Zeventiende zondag door het jaar (A)
19. Het sleepnet
-Het net is een afbeelding van de Kerk, die zowel
rechtvaardigen als zondaars omvat. -De Kerk bestaat uit zondige mensen, maar
zij is zonder zonde. De Kerk behoort niet beoordeeld te worden op basis van
degenen die hun christelijke roeping niet hebben waargemaakt. -De vruchten van
de heiligheid.
19.1 Het evangelie van vandaag bevat een aantal parabels die het Koninkrijk
van de Hemel aangaan: de verborgen schat; de parel van grote waarde, gevonden
door een ondernemende zakenman; het in zee geworpen sleepnet dat vele soorten
vis ophaalt, sommige goed en andere slecht.1 De
vissers werpen de goede vis in de boten. De slechte vis wordt weggegooid. Het
in zee geworpen net is een afbeelding van de Kerk die zowel de rechtvaardigen
als de zondaars omvat. Bij andere gelegenheden onderwijst de Heer ditzelfde
idee. Zijn Kerk kent heiligen zowel als zondaars, zijn vrienden en die anderen
die het huis van de Vader verlaten om de erfenis, ontvangen bij het Doopsel, te
verspillen. Toch behoren allen tot de Kerk, hoewel op verschillende wijzen.
«Terwijl Christus echter heilig, schuldeloos en onbesmet was
(Heb 7,26), de zonde niet kende (2 Kor 5,21), doch alleen de misdaden van
zijn volk kwam uitboeten (vgl. Heb 2,17), omvat de Kerk integendeel zondaars in
haar eigen schoot en, terzelfder tijd heilig en tot uitzuivering geroepen,
streeft zij onophoudelijk de boetvaardigheid en de levensvernieuwing na.»2 Onverschillig welke zonden zij bedrijven, blijven
zondaars tot de Kerk behoren, daar zij de geestelijke goederen nog altijd
bezitten: zoals het onuitwisbare merkteken ontvangen bij doopsel en vormsel, de
goddelijke deugden van geloof en hoop te zamen met de liefde die zij ontvangen
van de andere christenen die strijden om heilig te zijn. Precies zoals een ziek
of verlamd deel van het lichaam hulp krijgt van het overige deel van het
lichaam, zo is het ook met het Mystieke Lichaam van Christus.
De Kerk «leeft ook in haar kinderen die niet in staat van
genade zijn. De Kerk strijdt in hen tegen het kwaad. Zij strijdt om hen in haar
schaapskooi te houden, hen door haar liefde weer tot leven te brengen. Zij
bewaart hen zoals iemand een schat bewaart waar men niet gemakkelijk van
scheidt; niet omdat zij een dood gewicht wil rondslepen Zij hoopt alleen dat
door de kracht van geduld, goedheid en vergeving de zondaar naar de volledige
vereniging zal terugkeren. Het is zoals de verdorde tak die de tijd wordt
gegeven om weer gezond te worden en opnieuw tot bloei te komen.»3 De Kerk vergeet geen dag dat zij een Moeder is. Zij
bidt voortdurend voor haar kinderen die ziek zijn. Zij wacht met een oneindig
geduld. Zij tracht hen te helpen met een uitbundige liefde. Wij moeten de Heer
onze gebeden, werk, vreugde en lijden opdragen omwille van hen die tot de Kerk
behoren maar die niet volledig deel hebben aan het leven van de genade. In het
bijzonder moeten wij hen in gedachten houden die wij persoonlijk kennen en die
zouden moeten terugkeren naar de volheid van het geestelijk leven.
19.2 De Kerk bestaat uit zondige mensen, in sommige gevallen grote zondaars,
toch is zijzelf zonder zonde. Precies zoals men van Christus kan zeggen dat Hij
van boven kwam en niet van onder, zo ook heeft de Kerk een goddelijke
oorsprong. Christus «heeft haar met zichzelf als zijn lichaam verenigd en haar
met de gave van de Heilige Geest tot glorie van God vervuld. [...] Deze heiligheid
van de Kerk blijkt en moet voortdurend blijken uit de vruchten van genade die
de Heilige Geest in de gelovigen voortbrengt. Op velerlei wijzen komt zij tot
uitdrukking bij ieder die in zijn levensstaat naar de volmaaktheid van de
liefde streeft en aldus de anderen sticht.»4 De
Kerk weet dat zij geen voortbrengsel is van deze wereld. Zij is geen cultureel
verschijnsel, noch een politieke instelling, noch een school van wetenschap,
maar een schepping van de hemelse Vader door Jezus Christus. «Christus heeft de
Kerk zijn woorden en werken gegeven, zijn leven en redding. Haar is deze schat
toevertrouwd voor alle komende geslachten.»5
Zondaars behoren tot de Kerk ondanks hun zonden. Steeds
kunnen zij terugkeren naar het huis van hun Vader, zelfs als het op het laatste
ogenblik van hun leven is. Omdat zij het doopsel hebben ontvangen, dragen zij
de hoop op verzoening met zich mee, die zelfs door de zwaarste zonden niet
wordt uitgewist. De zonde die de Kerk in haar kinderen aantreft, maakt geen
deel uit van haar. De zonde behoort toe aan haar vijand. We mogen niet toestaan
dat men de Kerk beoordeelt op basis van wat zij niet is.
Volgens Johannes Paulus ii
is de Kerk «een Moeder, door wie wij tot een nieuw leven worden geboren in God.
Een moeder moet worden bemind. Zij is heilig met betrekking tot haar Stichter,
haar werken en haar leer, maar zij is desalniettemin samengesteld uit zondige
mensen. Het is onze plicht een positieve bijdrage te leveren tot het leven van
de Kerk, haar te helpen vooruitgang te maken langs de weg van een steeds
vernieuwde trouw. Dit wordt niet bereikt door negatieve kritiek.»6
Als mensen over de zogenaamde gebreken van de Kerk in het
verleden of in het heden spreken, geven zij blijk van een verkeerd begrip van
de aard van deze bovennatuurlijke instelling. Geeft acht op uzelf en op heel de kudde, waarover de
Heilige Geest u tot leiders heeft aangesteld om Gods Kerk te hoeden, die Hij
zich verwierf door het Bloed van zijn eigen Zoon.7 Christus heeft over zijn Kerk gewaakt vanaf haar
stichting, haar gereinigd
door het waterbad met het woord, de kerk tot zich gevoerd als een heerlijke
bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet.8 Zoals de heilige Paulus aan Timóteüs schrijft, de
Kerk is het huis Gods...
pijler en grondslag van de waarheid.9
«Als wij van de Kerk houden, zullen wij er nooit een
ziekelijk belang aan hechten de zwakheden van sommige van haar kinderen naar
buiten te brengen als de fouten van de Moeder. De Kerk, de Bruid van Christus,
hoeft geen mea culpa
aan te heffen. Wij wel: mea
culpa, mea culpa, mea maxima culpa! Het enige ware mea culpa is de
persoonlijke schuldbekentenis, niet het signaleren en moedwillig overdrijven
van de menselijke fouten van sommige geloofsgenoten, alsof deze fouten
persoonlijk de heilige Kerk aan te rekenen zijn. Die fouten kunnen zover gaan
als waartoe mensen in staat zijn, maar nooit tot wat wij de oorspronkelijke en
constitutieve heiligheid van de Kerk noemen, die niet vernietigd of zelfs maar
geraakt wordt.»10
19.3 De Kerk is de bron van heiligheid in de wereld. Zij reikt de mensen
voortdurend de middelen aan om dicht bij God te geraken. «Zeker schittert onze
Heilige Moeder vlekkeloos in haar sacramenten waardoor zij haar kinderen het
leven schenkt en hen voedt; in haar geloof, dat nooit besmet is geworden; in
haar zeer heilige wetten, waardoor zij over alle mensen gezag heeft; en in haar
evangelische raden die zij aan alle mensen voorlegt; en ten slotte in haar
hemelse gaven en uitstraling, waardoor zij, met onuitputtelijke vruchtbaarheid,
legers van martelaren, maagden en belijders voortbrengt.»11
Als de bron van heiligheid heeft de Kerk door de eeuwen heen
vele heiligen voortgebracht. Eerst waren er de martelaren die hun leven gaven
voor het geloof. Later stelt de geschiedenis het getuigenis te boek van talloze
mannen en vrouwen die uit liefde tot God hun leven hebben besteed om anderen in
nood te helpen. Is er ooit een menselijke behoefte geweest waarvoor de Kerk
geen moederlijke bezorgdheid heeft getoond? Heel veel ouders hebben een
heldhaftig leven van stilzwijgend offer geleid terwijl zij trouw de vereisten
van hun goddelijke roeping vervulden. Zo ook zijn er de vele mannen en vrouwen
die naar de heiligheid streven te midden van de wereld door een apostolisch
celibaat te beleven. Samengevat, de Kerk is heilig omdat «allen in de Kerk, of
zij nu tot de hiërarchie behoren of onder haar leiding staan, geroepen zijn tot
de heiligheid.»12
Krachtens de heiligheid van haar Stichter is de Kerk, de
Bruid van Christus, voor eeuwig jong en prachtig, zonder vlek of rimpel.13 Zij is altijd de goddelijke liefde waardig. De
heiligheid van de Kerk is een onvervreemdbaar kenmerk, deel van haar aard dat
niet afhankelijk is van het aantal christenen noch van de grondigheid van hun
overgave. De Kerk is heilig tengevolge van het voortdurend handelen van de
Heilige Geest en niet vanwege het gedrag van haar menselijke ledematen. «Denk
er bovendien aan, dat zelfs als de valpartijen de moedige en waardevolle daden
in aantal zouden overtreffen, toch deze mystieke werkelijkheid -duidelijk,
onloochenbaar, ook al nemen wij die met onze zintuigen niet waar- zal blijven
bestaan, die het Lichaam is van Christus, van de Heer zelf, de werking van de
Heilige Geest, de liefdevolle aanwezigheid van de Vader.»14
Als leden van het Volk Gods, van het Mystieke Lichaam van
Christus, vragen wij de Heer ons verlangen naar persoonlijke heiligheid te doen
toenemen, zodat we waardige zonen van zijn Kerk mogen zijn. «Voor deze verheven
zending, gericht op de opbloei van een nieuw tijdperk van evangelisatie in
Europa, zijn vandaag evangelisten met een bijzondere voorbereiding nodig. Er is
behoefte aan boodschappers van het evangelie die specialisten zijn in
menselijkheid, die een diepgaande kennis bezitten van het hart van de
tegenwoordige mens, deel hebben in zijn vreugde en hoop, angst en droefheid, en
die tegelijkertijd contemplatief en verliefd op God zijn. Hiervoor hebben we
nieuwe heiligen nodig. De grote verkondigers van het evangelie in Europa zijn
de heiligen geweest. Wij moeten de Heer smeken de geest van heiligheid van de
Kerk te doen toenemen en ons nieuwe heiligen te sturen om de wereld van vandaag
te evangeliseren.»15
-1 Mt
13,44-52. -2. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen Gentium, 8.
-3. Ch. Journet, Théologie de l'Église.
-4. Vaticanum ii, o.c., 39. -5. M. Schmaus, Katholische Dogmatik,
vol IV. -6. Johannes Paulus ii, Homilie in Barcelona,
7 november 1982. -7. Hnd
20,28. -8. Ef
5,27. -9. 1 Tim 3,15.
-10. H. Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk, 7. -11. Pius xii,
Enc. Mystici Corporis,
29 juni 1943, 30. -12. Vaticanum ii, o.c., 39. -13. Ef 5,25-27. -14. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 22. -15. Johannes Paulus ii, Toespraak tot het Symposium van
Europese Bisschoppen, 11 oktober 1985.
|