Vierentwintigste week. Woensdag
24. het woord ten goede gebruiken
-Het woord is een grote gave van God en moet niet ten kwade
aangewend worden. -Christus navolgen in zijn vriendelijk gesprek met allen.
Onze woorden dienen te verrijken, te bemoedigen, te troosten... -Onze gesprekken
ten gunste van anderen aanwenden. Nooit en over niemand kwaadspreken.
24.1 Door
te verwijzen naar liedjes en spelletjes van de kinderen van toen, geeft Jezus
een antwoord aan degenen die de betekenis van zijn leer verdraaiden: Zij gelijken op kinderen die op het
marktplein zitten en die elkaar toeroepen: 'wij hebben voor jullie op de fluit
gespeeld en jullie hebt niet gedanst; wij hebben een treurlied gezongen en
jullie hebt niet gehuild'. Dan gaat Hij verder met te spreken over
hoe Johannes de Doper werd behandeld. Immers: Johannes komt, eet niet en drinkt niet, en ze
zeggen: 'Hij is van de duivel bezeten!' De Mensenzoon komt, eet en drinkt wel,
en ze zeggen: Kijk die gulzigaard en wijndrinker, die vriend van tollenaars en
zondaars!1 «Het vasten van de
Doper leggen zij uit als het werk van de duivel; terwijl zij Jezus beschuldigen
dat Hij een gulzigaard is. De evangelist schrikt er niet voor terug om deze
laster en beschuldigingen die tegen de Heer worden geuit, te vermelden; anders
zouden wij geen weet hebben van de omvang van de kwaadwilligheid van degenen
die zoveel woedende tegenstand tonen ten opzichte van Hem die weldoende
rondging.»2
De goddelijke wijsheid wordt op verschillende wijzen door
Johannes en Jezus geopenbaard. Johannes bereidde de weg voor de Heer door de
prediking van boete. Jezus, volmaakt God en volmaakt mens, brengt het heil, de
blijdschap en de vrede. De heilige Johannes Chrysostomos merkt op: «Langs de
ene of de andere weg zou men het Koninkrijk der hemelen kunnen bereiken.»3 De Heer besluit zijn betoog met deze woorden: Maar de Wijsheid vindt rechtvaardiging
bij al haar kinderen. Velen van de Farizeeën en schriftgeleerden
bleken niet in staat de wijsheid te ontdekken waarvoor ze stonden. In plaats
van de lof te zingen van de langverwachte Messias, spreken zij kwaad van Hem en
verdraaien zij opzettelijk zijn woorden. Hun ogen kunnen de wonderen, die voor
hen gebeuren, niet zien. Hun harten zijn gesloten voor God. Hoe verschillend is
de reactie van die andere mensen aan wie de Heer bij zoveel gelegenheden het
zwijgen oplegde, omdat het uur van zijn openlijk naar buiten treden nog niet
gekomen was. En toen het wel gekomen was, waren zijn lijden en sterven al op
handen: Toen Hij de stad naderde,
begon heel de menigte van zijn leerlingen, reeds op de helling van de
Olijfberg, opgetogen en met luide stem God te prijzen wegens alle wonderen die
zij gezien hadden, en zij riepen 'Gezegend de Koning, die komt in de Naam des
Heren! Vrede in de hemel en eer in den hoge!' 4 Enige Farizeeën onder het volk zeiden tot Hem: Meester, geef uw leerlingen een
terechtwijziging. Hij antwoordde: Ik zeg u: als zij zwijgen, zullen de stenen roepen.
Onze spraak is een gave van God. We dienen hem te gebruiken
om Gods lof te zingen en om gunstig te spreken over anderen, maar nooit om
schade aan te brengen. «Maak er een gewoonte van om over alles en iedereen
vriendelijk te spreken, vooral over hen die in dienst van God werken. En als
dat niet kan, houd dan je mond! Ook bruuske en lichtvaardige commentaren kunnen
uitlopen op kwaadsprekerij en laster.»5
24.2 Jezus
genoot van het gezelschap van zijn leerlingen. Jezus heeft in het gesprek
«verkwikking gevonden; dit wordt bijna voelbaar wanneer men alleen maar de
hoofdstukken bij de apostel Johannes leest, met de vertrouwelijke woorden die
die Jezus sprak tot zijn apostelen tijdens het Laatste Avondmaal. Het gesprek
heeft Jezus zeer dikwijls gekozen tot hulpmiddel van zijn apostolaat: hij sprak
met mensen terwijl Hij langs de straten ging, terwijl Hij onder de zuilengang
van Salomon wandelde; Hij sprak in de huizen, met de mensen uit zijn omgeving,
zoals Maria die aan zijn voeten zat, zoals Johannes die het hoofd tegen zijn
borst liet rusten.»6 Hij weigerde nooit tot
iemand te spreken. We hoeven ons slechts de voorbeelden te herinneren van
Nikodemus, die 's avonds laat kwam, de Samaritaanse vrouw bij de put van
Jakob en de goede moordenaar op Calvarië. Jezus opent zijn armen voor iedereen.
Hij heeft woorden van troost voor ieder die Hem zoekt met een oprecht hart. Wij
moeten de Heer in dit opzicht navolgen. Misschien moeten we de neiging
overwinnen om dingen te zeggen zonder erbij na te denken. Dit is een geweldige
kans om de strijd tegen het egoïsme aan te gaan, een gevecht dat onmiddellijk
vruchten afwerpt voor ieder in onze omgeving.
Onze spraak moet ten dienste van het goede staan: om degenen
die lijden te troosten, om de onwetenden te leren, om op een hoffelijke wijze
degenen terecht te wijzen die zich vergissen, om de zwakken te versterken. De Heilige
Schrift wijst ons erop, dat de
tong van de wijzen genezing brengt.7
We kunnen onze spraak gebruiken om het rechte pad te wijzen aan hen die
misschien van de waarheid zijn afgedwaald. Een Spaans schrijver heeft enige
wijze woorden over dit onderwerp geschreven: «Op een keer, toen we in de
Pyreneeën reisden met enige vrienden, waren wij midden op de dag verdwaald... We
waren te midden van gierende winden toen we opeens een geklingel in de verte
hoorden. We ontdekten een troep paarden aan het grazen op een stukje gras. We
gingen die richting uit in de hoop dat we hulp zouden vinden... Daar vonden we
een man die uit een rots gemaakt leek te zijn. We vroegen hem de richting en
hij wees de weg en zei: 'Die waterweg...' De wind was zo hevig dat we niets
anders konden verstaan dan deze twee woorden... De 'waterweg' was de weg van het
smeltwater. Het was niet zomaar een stroom of een kanaal, maar 'die waterweg'.
Begrijpt u wat ik bedoel? Dit is wat ik bedoel met communicatie.»8 «Ik ontdek ook hoe ik mij door het converseren
verrijk. Dat men vaste overtuigingen heeft, is inderdaad mooi; ze zo te
bezitten dat men ze anderen kan meedelen, en te zien hoe ze door die anderen
gedeeld en gewaardeerd worden is nog mooier.»9
Er zijn veel mensen in ons leven die slachtoffer zijn van hun
eigen pessimisme, onwetendheid en onzekerheid. Onze woorden kunnen hen brengen
op het pad van blijdschap, vrede en de ontdekking van hun eigen roeping. Het is
langs 'die weg' dat ze de Heer zullen vinden.
24.3 De
spraak is «een van de kostbaarste gaven van God aan de mensen, het allermooiste
geschenk om de diepe gevoelens van liefde en vriendschap jegens God en zijn
schepselen te doen blijken.»10 We mogen deze
gave niet op een onnadenkende of lichtzinnige wijze gebruiken. We moeten altijd
de waarschuwing van de apostel Jakobus voor ogen houden, dat de tong een vuur is, een wereld van
ongerechtigheid.11 De schade die
hij aanricht kan komen van nutteloze woordenwisselingen, sarcasme, laster enz.
Hoeveel vriendschappen zijn er niet verwoest door tongen die niet in bedwang
werden gehouden!
Hoe groot was de achting van Jezus voor de gave van het
woord! Ik zeg u, van ieder onnut
woord dat de mensen spreken, zullen zij rekenschap moeten afleggen op de dag
van het oordeel.12 Zo'n woord is
wat niets goeds voortbrengt, voor de spreker noch voor de luisteraar. Een
onbeheerste wijze van spreken, die wijzen van spreken die moeilijk in overeenstemming
te brengen zijn met een persoon die de nabijheid van God zoekt, zijn gewoonlijk
een uiting van lauwheid en geestelijke leegte. Een goed mens brengt uit zijn schat van goedheid goede
dingen te voorschijn, maar een slecht mens uit zijn schat van slechtheid slechte
dingen.13
De Heer zal ons beoordelen op hoe wij zijn gaven hebben
gebruikt. «Nadat ik gezien heb, waaraan zoveel mensen hun leven verspillen
-praten, praten en nog eens praten, met alle gevolgen van dien- lijkt me het
zwijgen nog noodzakelijker en aantrekkelijker. En ik begrijp heel goed, Heer,
dat U verantwoording vraagt over ieder overbodig woord.»14 Van een oppervlakkig en inhoudsloos gesprek is het
een korte weg tot kwaadsprekerij of laster. Het is moeilijk de tong in bedwang
te houden als men niet probeert in de tegenwoordigheid van God te leven. De
christen mag nooit iets slechts zeggen over iemand. Integendeel, de christen
moet handelen als Christus, die weldoende
rondging.15 Een deel van dit
weldoen is positief spreken over anderen. Dit gedrag hoort tot in de
eenvoudigste details door te dringen, zoals de manier waarop wij iemand
groeten. Onze houding hoort te zijn: wat ben ik blij dat ik u ben tegengekomen!
-1. Lc
7,31-35. -2. Vgl. The Navarre
Bible, aantekening bij Mt 11,16-19. -3. H. Johannes
Chrysostomus, Preken
over het evangelie van Matteüs, 37,4. -4. Lc 19,37-38. -5. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 902.
-6. A. Luciani, Brieven aan beroemde mensen, Haarlem 1978, bl.
199. -7. Vgl. Spr
12,18. -8. J. Maragall, Elogio de la palabra, Madrid 1970, bl. 24. -9.
A. Luciani, o.c., bl. 199. -10. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden
van God, 298. -11. Jak
3,6. -12. Mt 12,36.
-13. Mt 12,35. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 447. -15. Hnd 10,38.
|