Tiende week door het jaar. Dinsdag
23. Het zout dat zijn kracht verloren heeft
-Lauwheid. -Echte vroomheid, gevoelens en geestelijke
droogte. -Wij moeten het zout der aarde zijn. De
noodzaak van het innerlijk leven.
23.1 De Heer zegt tot zijn
leerlingen dat zij het zout der aarde zijn1; uitwerking in de wereld is als de uitwerking van
zout in voedsel: het voorkomt bederf en maakt het aangenaam en smakelijk voor
de tong. Maar zout kan zijn kracht verliezen of bederven. Dan wordt het tot
last. Het is, samen met de zonde, het droevigste wat een christen kan gebeuren:
er zijn om licht te geven aan velen, en duisternis worden; een
richtingaanwijzer op de weg zijn, en omver getrokken worden; gemaakt zijn om de
kracht van velen te zijn, en niets over houden dan zwakte.
Lauwheid is een kwaal van de ziel die het verstand en de wil
aantast en de christen achterlaat zonder apostolische kracht, en met een droef
en verarmd innerlijk. Deze kwaal begint met een verzwakte wil, veroorzaakt door
regelmatige tekortkomingen en schuldige nalatigheid; daardoor ziet het verstand
Christus niet meer helder aan de horizon van zijn leven. Het gevolg is een
dusdanige verwaarlozing van de kleine dingen in de liefde tot de Heer, dat de
mens van Hem verwijderd raakt. Zijn innerlijk leven ondergaat een diepe
verandering: Jezus Christus staat bij hem niet langer in het middelpunt; zijn
vroomheidsnormen blijven leeg van inhoud, zonder ziel en zonder liefde. Hij
onderhoudt ze uit routine of gewoonte, niet uit liefde.
In deze toestand verliest hij, bij alles wat op God betrekking
heeft, de slagvaardigheid en de blijdschap, kenmerken van een verliefde ziel.
Een lauwe christen 'houdt het wel voor gezien', is een 'vermoeide ziel' bij de
pogingen zich te beteren. Christus is vervaagd aan de horizon van zijn leven.
De ziel ziet de Heer, hoogstens, als een verwijderde gestalte, niet tastbaar,
met onbepaalde trekken, wellicht onverschillig. Hij bevestigt zijn edelmoedigheid
niet meer door daden, zoals vroeger: hij stelt zich met minder tevreden.2
De heilige Thomas wijst als kenmerk van deze toestand aan:
«een zekere droefheid, waardoor de mens traag wordt in het verrichten van
geestelijke daden, vanwege de inspanning die deze met zich meebrengen.»3 Onze normen van vroomheid en godsvrucht zijn dan
eerder een slecht te verdragen last, dan een motor die voortstuwt en helpt om
onze moeilijkheden te boven te komen.
Veel christenen zijn verzonken in lauwheid, als zout zonder
smaak. Laten wij vandaag in het gebed nadenken, of wij voortgaan met de
standvastigheid die Jezus van ons vraagt; of wij het gebed koesteren als de
schat die mogelijk maakt dat het innerlijk leven niet tot stilstand komt; of
wij onze liefde voeden. Laten we nadenken of er, tegenover onze zwakheden en
tekortkomingen in het beantwoorden aan de genade, bij ons spontaan akten van berouw
opkomen, die de bres herstellen die de vijand geslagen had.
23.2 De toestand van de lauwe
ziel mag niet verward worden met de dorheid in onze daden van godsvrucht, die
soms teweeg wordt gebracht door vermoeidheid of ziekte, of door een verlies van
voelbaar enthousiasme. Ondanks de droogte, is onze wil in deze gevallen
standvastig in het goede. De ziel weet, dat zij rechtstreeks op weg is naar
Christus, ook al gaat ze over een veld vol stenen, waar ze geen enkele bron
vindt en de stenen haar voeten pijn doen. Zij weet waar haar bestemming is, zij
gaat er recht op af, ondanks de vermoeidheid en de dorst en het slechte terrein
waarover ze loopt.
In de dorheid blijft, ook al heeft de ziel geen enkel gevoel
en lijkt de omgang met God moeizaam, de werkelijke godsvrucht, die de heilige
Thomas omschrijft als de «vastbesloten wil om zich over te geven aan alles wat
behoort tot de dienst aan God».4 Deze wordt zwak in de toestand van lauwheid. Ik heb tegen u -zegt de
Heer- dat gij uw eerste liefde hebt opgegeven5, dat gij verzwakt zijt, dat gij mij niet langer
liefhebt als vroeger.
Diegene die met hardnekkigheid vasthoudt aan het gebed, ook
in een tijd van dorheid, van gebrek aan gevoel, voelt zich wellicht als hij die
water haalt uit een put, emmer na emmer: het ene schietgebedje na het andere,
een akte van eerherstel... Het is veeleisend en het kost moeite, maar hij haalt
water naar boven. In de lauwheid gaat daarentegen de verbeelding vrijelijk zijn
gang, en we wijzen niet met volharding de vrijwillige verstrooiingen af, en we
zetten het gebed in de praktijk opzij met de verontschuldiging, dat we er toch
geen baat bij vinden. De werkelijke omgang met God is echter, ook als ze dor
is, als de Heer dit zo toelaat, altijd vol vruchten, in welke omstandigheid dan
ook, zolang er een echte en vastbesloten wil bestaat om met Hem te zijn.
Wij moeten ons nu weer herinneren, in de tegenwoordigheid van
God, dat de werkelijke vroomheid geen zaak is van gevoel, ook al zijn
gemoedsaandoeningen goed en kunnen ze een grote hulp zijn bij het gebed, en in
het gehele innerlijk leven, want ze zijn een belangrijk deel van de menselijke
natuur, zoals God die geschapen heeft. Toch mogen ze niet de eerste plaats
innemen bij de godsvrucht; ze zijn niet het belangrijkste deel van onze relatie
met de Heer. Het gevoel is een hulp en niets meer, want het wezen van de
vroomheid is niet het gevoel, maar de vastbesloten wil om God te dienen,
onafhankelijk van de erg veranderlijke toestanden van de ziel en van welke
andere omstandigheid dan ook. In de godsvrucht moeten we ervoor oppassen ons
niet te laten leiden door het gevoel, maar door het verstand, verlicht en
geholpen door het geloof. «Mij laten leiden door het gevoel is de leiding over
het huis overgeven aan de dienstknecht, en zorgen dat, de heer des huizes er
afstand van doet. Het gevoel zelf is níet slecht, maar wél het belang dat men
eraan toekent...»6
Lauwheid is onvruchtbaar, het krachteloze zout deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen
vertrapt te worden.7 De dorheid kan
daarentegen een positief teken zijn, nl. dat de Heer deze ziel verlangt te
zuiveren.
23.3 De mensen kunnen oorzaak van
vreugde of droefheid zijn, van licht of duisternis, een bron van vrede of van
onrust, gist dat doet rijzen of een dode last die de tocht van anderen
vertraagt. Bij onze reis over deze aarde kunnen wij niet onverschillig staan
tegenover anderen: wij helpen ze om Christus te ontmoeten of houden hen van Hem
af; wij verrijken hen of verarmen hen. En we ontmoeten zoveel vrienden, collega's,
familieleden, buren..., die als blinden achter aardse goederen aan lijken te
gaan, die hen verwijderen van het werkelijk goede, Jezus Christus. Ze lopen als
verdwaalden. En opdat de gids niet even blind is als de blinden8, is het niet voldoende de weg slechts te kennen van
horen zeggen, via anderen. Om degenen met wie wij omgaan te helpen, is een vage
en oppervlakkige kennis van de weg niet toereikend. Het is noodzakelijk om deze
weg zelf te volgen, om de hinderpalen zelf te kennen... Het is nodig om innerlijk
leven te hebben, een dagelijkse persoonlijke omgang met Jezus, om elke keer
diepgaander zijn leer te leren kennen, om vol ijver te strijden om onze eigen
gebreken te overwinnen. Het apostolaat ontstaat uit een grote liefde voor
Christus.
De eerste christenen waren waarlijk zout
der aarde, en zij hebben personen en instellingen, zelfs de hele maatschappij,
behoed voor verval. Wat is er in onze tijd gebeurd bij zoveel volkeren, dat de
christenen zo'n triest blijk van onvermogen geven om de golf van verderf te
beteugelen, die stormloopt tegen het gezin, de school, de instellingen...? Want
het geloof is nog steeds hetzelfde. En Christus leeft als vanouds temidden van
ons, en zijn macht blijft onbeperkt, goddelijk. «Slechts de lauwheid van zoveel
duizenden, miljoenen christenen kan verklaren, dat wij de wereld het schouwspel
moeten laten zien van een christenheid die toestaat, dat in haar eigen midden
elke soort van ketterij en onzin wordt rondgebazuind. De lauwheid ontneemt aan
het geloof zijn kracht en sterkte, en zij is de bondgenote, op persoonlijk en
collectief vlak, van het compromis en van de gemakkelijke wegen.»9 Er zijn veel dingen, op persoonlijk gebied en in het
openbare leven, die moeilijk te verklaren zijn, als we er geen rekening mee houden,
dat het geloof is ingeslapen bij velen die uitgeslapen, wakker en oplettend
zouden moeten zijn; en bij zo vele mensen is de liefde gedoofd. In veel kringen
is de 'normale gelovige' een lauwe en middelmatige christen. Bij de eerste
christenen was het 'normale' het 'heldhaftige van iedere dag' en, wanneer dit
zich voordeed, het martelaarschap: de overgave van het eigen leven ter verdediging
van het geloof.
Wanneer de liefde bekoelt en het geloof indommelt, verliest
het zout zijn kracht en dient het nergens meer toe, en wordt het echt tot last.
Wat jammer als een christen een last zou worden. Lauwheid is dikwijls de
oorzaak van apostolische ondoeltreffendheid, want dan verandert het weinige dat
we doen, in een taak zonder menselijke of bovennatuurlijke aantrekkingskracht,
zonder offergeest. Een uitgedoofd geloof overtuigt niet, en vindt het juiste
woord niet dat anderen meesleept tot een diepere en intiemere omgang met
Christus.
Laten we de Heer vurig bidden om deze kracht om te reageren.
Wij zullen het zout der aarde zijn als we dagelijks
vasthouden aan een persoonlijke omgang met de Heer, als wij iedere keer met
meer geloof en liefde naderen tot de heilige eucharistie. De liefde was en is
de motor van het leven van de heiligen. Uit liefde hebben wij ons hele leven
overgegeven aan God. De liefde geeft vleugels om welke hindernis dan ook, in
onszelf of in onze omgeving, te overwinnen. De liefde maakt ons onwankelbaar
bij tegenslagen. De lauwheid geeft het op bij de kleinste moeilijkheid -een
brief die we moeten schrijven, een telefoontje, een bezoek, een gesprek, gebrek
aan sommige hulpmiddelen... -: ze maakt een zandkorrel tot een berg, van
een mug een olifant. De liefde tot God, daarentegen, maakt een berg tot een
zandkorrel, vormt de ziel om, geeft haar nieuw licht en opent voor haar nieuwe
horizonten, stelt haar in staat tot grotere inspanningen en verleent haar
onvermoede capaciteiten. De liefde dingt niet af op inspanningen, noch
ontbreekt het haar aan blijdschap bij het streven naar het doel.
Laten wij, om onze overweging te beëindigen, vol vertrouwen
onze toevlucht nemen tot de heilige Maagd, het volmaakte toonbeeld van iemand
die liefdevol beantwoordde aan de christelijke roeping, opdat zij effectief
elke schim van lauwheid uit onze ziel verwijdert. En laten we ook vragen aan
onze engelbewaarders dat zij ons ijverig doen zijn in onze dienst aan God.
-1. Mt 5,13. -2. Vgl. F. Fernández-Carvajal, La tibieza.
-3. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae I q63 a2. -4. Ibidem,
II-II q82, a1. -5. Apok 2,4. -6. J. Tissot, La vie intérieure.
-7. Mt 5,13. -8. Vgl. Mt
15,14. -9. P. Rodríguez, Fe y
vida de fe.
|