Vijfde week. Vrijdag
41. Hij heeft alles wel gedaan
-Jezus, ons voorbeeld, werkte in Nazareth op
menselijk volmaakte wijze. Werkzaamheid, vakbekwaamheid. -Ons werk goed
afmaken. De kleine details in het beroepswerk.
41.1 De evangelies spreken vaak over de gevoelens en woorden van
bewondering die de Heer opriep tijdens zijn verblijf hier op aarde: de mensen stonden verwonderd, allen waren verbaasd
over de wonderen die Hij deed... En «als we onze
aandacht richten op de lofprijzingen van de mensen die van Jezus' leven getuige
waren, dan is er één die in zekere zin alle andere omvat. Ik heb het over die
uitroep met een intonatie van verwondering en geestdrift die de menigte
spontaan herhaalde toen deze verbluft zijn wonderen meemaakte: bene omnia fecit (Mc 7,37), Hij heeft alles wel gedaan: de grotere wonderen en de mindere, alledaagse dingen die niemand versteld deden staan, maar die Christus deed met de
volheid van hem die is perfectus Deus
et perfectus homo (Symbolum Quicumque), volmaakt
God en volmaakt mens.»1
Het evangelie van vandaag2 nodigt ons uit de passage te overwegen, waarin de mensen die de Heer
volgden alleen nog maar konden uitroepen: Hij heeft alles wel
gedaan. Christus toont zich als het model voor ons
dagelijks leven. Het kan ons van dienst zijn om te onderzoeken of men van ons
ook kan zeggen, dat wij ons inspannen om alles goed te doen, zowel in grote als
in kleine, onbelangrijk lijkende zaken, omdat we Christus willen navolgen.
Het grootste deel van zijn menselijk bestaan
leidde Jezus een normaal leven van arbeidzaamheid in een tot dan toe onbekend
dorp. En daar, in Nazareth, deed de Heer ook alles wel, menselijk volmaakt. In
Nazareth zal men van Jezus gezegd hebben, dat Hij een goede timmerman was, de
beste die ze gekend hadden.
Een groot deel van het leven van elke man of
vrouw wordt gevormd door arbeid. Het zal moeilijk zijn iemand met
verantwoordelijkheidsgevoel te vinden die vrijwillig geen werk of geen baan
heeft. Veel mensen voelen zich tot arbeid aangezet uit edele menselijke
overwegingen: hun gezin onderhouden, voor een betere toekomst zorgen... Anderen
zullen zich aan een taak wijden in de ijver om een speciale vaardigheid of talent uit te oefenen of tot ontwikkeling te
brengen, of om een bijdrage aan het welzijn van de samenleving te leveren,
omdat ze zich verantwoordelijk voelen iets voor anderen te doen. Vele
anderen werken met veel minder edele
bedoelingen: om rijk te worden, om roem of macht te verwerven, om
zichzelf te laten gelden of om te verwerven wat ze nodig hebben voor de bevrediging van hun hartstochten. We kennen
bekwame mensen die nauwgezet vele uren werken voor uitsluitend menselijke
doelstellingen. De Heer wil, dat degenen die Hem midden in de wereld volgen,
mensen zijn die hun werk goed verrichten, met overwicht, bekwaam in hun
beroep of vak, niet nonchalant. Heel verschillende mensen, die zich laten
bewegen door edele menselijke doelstellingen en omdat arbeid -welke dat ook
moge zijn- het middel is voor de beoefening van de natuurlijke en
bovennatuurlijke deugden, want «we weten dat de mens door zijn arbeid aan God
aan te bieden, actief ingeschakeld is in het verlossingswerk zelf van Jezus
Christus, die een bijzondere waardigheid verleende aan de arbeid door met eigen
handen in Nazareth werk te verrichten.»3
Wij zeggen tot de Heer dat we onze taak
voorbeeldig willen vervullen -met name onze arbeid- omdat we vurig willen dat
het als een dagelijkse offerande tot Hem komt, en omdat we vastberaden zijn Hem
na te volgen in die jaren van zijn verborgen leven in Nazareth.
41.2 Wanneer Jezus volgelingen zoekt, doet Hij dat tussen mensen die gewend
zijn te werken: Meester, de hele nacht
hebben we gezwoegd...4, zeggen degenen die
zijn eerste leerlingen zouden worden. De
hele nacht, hard werken, nodig voor hun
levensonderhoud; zij waren immers vissers. De heilige Paulus heeft ons het
voorbeeld van zichzelf en zijn metgezellen nagelaten: wij matten ons af met handenarbeid.5 En hij schreef
aan de eerste christenen van Thessalonica: We hebben niemands brood om niet gegeten. Dag en nacht hebben wij
gearbeid, met veel inspanning en moeite, om niemand van u tot last te zijn.6 De heilige
Johannes Chrysostomus wees erop dat de heilige Paulus zich niet uit simpel
vermaak of ter ontspanning aan de arbeid wijdde, maar dat hij zich zodanig
inspande, dat hij kon voorzien in zijn eigen levensonderhoud en dat van
anderen. Een man die duivels kon uitdrijven, die de hele wereld onderrichtte en
aan wie volkeren, naties en steden zich toevertrouwden, die man werkte dag en
nacht. Wij -vervolgt de heilige Johannes- hebben niet eens een minimaal deel
van de zorgen die hij had, dus welke verontschuldiging kunnen we dan hebben?7 We hebben geen
excuses om niet hard, volmaakt, nauwgezet te werken.
Om goed te werken
moeten we vóór alles ijverig werken, onze tijd goed gebruiken. Het is moeilijk,
wellicht onmogelijk, voor iemand die zijn tijd niet goed
benut, te wennen aan opofferingen en zijn geest wakker te houden, om de
fundamentele menselijke deugden te beoefenen. Een leven zonder werk zal
ontwricht raken en vaak hetgeen zich om hem heen bevindt aantasten. «IJzer dat
ongebruikt blijft liggen gaat roesten en wordt bros en waardeloos. Maar als het
voor het werk gebruikt wordt, is het veel nuttiger en aantrekkelijker en doet
het zelfs nauwelijks onder voor zilver. De akker die men braak laat liggen brengt geen gezond gewas voort, maar alleen
onkruid, distels, doornen en nutteloze planten; maar als men hem
bewerkt, komt hij vol rijpe vruchten. Kortom, elk wezen gaat ten onder aan
luiheid, en wordt beter door het beoefenen van de werkzaamheid die hem eigen
is.»8
Dit geldt evenzeer voor de huismoeder, die veel tijd moet besteden aan de zorg
voor het huis en de opvoeding van de kinderen, alsook voor wie voor eigen
rekening werkt, of voor de student, de directeur van de onderneming of de
arbeider die de laatste plaats in de produktieketen inneemt.
De Heer vraagt van ons een goed afgewerkte
menselijke arbeid, waarin intensief werken, regelmaat, kennis, bekwaamheid,
ijver naar volmaaktheid worden gelegd; werk dat helemaal af is, vlekkeloos en
zonder fouten. Het betekent serieus werk dat er niet alleen goed uitziet, maar
het ook werkelijk is. Het geeft niet of het handenarbeid is of intellectueel
werk, van uitvoerende of organiserende aard is, of ons werk onder toezicht van
hogergeplaatsten staat of niet. De christen voegt iets nieuws toe aan zijn
arbeid: behalve de kenmerken die we noemden, doet hij het voor God. Aan Hem
biedt hij dagelijks zijn arbeid aan als een offer dat eeuwigheidswaarde heeft.
Maar de manier waarop -verantwoord, bekwaam, intensief- is dezelfde als die van
elk eerzaam werk. Een taak die op deze manier wordt volbracht eert degene die
hem vervult en geeft eer aan zijn Schepper. Onze natuurlijke talenten worden
benut en de arbeid wordt tot een voortdurende lofprijzing van God.
Omdat we Christus van nabij willen volgen en
navolgen, moeten we aan ons werk een grotere volmaaktheid toevoegen, omdat we
op ieder ogenblik de Meester voor ogen houden die alles wel heeft gedaan. Laten we vandaag in
ons gebed de menselijke kwaliteit van ons werk, onze studie onderzoeken, en in
aanwezigheid van de Heer kijken welke facetten verbeterd kunnen worden:
intensiteit, stiptheid; de zaken waaraan we zo enthousiast begonnen zijn goed
afmaken; orde, zorg voor de werkinstrumenten...
41.3 De christen ontdekt nieuwe schatten in zijn arbeid, want «alle wegen
op aarde kunnen een gelegenheid bieden om Christus te ontmoeten»9, zoals de H.
Jozefmaria Escrivá op vele verschillende manieren placht te zeggen. Hij
predikte heel zijn leven dat «heiligheid niet iets is voor bevoorrechte
mensen.»10 Hij vertelde vaak over een eigen belevenis, die hem van nut was
geweest om degenen die tot zijn apostolaat naderden, op beeldende wijze uit te
leggen hoe arbeid die op God gericht is eruit dient te zien: «Ook denk ik terug
aan de periode van mijn verblijf in Burgos [...] Soms voerde onze wandeling ons
naar het klooster van Las Huelgas, andere keren maakten we een ommetje langs de
kathedraal.
»Graag beklom ik een van de torens om hen van
dichtbij het lofwerk te laten zien. Echt kantwerk in steen, resultaat van een
geduldige en kostbare inspanning. Tijdens die gesprekken maakte ik hen erop
attent, dat dit wonder van beneden af niet gezien kon worden. En om een
stoffelijke uitdrukkingsvorm te hebben voor wat ik al zo dikwijls verklaard
had, voegde ik eraan toe: Dat is de arbeid van God, het werk van God! Je
persoonlijke taak tot een einde brengen met de volmaaktheid en schoonheid, met
de meesterhand van dat delicate kantwerk in steen. En ze begrepen, tegenover de
werkelijkheid die zich aan hun ogen opdrong, dat dit een gebed, een liefdevol
gesprek met de Heer was geweest. De mensen die hun krachten wijdden aan deze
taak, wisten zeer goed, dat in de straten van de stad niemand hun werk op
waarde zou schatten: het was alleen voor God. Begrijpt u nu hoe wij dichter bij
de Heer komen door de roeping tot ons beroep? Doe net als die steenhouwers en
uw werk zal ook een 'operatio Dei' zijn, mensenwerk met innerlijk en uiterlijk goddelijke trekken»11, ook al ziet
niemand het en schat niemand het op waarde. God ziet het wel en waardeert het;
dat is voldoende om ons in te spannen onze taken volmaakt en liefdevol af te
werken.
Goed afwerken wat we tot stand brengen betekent
in veel gevallen «letten op de details.» Dit vergt inspanningen,
offerbereidheid, en als we het aanbieden wordt het tot vreugde voor God. Zorg
dragen voor de details, uit liefde voor God, maakt de ziel niet kleiner, maar
juist groter, omdat het werk dat we doen erdoor vervolmaakt wordt, en door het
voor concrete intenties op te dragen stellen wij ons open voor de noden van de
hele Kerk. Op deze manier krijgt onze opdracht een bovennatuurlijke dimensie
die voorheen eraan ontbrak. In ons werk -net als in de andere aspecten van een
gewoon leven: het gezins- en maatschappelijk leven, de vrije tijd...- worden we
altijd voor de dubbele keuze gesteld: nalatigheid en nonchalance die de ziel
verarmen, of het kleine kunstwerk, aan God aangeboden, als de uitdrukking van
een ziel met een innerlijk leven.
Nu, tijdens dit gebed, wil God ons misschien
wel enige punten onder ogen brengen die een wijziging vereisen van gerichtheid
of ritme in onze werkwijze. Weet ik orde te houden, want orde zorgt ervoor, dat
ik de taken aanpak overeenkomstig hun werkelijk belang en dat ik me niet laat
leiden door nukken of gemakzucht? Maak ik mijn werk te laat af, zonder redenen,
maar alleen door gebrek aan werklust of stiptheid? Onderbreek ik voor elk
willekeurig excuus het werk dat ik onder handen heb en houd ik daardoor
misschien ook anderen van hun werk af?
Laten we met de hulp van Onze Lieve Vrouw deze
tijd van gebed beëindigen met een concreet voornemen dat ons zal helpen ons
werk volmaakter te verrichten en vaker aan de Heer te denken. «Zorg dat daar,
vanuit de plek waar je werkt, je hart ertussen uit gaat, naar de Heer toe, in
het tabernakel, om zonder iets vreemds te doen te zeggen: mijn Jezus, ik houd
van U.»12
-1. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 56. -2. Mc 7,31-37. -3. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 67. -4. Lc 5,5. -5. 1 Kor 4,12. -6. 2 Tes 3,8. -7. H. Johannes
Chrysostomus, Homilie over
Priscilla en Aquila. -8. Ibidem. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 24 maart 1930. -10.
idem, Brief, 19 maart 1954. -11.
Idem, Vrienden van God, 65. -12.
Idem, De Smidse, 747.
|