Negentiende week. Dinsdag
41. Het verloren schaap
-God houdt altijd van ons, ook als we afdwalen. -God houdt
van ieder persoonlijk. -Ons leven is het verhaal van de liefde van Christus.
Hij heeft vaak met voorliefde naar ons gekeken.
41.1 In het evangelie van vandaag1 lezen we
een van de meest ontroerende parabels over de goddelijke ontferming. Een man
met honderd schapen -dat is een grote kudde- verliest één schaap;
waarschijnlijk verdwaalde het omdat het achterbleef terwijl de andere schapen
naar nieuwe weiden zochten. En Jezus zegt: De herder, zal hij dan niet de
negenennegentig in de bergen alleen laten om op zoek te gaan naar het
verdwaalde? En gelukt het hem dat te vinden, [...] dan zal hij over dat ene
meer verheugd zijn dan over de negenennegentig die niet verdwaald waren.
Hoe vaak heeft Jezus ons weer opgezocht, ondanks ons gebrek
aan edelmoedigheid en medewerking. Hoewel wij zijn aandacht niet verdienen
omdat we door eigen schuld afdwalen, blijft Hij toch steeds weer naar ons op
zoek. Géén van de schapen kreeg zoveel aandacht als het dier dat was
afgedwaald. De zorg die de goddelijke ontferming over ons, zondaars, uitstort,
is overweldigend. Hoe zouden wij, die van tijd tot tijd de weg kwijtraken, dan
de schouders van de Goede Herder kunnen weigeren? Hoe zouden wij dan niet graag
regelmatig biechten, want dáár is het toch waar wij Christus vinden? We moeten
accepteren dat we zwak zijn en zullen struikelen. Het is juist deze zwakheid,
als we die tenminste erkennen, waardoor de goddelijke ontferming wordt
aangetrokken en ons gegeven wordt met nóg meer hulp en nóg meer liefde. «Jezus,
onze Goede Herder, haast zich om het honderdste schaap dat de weg is
kwijtgeraakt, terug te vinden... Wat een geweldige tegemoetkoming van God om de
mens op te zoeken; wat een grote waardigheid moeten wij hebben dat God ons op
deze wijze opzoekt!»3
We mogen altijd op de liefde van Christus rekenen. Zelfs op
de slechtste tijden in ons leven blijft Hij van ons houden. Wij kunnen er
altijd op rekenen dat Hij ons zal helpen op het rechte pad terug te keren,
wanneer we dat verloren hebben en we mogen steeds opnieuw beginnen. «Een
kapitein heeft meer waardering voor een soldaat die, nadat hij in een eerste
gevecht vluchtte, zich opnieuw in de strijd begeeft en dapper de vijand
aanvalt, dan voor een soldaat die nooit vluchtte maar ook geen opvallende moed
betoonde.»4
Heilig wordt niet wie nooit zondigt, maar wél wie voortdurend
berouw toont en vertrouwt op Gods liefde voor hem, wie opstaat en de strijd
weer aangaat. Het ergste op zichzelf is niet dat we gebreken hebben. Het ergste
is aan die gebreken gewend te raken en ze niet meer te willen bestrijden, in de
veronderstelling dat die nu eenmaal bij ons karakter horen. Zo'n slappe houding
leidt tot geestelijke middelmatigheid. De Heer wil niet dat dit gebeurt met
degenen die Hem volgen.
41.2 Jezus houdt van iedereen zoals hij is, met zijn gebreken. Zijn liefde
tot ons doet Hem niet vergeten hoe elke mens is. Hij ziet ze met hun
tegenstrijdigheden en zwakheden, met geweldige mogelijkheden om goed te doen en
met een ellende die vaak zo duidelijk is. «Christus weet wat er in de mens
omgaat. Hij alleen weet het!»5 Hij houdt van ons
zoals we zijn.
Hoe goed begrijpt Jezus het menselijk hart en wat een
positieve opvatting heeft Hij over onze bekwaamheden! «Jezus' oog weet door de
sluier van de menselijke hartstochten heen te kijken en door te dringen tot in
het diepste van de mens, daar waar hij volkomen alleen is, arm en naakt.»6 Hij heeft altijd begrip voor ons en hij moedigt ons
altijd aan om te blijven strijden. Waren we ons maar meer bewust van de
persoonlijke liefde die Christus voor iedereen heeft, van zijn zorg en
bekommernis voor ieder van ons!
God houdt van ons. Dit is de grootste waarheid van ons leven,
de enige die in staat is ons altijd op te beuren, de enige die ons gelukkig
maakt ondanks zorgen en tegenslagen. Jezus blijft altijd van ons houden ondanks
de diepgewortelde ellende die in het menselijk hart woont. «Zijn liefde
'ondanks alles' is zo onvergelijkbaar, zo uniek, zo moederlijk teder en
edelmoedig, dat het voor eeuwig in de herinnering van de mensheid gegrift zal
zijn. [...] Zijn liefde voor de mensheid is totaal verschillend van de
abstracte welwillendheid die door denkers en filosofen wordt gepredikt. Het is
niet eenvoudigweg een leer, maar het leven zelf. Meer nog, het is lijden en
sterven met de mensheid. De Heer beperkt zich niet alleen tot het overwegen van
het menselijk lijden en daarvoor een verzachtend geneesmiddel voor te
schrijven. Hij maakt zelf werkelijk contact met dat lijden. Hij kan het niet
verdragen om te weten dat dit lijden bestaat zónder het zelf op zich te nemen.
De liefde van Jezus stijgt boven de grenzen van zijn eigen hart uit opdat Hij
anderen naar zich toe zal trekken, of, beter gezegd, opdat Hij loskomt van
zichzelf, zodat Hij zich kan identificeren met anderen en met hen te leven en
te lijden.»7
Hij noemt de mensen broer en vriend, en verbindt zo op
sympathieke wijze zijn lot met dat van hen, en in die mate, dat alles wat voor
een ander gedaan wordt aan Hemzelf wordt gedaan.8
De evangelisten stellen onophoudelijk vast dat Hij intens met de mensen
meeleeft.9 Hij had medelijden met hen omdat ze waren als schapen zonder
herder.10 Hij wordt bewogen door
pijn en verdriet. Hij kan het niet verdragen om aan een ziel in nood voorbij te
gaan, zelfs niet aan de Syrofenicische vrouw, die toch een heidense was.11 Hij staat meteen klaar om degenen te helpen die
naar Hem toekomen, zelfs wanneer het betekende dat er anderen waren die Hem
erop wezen dat hij de Sabbat schond.12 Hij trekt
op met tollenaars en zondaars, ook al voelen zij, die van zichzelf vinden dat
ze volgens de Wet leven, zich te schande gezet. Zelfs in doodsstrijd kan Hij
het niet nalaten tot de goede moordenaar te zeggen: Heden nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.13
Zijn liefde staat geen klasse-onderscheid toe. Hij verwelkomt
de rijken, zoals Nikodemus, Zacheüs en Jozef van Arimathea en de armen, zoals
Bartimeüs, een bedelaar, die, eenmaal genezen, Hem op zijn weg volgde. Op zijn
reizen wordt Hhij soms ook vergezeld door vrouwen, die voor Hem zorgen.14 Hij ziet onmiddellijk om naar hen die lichamelijk
ziek zijn, maar bovenal naar hen wier zielen ziek zijn. Zijn zorg strekt zich
niet alleen uit tot de meest noodlijdenden en beperkt zich niet tot degenen die
geen geluk en geen vrienden hebben. Eenzaamheid, gebrek aan liefde zijn
boosdoeners die in alle lagen van de bevolking voorkomen...
Ons leven is het verhaal van Christus' liefde voor ons. Hij
heeft vaak met voorliefde naar ons gekeken en heeft ons steeds weer opnieuw
opgezocht wanneer wij verdwaald waren. We zouden ons vandaag moeten afvragen
hoe wij meewerken aan zijn voortdurende bekommernis voor ons. Welke
inspanningen doen wij om de sacramenten regelmatig en vroom te ontvangen?
Streven wij ernaar Christus te herkennen in de geestelijke begeleiding en ook
wanneer wij een broederlijke terechtwijzing ontvangen? Kijken wij met
dankbaarheid naar onze Herders, aan wie de Kerk de zorg voor onze zielen heeft
toevertrouwd? Weten wij hoe in deze omstandigheden uit te roepen: Het is de
Heer!?
41.3 Jezus heeft mij liefgehad en
zichzelf voor mij overgeleverd.15 Dit is de grote waarheid die ons troost.
Jezus toont ons zijn liefde door zijn leven te geven. Hij houdt van ieder van
ons alsof wij het énige voorwerp van zijn liefde zijn. We zouden vaak over deze
waarheid moeten mediteren: God houdt van mij. Dit overtreft de stoutste
verwachtingen van het menselijk hart. Niemand zou zonder de goddelijke
Openbaring naar deze verheven roeping durven raden of erkennen waartoe ieder
persoonlijk en wij allen geroepen zijn: Gods zoon of dochter te zijn, geroepen
om een hechte band te hebben als een vriend, om deel te nemen aan het leven van
de drie goddelijke Personen. Met ogen die gericht zijn op het aardse lijkt dit
een droom, of nauwelijks geloofwaardig, maar het is de waarheid, de grote
waarheid die ons ertoe zou moeten aanzetten om mee te werken.
Jezus houdt nooit op van ons te houden, te helpen, te
beschermen, met ons te spreken, zelfs niet in onze momenten van ondankbaarheid
of wanneer we daden van pure ontrouw hebben begaan. Misschien was het juist wel
in zulke verdrietige omstandigheden dat de Heer ons het meest zijn aandacht
gaf, zoals de parabel van vandaag suggereert. Van de honderd schapen uit de
kudde had alleen het verlorene de eer om op de schouders van de goede herder te
mogen rusten. Ik zal
altijd met u zijn16, in iedere
situatie, op ieder moment, zegt de Heer ons. En vooral als we die laatste reis
naar Hem beginnen.
Omdat we er zeker van mogen zijn dat de Heer dicht bij ons
is, moeten we ertoe bewogen worden steeds weer opnieuw te beginnen aan de
inwendige strijd, zonder dat we ontmoedigd worden door de negatieven ervaring
van onze fouten en zonden. Ieder moment van ons leven is uniek en schept
daardoor een goede gelegenheid om opnieuw te beginnen, omdat, zoals we in het
boek Deuteronomium lezen: de
Heer gaat voor u uit, Hij zal met u zijn: Hij geeft u niet prijs en laat u niet
in de steek. Wees dus niet bang of bevreesd.17
Gedurende vele eeuwen had de Kerk de woorden van deze psalm
op de lippen van de priesters en de gelovigen gelegd, aan het begin van de mis: Ik ga naar uw altaar, God die
blijdschap geeft aan mijn jeugd.18
Deze woorden werden herhaald toen de priesters en de mensen nog jong waren, én
toen de jaren van hun volwassenheid reeds lang voorbij waren. Zij zijn de roep
van de ziel die recht naar Christus gaat, die weet dat hij bemind wordt en
liefde verlangt.
«God houdt van mij... En de apostel Johannes schrijft: Wij hebben Hem lief, omdat Hij
ons het eerst heeft liefgehad. -Alsof dat nog niets is, komt
Jezus naar ieder van ons, ondanks onze onloochenbare onnozelheden, om aan ons
zoals aan Petrus te vragen: Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij meer lief dan dezen?...
-Dat is het moment om te antwoorden: Heer, Gij weet alles, Gij weet dat ik U liefheb;
en daar nederig aan toe te voegen: help mij U meer te beminnen, Heer,
vermeerder mijn liefde.»19 Dit zijn verlangens
die ons vandaag kunnen helpen. Zij zullen ons dichter bij Christus brengen. Hij
wacht op ons om met Hem mee te werken.
-1. Mt
18,12-14. -2. Lc
15,6. -3. H. Bernardus, Preek voor de eerste week in de
advent, 7. -4. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over de eerste brief aan de Korintiërs.
-5. Johannes Paulus ii, Homilie 22 oktober
1978. -6. K. Adam, Jezus Christus.
-7. Ibidem.
-8. Mt
25,40. -9. Mc
8,2. -10. Mc
6,34. 11. Mc
7,26. -12. Mc
1,21. -13. Lc
23,43. -14. Lc
8,3. -15. Gal
2,20. -16. Mt
28,20. -17. Eerste lezing.
Jaar I, Dt
31,8. -18. Ps
42,4. -19. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse,
497.
|