierigheid komt uiteindelijk een
jaloerse ziel voort, zoals die van Kaïn: hij kon de edelmoedigheid van Abel
niet verdragen.
«Wij moeten God het offer van Abel aanbieden.
Een offer van jong, mooi vlees, het beste van de kudde: van gezond en heilig
vlees; uit een hart dat maar één liefde kent: Gij, mijn God!; van een verstand
dat door diepgaande studie is gevormd en dat zich voor uw Wijsheid buigt; van
kinderlijke zielen, die nergens anders aan denken dan aan U te behagen. -
Ontvang vanaf nu, Heer, dit offer in een geur van zoetheid.»3 Voor U, Heer, het
beste van mijn leven, van mijn werk, van mijn talenten, van mijn bezit... zelfs
van dat bezit dat ik gehad zou kunnen hebben. Voor U, mijn God, alles wat U mij
in mijn leven gegeven hebt, onbeperkt, onvoorwaardelijk... Leer mij U niets te
ontzeggen, U altijd het beste te offeren.
Laten we God bidden, dat wij Hem in alle
situaties en omstandigheden steeds het beste dat we op dit ogenblik bezitten
weten aan te bieden. Laten we Hem bidden, dat er vele offers zoals dat van Abel
gebracht mogen worden: edelmoedige mannen en vrouwen die zich aan God
overgeven, vanaf hun jeugd. Harten die -op elke leeftijd- Hem alles weten te
geven wat Hij van hen vraagt, zonder af te dingen, zonder gierigheid... Ontvang,
God, dit liefdevolle en vreugdevolle offer!
46.2 «Het is mooi te beschouwen dat het eerste geloofsgetuigenis werd
gegeven door een zoon van Adam en Eva, en wel door het brengen van een offer.
Zo is het te verklaren waarom de kerkvaders in Abel een voorteken van Christus zagen: omdat hij
herder was, omdat hij een aan God welgevallig offer bracht, omdat hij zijn
bloed heeft vergoten, omdat hij 'een martelaar voor het geloof' was.
»Bij het hernieuwen van het Offer van Christus
bidt de liturgie tot God, dat Hij met welgevallen en goedgunstig neerziet op de
offeranden van de Heer, zoals Hij de gaven van Abel, 'de Rechtvaardige', heeft
willen aanvaarden (Vgl. Romeins Missaal, Eucharistisch Gebed I).»4 We moeten edelmoedig zijn en alles liefhebben wat betrekking heeft op
de eredienst aan God, want dat zal altijd gering en onvoldoende zijn in
vergelijking met wat de oneindige verhevenheid en goedheid van God waardig is.
Wij, christenen, moeten op dit gebied uiterst fijngevoelig zijn en
krenterigheid en gebrek aan achting vermijden. De Heilige Geest waarschuwt ons:
Dieren met een gebrek moogt gij niet
aanbieden; dan schept Jahwe geen behagen in u.5
Voor God het beste: een eredienst vervuld van
edelmoedigheid in de gewijde elementen die gebruikt worden, edelmoedigheid wat
tijd betreft, die nodig is -niet méér-, maar wel zonder haast, zonder de plechtigheden
of de persoonlijke dankzegging na de mis te bekorten. De waardigheid, kwaliteit
en schoonheid van de liturgische ornamenten en het gewijde vaatwerk brengen tot
uitdrukking, dat het beste dat we hebben voor God is; ze zijn teken van de
luister van de liturgie, die de zegevierende Kerk in de hemel aan de
Drieëenheid verleent, en ze zijn een machtige hulp om Gods aanwezigheid onder
ons te herkennen. Lauwheid, een futloos en kil geloof, doen ons onheilig omgaan
met de heilige zaken doordat we de glorie, eer en majesteit die de Heilige
Drieëenheid toekomen uit het oog verliezen.
«Herinnert u zich die scène uit het Oude
Testament, wanneer David een woning wil oprichten voor de Ark van het Verbond,
die tot dan toe in een tent werd bewaard? In dat tabernakel liet Jahwe op
geheimvolle wijze zijn tegenwoordigheid blijken, door middel van een wolk en andere buitengewone verschijnselen. En toch was
dat alles niet meer dan een schaduw, een afbeelding. Daarentegen is de
Heer werkelijk tegenwoordig in de tabernakels waar de heilige Eucharistie wordt
bewaard. Hier hebben wij Jezus Christus -hoe graag bid ik een uitdrukkelijke
akte van geloof!- met zijn lichaam, zijn bloed, zijn ziel en zijn
goddelijkheid. In het tabernakel waakt Jezus over ons...»6
In de woning van Simon de Farizeeër, waar Jezus
de goede zorgen die gasten normaal gesproken kregen, moest ontberen, wordt de
kwestie van het geld dat men voor Gods zaken besteedt heel duidelijk. Terwijl
Jezus verheugd is over de tekenen van berouw die Hij van die vrouw ontvangt,
mort Judas en berekent de kosten -volgens hem verkwisting- die men maakt.
Diezelfde avond besloot hij Jezus te verraden. Hij verkocht Hem voor ongeveer
hetzelfde bedrag als het reukwater gekost had: dertig zilverlingen, ongeveer
driehonderd denariën. «De vrouw die bij Simon de melaatse in Betanië kostbare
balsem over het hoofd van de Meester uitgoot, herinnert ons aan de plicht om in
de eredienst van God royaal te zijn. -Alle pracht, luister en schoonheid lijken
mij nog niet voldoende. -Tegen degenen die aanstoot nemen aan de rijkdom van
heilige vaten, ornamenten en altaarstukken, pleit de lof van Jezus: Opus enim bonum operata est in me, zij heeft een goed werk aan Mij gedaan.»7
De Heer zou ook, tegenover de toewijding van
ons leven, tegenover de edelmoedigheid die we op honderden manieren (in tijd,
goederen...) moeten kunnen zeggen: Hij
heeft een goed werk aan Mij gedaan, hij heeft zijn
liefde door daden getoond.
46.3 Bij zijn geboorte had Jezus niet eens de wieg van een arm kind ter beschikking.
Toen Hij met zijn leerlingen rondtrok, kon Hij ook vaak zijn hoofd nergens op
ter ruste leggen. Hij zou, van zijn kleren ontdaan, in de meest absolute
armoede sterven. Maar toen zijn dode lichaam van het kruis werd afgehaald en
overgegeven aan hen die Hem beminden en van nabij volgden, behandelden dezen
het met eerbied, respect en liefde. Jozef van Arimathea zou een lijkwade kopen
om het lichaam in te wikkelen, en Nikodemus de benodigde welriekende kruiden.
De heilige Johannes, misschien verrast, vertelt ons over de grote hoeveelheid
van die balsem, ongeveer honderd pond, meer dan dertig kilo. Ze begroeven Hem
niet op een gemeenschappelijk kerkhof, maar in een tuin, in een nieuw graf,
waarschijnlijk het graf dat Jozef voor zichzelf had laten maken. En de vrouwen bekeken het graf en zagen toe hoe
zijn lichaam werd neergelegd. Toen ze naar de stad
terugkeerden, bereidden ze nog meer balsem... Als het lichaam van Jezus bij
degenen is die van Hem houden, overtreffen allen elkaar in het laten zien wie Hem
het meest liefheeft.
In onze tabernakels is Jezus -levend!-
aanwezig, net zoals in Bethlehem of op Calvarië. Hij geeft zich aan ons, opdat
onze liefde Hem verzorgt en Hem het beste geeft dat we kunnen geven, en dat ten
koste van onze tijd, ons geld, onze inspanningen: van onze liefde.
Eerbied en liefde worden getoond door
edelmoedigheid ten opzichte van alles wat op de eredienst betrekking heeft.
Zelfs niet onder het voorwendsel van liefde tot de naaste mogen wij in onze
liefde voor God te kort schieten. Edelmoedig zijn voor de armen, die het
evenbeeld van God zijn, kan niet geprezen worden, als dit ten koste gaat van de
waardigheid in de eredienst aan God zelf, en nog veel minder als het niet
vergezeld gaat van enig persoonlijk offer. Als we God beminnen, zal de liefde
voor onze naasten toenemen, door daden en in waarachtigheid. Het is geen
kwestie van louter een prijs bepalen en in zulke zaken passen geen eenvoudige
wiskundige berekeningen; het gaat niet om het verdedigen van weelde, maar van
wat nodig is om liefde voor God te tonen, die ook op stoffelijke wijze tot
uitdrukking wordt gebracht.8 Zou het zinvol zijn als er geld is
voor de bouw van vrijetijds- en ontspanningsoorden, waarbij goede, zelfs
luxueuze materialen worden gebruikt, en dat er voor de goddelijke eredienst alleen maar armoedige, nee armzalige,
kille, saaie oorden bestaan? In zo'n geval zou de dichter gelijk hebben,
wanneer hij zegt, dat de naaktheid van sommige kerken «de openbaring naar
buiten van onze zonden en gebreken is: zwakheid, armoede, schuchterheid geloof
en gevoel, dorheid van het hart, gebrek aan gevoel voor het bovennatuurlijke...»9
De Kerk, waakzaam voor de eer van God, verwerpt
geen oplossingen die sterk verschillen van die van andere tijdperken; ze zegent
een armoede die zuiver is en uitnodigend. Wat zijn er niet schitterende kerken,
eenvoudig maar zeer waardig, in sommige dorpen, waar men over weinig financiële
middelen, maar wel over veel geloof beschikt! Wat de Kerk niet toestaat is
verwaarlozing, slechte smaak, weinig liefde voor God, waardoor men voor de
eredienst plaatsen of voorwerpen uitkiest waar men zelf nooit in zou willen
wonen en die men nooit in zijn eigen huis zou willen hebben!
Alle gelovigen zouden op duizend en een
manieren moeten helpen bij de zorg en het zorgvuldig behoud van alles wat met
de goddelijke eredienst verband houdt. De liturgische tekenen en alles wat op
de liturgie betrekking heeft, bereikt ons via de ogen. Na een liturgische
plechtigheid dienen de gelovigen gesterkt in hun geloof heen te gaan, met
grotere vreugde en aangemoedigd om God nog meer te beminnen.
Laten we Maria vragen ons te leren even
edelmoedig jegens God te zijn als zij, in grote en in kleine dingen, in de
jeugdjaren en op rijpere leeftijd...; en dat wij, zoals Abel, het beste weten te
offeren wat we op elk moment en in alle omstandigheden van ons leven bezitten.
-1. Eerste lezing, Jaar 1, Gen 4,5-25. -2. The Navarre Bible, noot
bij Heb
11,4. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 43. -4. The Navarre Bible, noot
bij Heb
11,4. -5. Lev 22,20. -6. A. del Portillo, Homilie, 20 juli 1986. -7. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 527. -8. Vaticanum ii, Const. Sacrosanctum Concilium, 124. -9. Paul Claudel, Absence et présence.
|