Vierde week. Maandag
27. HET PERSOONLIJK GEBED
-Gebed is noodzakelijk. Het voorbeeld van Jezus.
-Persoonlijk gebed; vertrouwvol gesprek met God. -De middelen aanwenden om
ingetogen te bidden en afleiding te vermijden.
27.1 Op een keer was
Jezus ergens aan het bidden...1 Veel passages uit het evangelie laten ons Jezus zien die
zich terugtrok en alleen wilde zijn om te bidden.2 In het bijzonder op de belangrijkste
momenten van zijn openbaar leven wordt het in zijn perspectief geplaatst: doop3, uitverkiezing
van de eerste apostelen4, de eerste wonderbare spijziging5, de gedaanteverandering6 enz. Het was voor
Jezus iets heel gewoons: «Soms bracht Hij de hele nacht door in een intieme
tweespraak met zijn Vader. Wat moeten de eerste leerlingen in liefde ontstoken
zijn door dat beeld van de biddende Christus!»7 Wat een steun voor ons!
In deze vastentijd kunnen we eens stil blijven staan bij een van de geheimen die we overwegen bij het bidden
van de rozenkrans: het gebed van Jezus' doodsangst in de Hof van
Olijven. Vlak voordat Hij zich overlevert aan lijden en sterven, gaat de Heer
met zijn apostelen naar die Hof op een landgoed,
Getsemane geheten, naast de Olijfberg. Jezus heeft heel vaak op die
plaats gebeden. Hij ging nu naar buiten en begaf zich volgens zijn gewoonte
naar de Olijfberg.8 Maar deze keer heeft het gebed van Jezus wel een heel
speciale kleur: het uur van zijn doodsstrijd was gekomen.
Aangekomen op Getsemane zegt Hij hun: Bidt, dat gij niet
in bekoring komt.9 Voordat
Jezus zich even terugtrekt om te bidden, vraagt Hij zijn apostelen ook te
blijven bidden. Jezus weet, dat hun de bekoring te wachten staat van de
ergernis hun Meester gegrepen te zien worden. Dat heeft Hij hun al aangekondigd
bij het Laatste Avondmaal, en nu waarschuwt Hij hen dat ze de proef niet zullen
doorstaan als ze niet blijven waken en bidden.
Het gebed is voor ons onontbeerlijk, want als we onze omgang met God laten schieten, kwijnt ons geestelijk
leven beetje bij beetje weg. «Als je niet meer bidt, leef je
aanvankelijk nog op je geestelijke reserves... en daarna, van bedrog.»10 Het gebed
verenigt ons juist met God, die ons zegt: los van Mij kunt gij niets.11 Het is goed met
volharding12 te
bidden, zonder het gebed een enkel ogenblik te laten verslappen. We moeten
spreken met Hem en een frequente omgang met Hem hebben, met aandrang, in alle
omstandigheden van ons leven. Laten we nu, in deze vastentijd, meer dan ooit
met Jezus de weg van het kruis gaan, en «wat is het moeilijk, Hem zonder gebed
te vergezellen!»13
De Heer onderricht ons met het voorbeeld van zijn leven, wat
onze basishouding moet zijn: altijd op de wijze van een kind met God praten.
«Want het inwendig gebed is mijns inziens niets anders dan het verkeer met een
vriend van wie wij weten, dat hij ons bemint.»14 We zouden altijd in Gods aanwezigheid
moeten zijn en de geheimen van ons geloof moeten overwegen. Die tweespraak met
God moet niet onderbroken worden; sterker nog, die moet plaatshebben te midden
van alle activiteiten. Het is echter onvermijdelijk dat het intenser is in die
perioden die wij dagelijks besteden aan geestelijk gebed: wij overwegen en
spreken in zijn aanwezigheid in de wetenschap dat Hij ons werkelijk ziet en
hoort.
Misschien is de noodzaak van het gebed, naast het gebod lief
te hebben, wel een van de punten die de Heer in zijn prediking het meest
benadrukt.
27.2 Hij verwijderde
zich van hen, ging ongeveer een steenworp verder, wierp zich op de knieën en
bad: 'Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker aan Mij voorbijgaan. Maar toch:
niet mijn wil, maar uw wil geschiede'.15
Als het geestelijk lijden zo groot is, dat het een
doodsstrijd wordt, richt de Heer zich tot zijn Vader met een gebed vol
vertrouwen. Hij noemt Hem Abba, Vader en richt intieme woorden tot Hem. Dat is
de weg die wij ook moeten volgen. Wij kennen in ons leven ogenblikken van
geestelijke vrede en andere van zeer heftige strijd, misschien van duisternis
en hevige smarten, en meer dan eens de verleiding op te geven... Het beeld van
Jezus in de Hof van Olijven geeft ons aan hoe we altijd moeten voortgaan: met
aanhoudend en vertrouwvol gebed. Om verder te komen op de weg naar heiligheid,
maar meer in het bijzonder als we de last voelen van onze zwakheid, moeten we
telkens onze toevlucht nemen tot het gebed, een intiem gesprek met de Heer.
Het openbaar en het gemeenschappelijk gebed waaraan alle
gelovigen deelnemen is heilig en noodzakelijk, want God wil ook zijn kinderen
in gebed bijeen zien16;
maar dat mag nooit in de plaats komen van het voorschrift van de Heer: als
gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur achter u en bidt tot uw Vader.17 De liturgie is
het openbaar gebed bij uitstek, «zij is het hoogtepunt waarnaar de Kerk in al
haar handelen streeft en tegelijkertijd de bron waaruit al haar kracht
voortvloeit [...]. Het geestelijk leven bestaat echter niet uitsluitend in het
deelnemen aan de heilige liturgie. Want al is de christen geroepen tot het
bidden in gemeenschap, toch moet hij ook zijn binnenkamer ingaan om in het
verborgen, zonder hinder van buiten, tot de Vader te bidden en zelfs, zoals de
apostel leert, te bidden zonder ophouden (1 Tes 5,17).»18
Het gebed dat met anderen samen gebeden wordt, moet ook een
persoonlijk gebed zijn. De lippen zeggen het op met bijbehorende pauzes, en
tegelijkertijd richt de geest alle aandacht erop.
In het persoonlijk gebed spreekt men met God, zoals in een
gesprek dat men met een vriend voert. Je weet dat Hij aanwezig is, altijd vol
aandacht voor wat we zeggen, Hij hoort ons en geeft antwoord. In dat intieme
gesprek, dat we ons nu voornemen met Hem te zullen voeren, openen we onze ziel
voor de Heer, aanbidden we Hem, zeggen we Hem dank, vragen we hulp, om, zoals
bij de apostelen, het goddelijk onderricht verder uit te diepen. «Je hebt me
geschreven: 'Bidden is spreken met God. Maar waarover?' -Waarover? Over Hem,
over jezelf: je vreugden, je verdriet, je successen en mislukkingen, je edele
ambities, je dagelijkse zorgen..., je zwakheden! Je dankbaarheid en je
wensen, je Liefde en je eerherstel. Kortom: Hem kennen en jezelf kennen: met
Hem omgaan!»19
Een anonieme onpersoonlijke smeekbede die tussen de andere
verloren gaat, kan ons gebed niet zijn, want God die elke mens verlost heeft,
verlangt met ieder van hen een tweespraak te houden. En aan het eind van ons
leven zullen heil of veroordeling afhangen van ons persoonlijk al dan niet op
Hem afgestemd zijn. Het moet het gesprek zijn van een concrete persoon -die een
ideaal nastreeft, een bepaald beroep heeft, een paar vrienden... en met enige
specifieke genade van God- met zijn Vader, God.
27.3 Toen stond Hij
op uit zijn gebed en ging naar zijn leerlingen, maar vond hen van droefheid in
slaap. Hij zei tot hen: Hoe kunt ge slapen? Staat op en bidt, dat ge niet op de
bekoring ingaat.20
De apostelen hebben het gebod van de Heer naast zich
neergelegd. Hij had hen daar achtergelaten, vlak bij Hem, om te waken en te
bidden om zo niet in bekoring te geraken. Ook nu echter houden zij niet genoeg
van Hem en laten zich overmannen door slaap en zwakte en laten zo Jezus in zijn
doodsstrijd alleen. Slaap, het teken van de menselijke zwakheid, heeft het
mogelijk gemaakt, dat zich een kwalijke droefheid van hen heeft meester
gemaakt: zwaarmoedigheid, gebrek aan geestelijke strijd, verwaarlozing van het
geestelijk leven.
Wij zullen niet in die toestand verzeilen als we de
tweespraak met God levend houden in elk moment van gebed. Laten we vaak onze
toevlucht nemen tot de vier evangelies en andere boeken -zoals het boek dat je
leest- om die tweespraak in goede banen te leiden, om de Heer dichter te
naderen voor Wie niets of niemand in de plaats kan komen. Veel heiligen hebben
dat gedaan: «Al die tijd durfde ik nooit, tenzij terstond na de communie,
zonder boek te gaan mediteren. Had ik bij mijn meditatie geen boek, dan was er
zo'n vrees in mijn ziel, alsof deze tegen een grote menigte moest strijden. Met
een boek bij de hand echter had mijn ziel een afdeling medestrijders, een
schild, waarop zij de slagen van de afleidende gedachten kon opvangen en was
mijn ziel getroost.»21
We moeten de middelen aanwenden om ons geestelijk gebed
ingetogen te doen zijn. Op een plaats die aangepast is aan onze omstandigheden;
ware het maar altijd mogelijk tegenover de Heer in het tabernakel. En op het
tijdstip dat we er in ons leefplan voor elke dag voor bestemd hebben. In het
gebed zouden we ook afleiding moeten voorkomen. Dat veronderstelt, in grote
lijnen, versterving van het geheugen en van het verbeeldingsvermogen, terzijde
stellen wat ons verhindert aandacht te hebben voor God. Vermijd, «dat je zinnen
wakker zijn en je ziel slaapt.»22
Als we welbewust tegen afleiding strijden, zal de Heer het
ons makkelijk maken de tweespraak met Hem opnieuw te beginnen. Verder heeft
onze engelbewaarder onder andere de opdracht onze voorspreker te zijn. Wat
telt, is die afleiding niet te zoeken en er niet uit eigen beweging bij te
blijven hangen. Ongezochte afleiding die ons ondanks onszelf overvalt en die we
kunnen afweren voor zover we ons ervan bewust zijn, doet niets af aan het
profijt of de verdienste van ons gebed. Een vader of moeder wordt niet boos als
hun kind, dat nog niet kan praten, de hele dag klanken zonder betekenis
uitkraamt. God kent onze zwakte en bewaart zijn geduld, maar we moeten Hem wel
vragen: «Verleen ons een geest van gebed.»23
Het zal God welgevallig zijn als we het besluit nemen elke
dag van ons leven vooruitgang te boeken in het geestelijk gebed. Ook die dagen wanneer het veel moeite lijkt te
kosten, het gebed moeizaam en droog is, want «het gebed is geen kwestie van spreken of voelen, maar van liefhebben. En je
hebt lief als je je best doet om iets tegen de Heer te zeggen, al zeg je in feite misschien niets.»24 Als we zo te werk gaan, zal heel ons leven
winnen aan rijkdom en kracht.
Het gebed is een machtige vuurtoren die licht geeft om
problemen beter te verlichten; om de mensen beter te kennen en hen zo te helpen
op hun tocht naar Christus; om de kwesties die door ons hoofd spoken op de
juiste plaats te zetten. Het gebed laat in de ziel een sfeer van sereniteit en
vrede achter die anderen aansteekt. De vreugde die erdoor opgewekt wordt, is
een voorproefje van het hemels geluk.
Geen enkele persoon ter wereld heeft een omgang met Jezus
gehad als zijn Moeder, de heilige Maria, die vele uren doorbracht met naar Hem
te kijken, met Hem te praten, met Hem vol eenvoud en verering te verzorgen. Als
we onze toevlucht nemen tot onze Moeder in de hemel, zullen we leren rechtstreekser, vol vertrouwen, te spreken met
Jezus en Hem van nabij te volgen, meer verenigd met zijn kruis.
-1. Lc 11,1-3. -2. Vgl. Mt 14,23; Mc
1,35; Lc 5,16. -3. Vgl. Lc 3,21. -4. Vgl. Lc 6,12. -5.
Vgl. Mc 6,46. -6. Vgl. Lc 9,29. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
119. -8. Lc 22,39. -9. Lc 22,40. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 445. -11. Joh,
15,5. -12. Vgl. Lc 18,1. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 89. -14. H. Theresia van Avila, Het boek van haar leven, 8, 2.
-15. Lc 22,41-42. -16. Vgl. Mt 18,19-20. -17. Mt 6,6. -18.
Vaticanum ii, Const. Sacrosanctum
Concilium, 10 en 12. -19. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 91. -20. Lc 22,44-45. -21. H. Theresia van Avila, Het boek van
haar leven, 4,13. -22. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 368. -23. Getijdenboek, Maandag van de 4e week, Slotgebeden
van het morgengebed. -24. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 464.
|