Tweeëndertigste week. Zaterdag
36. Het smeekgebed en de goddelijke
barmhartigheid
-Ons vertrouwen op het smeekgebed is gebaseerd
op de oneindige goedheid van God. -Altijd naderen tot de goddelijke barmhartigheid.
-De voorspraak van de Maagd.
36.1 De Heer heeft ons op velerlei wijze de
noodzaak van het gebed geleerd evenals de vreugde waarmee Hij onze smeekbeden
aanvaardt. Hij zelf bidt de Vader om ons een voorbeeld te geven van hetgeen wij
zouden moeten doen. God weet wel dat elk moment van ons bestaan de vrucht is
van zijn goedheid, dat wij alles nodig hebben en zelf niets bezitten. Juist
echter omdat Hij ons met een oneindige liefde bemint, wil Hij dat wij onze
afhankelijkheid erkennen, want het bewustijn van ons 'niets' is voor ons een
grote weldaad, die ons ertoe brengt ons niet een ogenblik van zijn bescherming
te scheiden.
Om ons tot zulk een smeekgebed aan te sporen
wilde Jezus ons alle mogelijke waarborgen
geven, terwijl Hij ons tegelijkertijd liet zien hoe wij altijd dienen te
bidden. Hij voerde redenen daarvoor aan, stelde voorbeelden om ons dat goed te
laten begrijpen. Het evangelie van de heilige Mis toont ons de weduwe die zich
al maar door bij een onrechtvaardige rechter beklaagt; deze wilde zich niet om haar bekommeren1,
maar door het aandringen van de vrouw aanhoorde hij haar tenslotte toch.
Zou God dan geen recht verschaffen aan
zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen en naar wie Hij genadig
luistert? Als degene die onrechtvaardig en
onbillijk is, uiteindelijk besluit haar toch maar recht te verschaffen, wat zal
Degene die oneindig goed, rechtvaardig en barmhartig is dan wel niet doen?
Terwijl die rechter vanaf het begin een houding van verzet tegen de weduwe
aanneemt, is Gods houding daarentegen altijd vaderlijk en ontvankelijk: de
goddelijke barmhartigheid tegenover de armoede van de mensen.
De redenen die de
rechter uit de gelijkenis aanvoert om de weduwe ter wille
te zijn, zijn oppervlakkig en weinig krachtig. Tenslotte zei hij bij zichzelf: Al bekommer ik mij om God
noch gebod, toch zal ik die weduwe recht verschaffen om niet langer geplaagd te
worden door haar eindeloze bezoeken . De «reden» van God is daarentegen zijn
oneindige liefde. Jezus
besluit de parabel aldus: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt! Zou God dan geen recht verschaffen
aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen en naar wie Hij genadig
luistert? En de heilige Augustinus tekent aan:
«Daarom moeten degenen die God met aandrang smeken heel zeker zijn, want Hij is
de bron van rechtvaardigheid en erbarming.»2 Als
standvastigheid de rechter die «tot alle misdaden in staat is, mild stemt, met
hoeveel te meer reden moeten wij dan niet neerknielen en de Vader van barmhartigheid,
God, smeken?»3
De liefde van de kinderen Gods moet tot
uitdrukking komen in de standvastigheid en het vertrouwen, want «als het soms
wat duurt voordat Hij geeft, dan verhoogt Hij zijn gaven in prijs, Hij weigert
ze niet. Het verkrijgen van iets waarop men lang gehoopt heeft is zoeter... Bid,
zoek, dring aan. Door te bidden en te zoeken zult ge de noodzakelijke groei
krijgen om de gave te verwerven. God bewaart voor u wat Hij u niet meteen wil
geven, opdat ge leert vurig naar de grote dingen te verlangen. Daarom moet ge bidden en daarin niet versagen.»4 We mogen ons nooit laten ontmoedigen
in onze smeekbeden tot God. «Mijn God, beminnen. -Mijn God, leer mij bidden!»5 Beide zaken vallen samen.
36.2 Het vurig gebed van een rechtvaardige vermag veel.6 En het vermag zoveel, omdat wij in
naam van Jezus bidden.7 Hij stelt zich aan het
hoofd van ons gebed en treedt als Middelaar op bij God de Vader.8 De Heilige Geest wekt in ons het smeekgebed, wanneer
we niet eens weten wat we moeten vragen. Degene die ons de gunst moet verlenen,
bidt met ons mee opdat ons die verleend wordt; hoe kunnen we meer zekerheid
wensen? Alleen ons onvermogen om te ontvangen beperkt Gods gaven. Zoals wanneer
men naar een bron gaat met een kleine kruik vol gaten.
De Heer is rijk aan barmhartigheid
en ontferming ten aanzien van onze gebreken en
kwalen. De Heilige Schrift toont de Heer dikwijls als een God van
barmhartigheid, en zij gebruikt daartoe ontroerende uitdrukkingen: Hij heeft innige barmhartigheid, Hij bemint met innige liefde10 zoals moeders dat doen... De heilige Thomas, die herhaaldelijk
benadrukt dat de goddelijke almacht op bijzondere wijze in de barmhartigheid
uitstraalt11, leert hoe overvloedig en oneindig
deze barmhartigheid in God is: «Van iemand zeggen dat hij barmhartig is -zo
onderricht de heilige- is alsof men zegt dat zijn hart vol van ellende is,
ofwel dat hij bij de ellende van de ander hetzelfde gevoel van droefenis krijgt
als hetwelk hij zou ervaren, wanneer het zijn eigen ellende betrof; daardoor
komt het, dat hij zich inspant om de droefheid van de ander te genezen alsof
het om zijn eigen droefheid ging, en dat is het effect van de barmhartigheid.
Welnu, God behoeft niet bedroefd te worden om de ellende van de ander; maar
ellende genezen -en onder ellende verstaan we ieder willekeurig gebrek- dat
komt God het meest toe.»12
In Christus wordt, aldus paus Johannes
Paulus ii, Gods barmhartigheid
heel bijzonder zichtbaar. «Hij zelf belichaamt en personifieert haar. Hij is in
zekere zin de barmhartigheid zelf.»13 Hij kent
ons zeer goed en krijgt medelijden met de ziekte, de slechte financiële situatie
waarin we misschien verkeren..., met de pijnen die het leven soms met zich meebrengt. «Het is waar dat ieder van ons
graag zijn eigen boontjes dopt; maar God onze Heer vindt het niet erg als wij
Hem al onze noden voorleggen bij de heilige Mis. Wie heeft er niet iets te vragen?
Heer, deze ziekte... Heer, dit verdriet... Heer, deze vernedering die ik niet uit
liefde tot U schijn te kunnen verdragen... Wij verlangen het welzijn, de vreugde
en het geluk van onze huisgenoten; ons hart is bedrukt om het lot van hen die
hongeren en dorsten naar brood en gerechtigheid, hen die de bitterheid van de
eenzaamheid ondergaan en hen die hun stervensuur ingaan zonder een vriendelijke
glimlach of een helpende hand. Maar wat ons werkelijk doet lijden, de grootste
menselijke mislukking die we wensen te bestrijden, is de zonde; de scheiding
van God; het gevaar dat zielen voor alle eeuwigheid verloren kunnen gaan.»14 De staat van de ziel van hen met wie wij het meest
omgaan, moet onze eerste zorg zijn, de dringendste smeekbede die we elke dag
tot de Heer doen opstijgen.
36.3 Het christenvolk heeft zich alle
eeuwen door gedrongen gevoeld zijn smeekbeden tot God te richten via Maria,
zijn Moeder en tevens ook onze Moeder. Te Kana in Galilea toonde zij duidelijk
hoe machtig haar voorspraak kan zijn; zij liet dat zien in een situatie van
materiële behoefte: een bruidspaar dat misschien voor een grotere toeloop van
vrienden en bekenden kwam te staan dan voorzien was. De Heer had bepaald, dat zijn uur vervroegd zou
worden vanwege het verzoek van zijn Moeder. «In het openbare leven van Jezus
verschijnt zijn Moeder -zo merkt het Tweede Vaticaans Concilie op- op
betekenisvolle wijze allereerst bij de aanvang, wanneer zij op de bruiloft te
Kana in Galilea, door medelijden bewogen, door haar voorspraak het begin van de
messiaanse tekenen van Jezus heeft ingeleid.»15
Vanaf het begin is het verlossingwerk van Jezus vergezeld van Maria's
aanwezigheid. Bij die gelegenheid werd niet alleen, op overvloedige wijze, het
gebrek aan wijn op het bruiloftsfeest opgelost, maar het wonder bevestigde -zoals
de evangelist uitdrukkelijk aanduidt- het geloof van hen die Jezus het meest
nabij volgden. Zo maakte Jezus te Kana
in Galilea een begin met de tekenen en openbaarde zijn heerlijkheid. En zijn
leerlingen geloofden in Hem.16
De heilige Maagd Maria, altijd bedacht op de
moeilijkheden en noden van haar kinderen, zal de bedding zijn waardoor onze
smeekbeden snel bij haar Zoon komen. En zij zal ze rechtzetten, als ze een
beetje scheef zijn. «Waarom zouden de smeekbeden van Maria bij God zo'n grote
werking hebben?» vraagt de heilige Alfonsus Maria van Liguori zich af. En de
heilige antwoordt: «De gebeden van de heiligen zijn gebeden van dienaren,
terwijl die van Maria gebeden van een moeder zijn; vandaar hun kracht en het
gezag dat zij bezitten; en omdat Jezus zijn Moeder onmetelijk liefheeft, moet
zij wel verhoord worden, als zij iets vraagt [...].
»Om de grote goedheid van Maria goed te leren kennen,
moeten we herinneren aan wat het evangelie vermeldt [...]. De wijn was op, met
bijgevolg grote ontsteltenis bij het bruidspaar. Niemand vraagt de
allerheiligste Maagd bij haar Zoon een goed woordje te doen voor de verwarde
bruid en bruidegom. Maar Maria's hart, dat niet anders kon dan medelijden
hebben met de ongelukkigen [...], bracht haar ertoe om zelf de taak van voorspreekster
op zich te nemen en haar Zoon om het wonder te vragen, hoewel niemand haar
daarom had gevraagd [...]. Als Onze Lieve Vrouw gehandeld heeft zonder dat zij
erom gevraagd werd, wat zou het dan niet geweest zijn, als ze haar wel hadden
gevraagd?»17
Vandaag, zaterdag, die we heel bijzonder aan
Onze Lieve Vrouw trachten toe te wijden, is een goede gelegenheid om veelvuldiger
en met meer liefde onze toevlucht tot haar te zoeken. «Bid tot je moeder Maria,
tot de heilige Jozef, tot je engelbewaarder..., dat zij tot de Heer spreken en
Hem zeggen wat jij door je logheid niet onder woorden weet te brengen.»18
-1. Lc 18,1-8. -2. H. Augustinus, in Catena Aurea, vol. VI,
bl. 295 -3. Theophilactus, in Catena Aurea, vol. VI, bl. 296. -4. H. Augustinus, Preek 61, 6-7. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 66. -6. Jak 5,16. -7. Vgl. Joh 15,16;16,26. -8.Vgl.
H. Cyrillus van Jeruzalem,
Commentaar op het evangelie van Johannes, 16,23-24. -9. Jak 5,11. -10. Vgl. Ex 34,6; Joel 2,13; Lc 1,78. -11. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, I, q21, a4; II-II, q30, a4. -12. Ibidem, I, q21, a3. -13. Johannes Paulus ii,
Enc. Dives in misericordia, 30 november 1980, 2. -14. H.
Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk,
Utrecht 1994, 47. -15. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 58. -16. Joh 2,11. -17. H. Alfonsus Maria van Liguori, Verkorte preken, 48. -18.
H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 272.
|