Achtentwintigste week. Vrijdag
62. Het zuurdesem van de Farizeeën
-De schijnheiligheid van de Farizeeën. -De christen, een
persoon zonder dubbelhartigheid. -De waarheid liefhebben en haar bekend maken.
62.1 De
menigten die samenstroomden om Jezus te zien, waren zo groot dat men elkaar
duwde en elkaar bijna onder de voet liep. Zelfs te midden van dit gedrang had
de Heer woorden die alleen maar voor zijn leerlingen bestemd waren: Wacht u voor het zuurdeeg, dat wil
zeggen, de huichelarij van de Farizeeën. Niets is bedekt of het zal onthuld
worden en niets verborgen of het zal geweten worden. Want alles wat gij in het
donker gezegd hebt, zal gehoord worden in het licht, en wat gij binnenskamers
in het oor gefluisterd hebt, zal van de daken verkondigd worden.1
Het woord 'hypocriet' komt uit het oude Griekenland. Het
betekende een toneelspeler die een masker opzette en een kostuum aantrok om de
persoonlijkheid van een bepaald personage in een drama voor te stellen. Op deze
wijze deed hij in het belang van het publiek alsof hij iemand anders was,
dikwijls iemand die volkomen verschilde van zijn echte ik. Hij zou bijvoorbeeld
de rol van een koning, een bedelaar of een generaal kunnen spelen. Het was voor
hem voldoende iemand anders te 'vertolken' door het masker en het kostuum zijn
aangenomen identiteit te laten creëren. Zijn uitbeelding was altijd hetzelfde,
openbaar in een theater, en het welslagen werd altijd gemeten aan het applaus
van de menigte.
Het innerlijk wezen -het zuurdesem- was bij veel Farizeeën
hypocrisie. Zij leefden meer voor de aanvaarding bij de mensen dan bij God. Hun
leven was even leeg als het masker van een toneelspeler, even onecht als diens
spel op het toneel. De Farizeeën waren ten prooi gevallen aan de verleiding om
de mening van de mensen ten onrechte belangrijker te vinden dan gehoorzaamheid
aan God. Bij een andere gelegenheid karakteriseerde de Heer hen vol kritiek als
wit gepleisterde graven:
aan de buitenkant lijken zij mooi, maar van binnen vol met riekende knekels.2 De Farizeeën leidden feitelijk een dubbel leven -het
ene leven van maskers, voorstellingen, onechtheid, dat afhankelijk was van de
mening van de mensen; het andere leven een onverschillige en egoïstische
relatie met God.
De Heer wil, dat de zijnen zuurdesem zijn, gaaf en werkzaam.
Hij wil, dat zij tegenover Hem en tegenover anderen één enkel leven leiden,
zonder maskers, vermomming of leugens. Mensen uit één stuk, die de waarheid in
hun banier hebben geschreven.
62.2 Jezus
zelf heeft ons geleerd hoe wij ons moeten gedragen: Maar uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog
bijkomt, is uit den boze.3 In de
omgang met mensen behoort het woord van iemand voldoende te zijn. Het 'ja' van
iemand moet een 'ja' zijn en iemands 'nee' moet 'nee' zijn. Hier benadrukt
Jezus de waarde van iemands belofte om zijn plichten te volbrengen.
Omdat wij christenen zijn, moeten anderen ons woord en gedrag
kunnen hoogachten. Wij moeten in alles de waarheid zoeken, vluchten voor
huichelarij en dubbelhartigheid. In gewone omstandigheden moet het woord van
een christen voldoende zijn voor het nakomen van een belofte. De waarheid moet
altijd geëerbiedigd worden, omdat deze een weerspiegeling is van God zelf. Als
wij de gewoonte hebben de waarheid te spreken, zelfs in de onbelangrijkste
zaken, zal ons woord grote betrouwbaarheid en kracht krijgen. Het zal zijn
gewicht in goud waard zijn. Wij zullen in
dit opzicht het leven van de Heer nadoen.
Tegenover dit christelijk gedrag staat zo iemand, die innerlijk verdeeld is en ongestadig in heel
zijn gedrag.4 Dit is de mens die
een 'persona' aanneemt, zoals een toneelspeler die klaarstaat alles te doen om
de menigte tevreden te stellen. De heilige Beda merkt op, dat «de mens die
innerlijk verdeeld is, feest wil vieren met de wereld en regeren met God».5
In onze tijd is er speciaal behoefte aan mensen die trouw
zijn aan hun woord, die een eenheid van leven voorleven,
die weigeren zich te verbergen voor de gevolgen van hun overtuiging, die
niet afhankelijk zijn van de meningen of van het gedrag van anderen. De heilige
Thomas van Aquino leert6, dat oprechtheid de
deugd is die ons ertoe brengt altijd de waarheid te spreken en naar buiten bekend
te maken wat wij innerlijk denken. Er zijn natuurlijk momenten waarop wij geen
enkele plicht hebben om de waarheid te spreken, waarop wij feitelijk gehouden
zijn deze niet te onthullen. Dit kan vóórkomen bij zaken die ons beroep
aangaan, nationale veiligheid of andere zwaarwegende kwesties. Een belangrijk
gebied waar hetzelfde principe van toepassing is, heeft te maken met het
sacramentele zegel van de biecht en alles wat te maken heeft met geestelijke
leiding. Er zijn verscheidene wegen om de waarheid achter te houden zonder te
moeten liegen. Deze omstandigheden doen zich ook voor als men informatie
probeert te krijgen over iets waarmee de vragensteller niets te maken heeft.
Men kan zelfs in een uiterst geval te maken krijgen met een agressieve ondervrager.
«Laten wij er bovendien aan denken, dat het dikwijls onze eigen schuld is, als
men ons indiscrete vragen stelt. Als wij meer beheerst en zwijgzaam zijn, zal
men ons deze vraag niet stellen, of men zal dit ten minste heel zelden doen.»7
Laten wij de Heer navolgen in zijn liefde voor de waarheid,
laten wij besluiten de leugen te mijden evenals alles wat lijkt op huichelarij.
«In het woordenboek las je de synoniemen voor onoprechtheid: 'niet recht op de
man af', 'achterbaks', 'geveinsd', 'sluw', 'listig'... Je deed het boek dicht en
vroeg de Heer dat die omschrijvingen nooit op jou zouden hoeven slaan, en je
nam je eens temeer voor om vooruit te gaan in die bovennatuurlijke en menselijke
deugd van oprechtheid.»8
62.3 Jezus
zegt: Ik ben de Waarheid.9 De Heer heeft de waarheid
in al haar volheid. De waarheid komt tot ons door Hem.10 De leer van Christus, zijn leven en dood, vormen
allen een getuigenis van de waarheid.11 Wie de
waarheid liefheeft, is uit God en hoort het woord van God.12
Waarheid vindt zijn oorsprong in God. Onwaarheid is geworteld
in het tegenovergestelde aan God. Daarom noemt Jezus de duivel de
aartsleugenaar, omdat hij de eerste leugenaar was. Ten gevolge hiervan heeft
degene die liegt, de duivel als vader.13 Daarom
keurt het moraalonderricht van de Kerk niet alleen de onwaarheid af die de
naaste schade berokkent; het veroordeelt ook hen die -zonder dat het schade voor de naaste ten gevolge heeft- «liegen
om te lachen, of omdat ze er voordeel in zien».14
Het gebrek aan waarachtigheid, dat zich uit in gelieg of
huichelarij, of in het leiden van een 'dubbelleven', is een blijk van
innerlijke tweedracht. Iemand die zo leeft, is als een gebroken klok, die
wanklanken voortbrengt en vals klinkt. De Heer toonde zijn waardering voor
eerlijkheid, toen Hij over Nathaniël zei: Dat is waarlijk een Israëliet, in wie geen bedrog is!15 Jezus wil dit van iedere christen kunnen zeggen.
Wij leven in een tijdperk waarin eerlijkheid hoog aangeslagen
wordt. En toch is onze tijd bekend geworden «als de tijd van de bedriegers, van
de onwaarheid en het liegen.»16 «De lijst van
bedriegers omvat onder anderen die mensen van de pers die door schandalige
loslippigheid en lasterlijke toespelingen een beroep doen op de laagste
instincten van de mens, waarbij zij het gevoel voor moraal aantasten. Men kan
aan de pers ook nog film, radio en televisie toevoegen. Deze massamedia, die op
zichzelf nuttig zijn, overstelpen mensen, wanneer zij in handen zijn van sluwe
operators, met klanken en kleuren en verborgen verleiders, die des te
doeltreffender zijn omdat zij verborgen zijn. Dergelijke media zijn in staat
om, stukje bij beetje, de beste vaders gehaat te maken voor hun kinderen, om
wat wit is zwart te doen lijken en andersom.»17
Zo worden gedachten en gewoonten van mensen heden ten dage vervormd. Wanneer
het ook maar mogelijk is, kunnen wij de massamedia gebruiken om een gezonde
leer te verkondigen aan de samenleving als geheel. Wij moeten de nadruk leggen
op ideeën die van bovennatuurlijk belang zijn voor de sociale vooruitgang -de
verdediging van het leven vanaf de conceptie; de waardigheid van het gezin en
van de persoon; sociale rechtvaardigheid; het recht op arbeid; passende zorg
voor de zwakste leden van de maatschappij... In veel gevallen kunnen wij deze
denkbeelden zonder moeite bekend maken door bijvoorbeeld een 'ingezonden brief'
te schrijven, door op te bellen, door deel te nemen aan een opinieonderzoek of
mee te werken aan radioprogramma's. Dit zijn de middelen waarover wij
beschikken om onze instemming met -of afwijzing van- een programma of artikel
te tonen dat ofwel de wezenlijke menselijke moraal versterkt, of hierin
tekortschiet. Toegegeven, dit zijn slechts kleine stappen, maar vele kleine
stappen kunnen samen een belangrijke invloed hebben op de media.
Laten wij bij het beëindigen van onze meditatie naar Onze
Lieve Vrouw gaan om haar hulp te vragen om de waarheid ieder moment te mogen
voorleven. Zij zal ons leren, hoe wij de waarheid bekend moeten maken aan
anderen. Onder haar leiding zullen wij anderen uitnodigen om een leven te
leiden dat een eenheid is en vrij van valsheid en schijnheiligheid.
«Tota pulchra es
Maria, et macula originalis non est in te! -Geheel schoon zijt
gij, Maria, niet door de erfzonde bevlekt!... -zingt de liturgie uitbundig. In
haar is niet de minste zweem van dubbelzinnigheid: ik bid onze Moeder dan ook
dagelijks dat wij ons hart zullen kunnen openleggen tegenover onze geestelijke
leidsman, opdat het licht van de genade op al ons handelen zal schijnen!
»Als wij haar erom bidden, zal Maria voor ons de moed tot
oprechtheid verkrijgen, zodat wij dichter bij de Heilige Drieëenheid kunnen
komen.»18
-1. Lc
12,1-3. -2. Vgl. Mt 23,27.
-3. Mt 5,37. -4. Jak 1,8. -5. H. Beda, Commentaar
op de Brief van de heilige Jakobus, 1,8. -6. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, II-II, q109, a3 ad 3. -7. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen,
II. -8. H. Jozefmaria Escrivá De
Voor, 337. -9. Joh
14,6. -10. Vgl. Joh
1,14.17. -11. Vgl. Joh
18,37. -12. Vgl. Joh
8,44. -13. Vgl. Joh
8,42 e.v. -14. Romeinse
catechismus, III, 9, 23. -15. Joh 1,47. -16. Vgl. Kard. A. Luciani, Brieven aan beroemde mensen. -17. Ibidem, bl. 117. -18. H. Jozefmaria Escrivá, o.c., 339.
|