Twintigste zondag door
het jaar (C)
48. Het vuur van de goddelijke liefde
-Vertrouwen in de liefde die God voor ons heeft en altijd
gehad heeft. -Liefde vraagt om liefde. Dit antwoord is het best zichtbaar in
daden. -Anderen inspireren met de liefde van Christus.
48.1 Vuur wordt in de Heilige Schrift vaak gebruikt als een symbool voor de
liefde van God, een liefde die de mens reinigt van zijn onzuiverheden. Liefde
is als het vuur dat
nooit zegt: 'Het is genoeg'.1 Liefde wordt ontstoken door contact met
God: Mijn hart begon
te gloeien in mijn borst, de vlam sloeg uit, toen ik erover nadacht, roept de psalmist uit.2 Met Pinksteren
kwam de Heilige Geest over de apostelen in de vorm van vurige tongen, om hun
hart te zuiveren en hen voor te bereiden op hun missie: het koninkrijk van
Christus te verbreiden over de wereld.3
Jezus zegt ons in het evangelie van vandaag: Vuur ben Ik op aarde komen
brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait! 4 De liefde vindt haar ultieme uitdrukking in
Christus zelf: Zozeer
immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft
gegeven.5 Jezus deed vrijwillig
afstand van zijn leven voor ons. Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn
leven geeft voor zijn vrienden.6
Daarom vertelt Hij ons van zijn heilig ongeduld om zijn doopsel tot vervulling
te brengen door te sterven aan het kruis en de mensheid te verlossen: Ik moet een doopsel ondergaan,
en hoe beklemd voel Ik Mij totdat het volbracht is.7
De Heer wil dat het vuur van zijn liefde onze harten doet
ontbranden, ze volledig verlicht. Hij houdt van ieder van ons met een
persoonlijke liefde, alsof ieder van ons het enige voorwerp van zijn liefde
was. Hij is nooit opgehouden van ons te houden, ons te helpen, ons te beschermen,
met ons te communiceren... zelfs wanneer wij ondankbaar zijn, wanneer we
zondigen of zelfs wanneer we zwaar zondigen. De Heer blijft ons altijd zijn
welwillendheid tonen. God bemint niet met een voorwaardelijke liefde. Hij
bemint ons volkomen, onvoorwaardelijk, met heel zijn wezen, met zijn oneindigheid.
Dit mysterie van de liefde is bijzonder duidelijk in het geval van zijn Moeder,
de heilige Maagd.
Maria, onze Moeder, is een spiegel waarin we onszelf zouden
moeten spiegelen. Zij leefde een gewoon leven, zo, dat geen van haar verwanten
of buren wist wat er in haar hart was. Zelfs Jozef zou het niet geweten hebben,
als God het niet aan hem geopenbaard had. Onze Lieve Vrouw, Gods meest
begenadigde schepsel, bleef altijd volkomen gewoon. Bij de boodschap van de
engel, toen Gods speciale liefde voor haar bijzonder duidelijk was, aanvaardde
zij Gods eeuwige plan voor haar. Hoe groot was haar geloof! Te beseffen dat ze
in haar de redding van Israël droeg, de vervulling van alle profetieën! Ze
geloofde niet alleen in Gods volledige liefde, maar geloofde zonder het
kleinste voorbehoud.
Maria leert ons van God te houden zonder grenzen. Ze helpt
ons nu ons geweten te onderzoeken wat betreft de kwaliteit van onze liefde tot
God. «Het heeft geen zin om een lauwe liefde te hebben tot God die ons met zo'n
vuur liefheeft.»8 Brandt ons hart, zoals dat van
de heilige Maagd? Of is ons hart koud, een hoop as geworden?
God houdt van mij. Dat is een fundamenteel feit van mijn
bestaan. Al het andere is veel minder belangrijk.
48.2 Liefde roept om liefde. Dit antwoord is het best zichtbaar in daden, in
de dagelijkse inspanning om met God verbonden te zijn, om onze wil gelijk te
maken aan zijn wil. In de tweede lezing van vandaag wordt ons bemoediging
gegeven voor deze dagelijkse strijd.9 Zeker in
de wetenschap dat we omringd zijn door zulk een wolk van getuigen,
de heiligen, moeten we profiteren van hun voorbeeld en hun bijstand. Laten ook wij [...] elke last en
belemmering van zonde van ons afwerpen en volharden in de wedloop die ons is
voorgeschreven, het oog gevestigd op Jezus, grondslag en voleinding van het
geloof... We hebben onze blik op Hem gericht, zoals
de hardloper die zich door niets van zijn doel zal laten afhouden. We zullen
elke gelegenheid tot zonde met beslistheid en kracht uit de weg gaan, hoewel gij nog niet tot bloedens toe
weerstand geboden hebt. We moeten bereid zijn,
indien nodig, zover te gaan in onze strijd tegen de zonde, zelfs tegen de dagelijkse
zonde. Het is beter te sterven dan God te beledigen, ook al is het maar in iets
kleins.
We moeten vele malen per dag 'ja' zeggen tegen de Liefde. We
moeten Jezus antwoord geven in duizend gewone gebeurtenissen van het dagelijks
leven: door ons dingen te ontzeggen en degenen met wie we leven en werken te
dienen; door gematigd en sober te leven met kleine verstervingen van de zinnen;
door precies te zijn in de vervulling van onze plichten; door ordelijk te zijn,
thuis en op het werk; door de inspanning te doen die vereist is om goed te
bidden; door blij de wil van God te aanvaarden wanneer die niet past in onze
plannen of wensen... Zo zeggen we 'ja' tegen God in de kleine overwinningen van
iedere dag. Vaak moeten we 'nee' zeggen tegen onszelf wanneer we ons 'ja' tegen
de Liefde in ere moeten houden: door onze ogen te bewaken; door vele gemakken
en gerieven op te geven; door te weigeren vroegtijdig bij ons werk weg te
gaan... De Heilige Geest kan ons vele aanwijzingen geven, hoe we het best Christus'
oneindige liefde voor ons kunnen beantwoorden.
Liefde wordt getoond in verdriet om de zonden, in berouw. Zo
vaak zeggen we 'nee' tegen de Liefde, misschien zonder er veel aandacht aan te
schenken. Dan moeten we een diepere liefdesdaad verrichten als antwoord op ons
beledigen van God. We moeten de goddelijke genade zoeken die gevonden kan
worden in het sacrament van boete en verzoening. «Wie niet echt berouw heeft,
bemint niet echt; het is duidelijk, wanneer we van iemand houden, vinden we het
erg als we hem beledigd hebben. Dit is een van de effecten van echte liefde.»10
Maar een
van de serafs vloog op mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van
het altaar had genomen, hij raakte er mijn mond mee aan en sprak: 'Zie, nu zij
uw lippen heeft aangeraakt, is uw zonde verdwenen, en uw schuld bedekt'.11 We vragen de Heer onze ziel te zuiveren met het
vuur van zijn liefde. «O Jezus..., sterk onze zielen, effen de weg, en vooral,
maak ons dwaas van Liefde: maak van onze levens zulke vreugdevuren, dat zij de
aarde doen ontvlammen met het goddelijk vuur dat u gebracht hebt.»12
48.3 Wij christenen moeten een vlam zijn die doet ontbranden, zoals Jezus
zijn leerlingen deed ontbranden. Niemand die ons gekend heeft mag onverschillig
blijven. Onze liefde moet levend zijn, een brandend vuur dat andere vuren van
liefde en apostolaat doet ontbranden. De Heilige Geest zal door ons werken,
door de sintels aan te blazen die al uitgegaan lijken te zijn maar die nog tot
leven gebracht kunnen worden en terugkeren naar de volheid van het christelijk
leven. Het geeft niet dat we onszelf zien als nutteloze, onbetekenende
personen, eerder belemmeringen dan geschikte instrumenten. De Heer wil alleen
dat wij alles geven wat we kunnen. Hij zal de rest doen. We moeten niet
vergeten dat een klein vonkje al een bosbrand tot gevolg kan hebben. Hoe
behaagt het de Heer te horen dat wij het weinige dat we zijn, offeren! «Je
schreef: Ik hoor U roepen, mijn Koning, met levende stem, die nog natrilt: ignem veni mittere in terram,
et quid volo nisi ut accendatur? -Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe
verlang Ik dat het reeds oplaait! -Later voegde je
eraan toe: Heer, ik antwoord U -mijn hele ik- met mijn zintuigen en
mogelijkheden: ecce
ego quia vocasti me! -hier ben ik omdat U me hebt geroepen! -Moge dat antwoord voor jou een dagelijkse realiteit zijn.»13
Ware liefde voor God wordt getoond in het apostolaat, in ons
verlangen dat anderen Jezus Christus kennen en liefhebben. «Met de verbluffende
natuurlijkheid van het goddelijke stijgt de beschouwende ziel in het apostolaat
boven zichzelf uit: 'mijn hart brandde in mijn binnenste en in mijn gebed laaide
vuur op'. Wat kan dit vuur anders zijn dan dat waarvan Christus spreekt: Vuur ben Ik op aarde komen
brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait! Vuur van het
apostolaat, dat aangewakkerd wordt door het gebed»14,
in nauwe verbondenheid met Christus.
Dit is de haard waaraan we ons apostolisch vuur voeden. Voor
het tabernakel ontvangen we licht en sterkte. We zullen spreken tot Jezus over
onze kinderen, over onze ouders, over onze broers en zussen, over onze vrienden,
over die persoon die we onlangs ontmoet hebben, over de mensen die we op ons
werk en in ons gezinsleven tegenkomen. Niemand moet met lege handen van ons
weggaan. Aan iedereen moeten we op een of andere wijze, met een woord, door ons
voorbeeld, door ons gebed, verkondigen dat Christus langs komt, dat Christus op
ons wacht, dat Christus wil dat wij Hem dienen. «De wereld weergalmt nog van de
goddelijke uitroep: Vuur
ben Ik komen brengen op aarde, en wat verlang ik anders dan dat het oplaait?
En wat zie je: bijna overal is het uitgedoofd... Wil jij je niet inspannen om die
brand te verspreiden?»15
We vertellen Jezus dat Hij op ons kan rekenen, op onze
armzalige sterkte en onze schrale talenten: Ecce ego quia vocasti me. Hier ben ik, Heer,
omdat Gij mij geroepen hebt. En we vragen Onze Lieve Vrouw, Regina Apostolorum,
dat ze ons leert moedig te zijn wanneer we anderen naar haar Zoon brengen.
-1. Spr 30,16. -2. Ps 38,3. -3. Vgl. Hnd 2,2-4. -4. Lc 12,49. -5. Joh 3,16. -6. Joh 15,13. -7. Lc 12,50. -8.
H. Alfonsus van Liguori, Bezoeken aan het heilig Sacrament, 4. -9. Heb 12,1-4. -10. H. Thomas van Aquino, Over het voorschrift van de
naastenliefde, 205. -11. Jes 6,6-7. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 31. -13. Ibidem, 52. -14. Idem, Als Christus nu langs komt, 120. -15. Idem, De Weg, 801.
|