Tweeëntwintigste week. Woensdag
6. Hij legde hun de handen op
-Allen helpen en idereen behandelen zoals Christus in onze
plaats gedaan zou hebben. -Geduld en volharding in het apostolaat. -Overal de
leer van Christus verbreiden.
6.1 Het
evangelie van vandaag1 vertelt ons hoe bij
zonsondergang de mensen vele zieken bij Christus brachten, opdat Hij ze zou
genezen. Het is goed mogelijk dat het een Sabbat was, want de Sabbatsrust, zo
scrupuleus opgelegd door de schriftgeleerden en Farizeeën, zou bij
zonsondergang afgelopen zijn. Er waren vele zieken: Marcus zegt dat heel de stad voor de deur samenstroomde.2 Lucas legt het opvallende detail vast, dat Hij hen
genas door ze een voor een de handen op te leggen, singulis manus imponens. Hij kijkt hen
zorgzaam aan en geeft elk van hen zijn volle aandacht, want voor Hem is elke
persoon uniek. Iedereen wordt altijd goed ontvangen door Jezus en wordt door
Hem behandeld met de onvergelijkbare waardigheid die de mens altijd verdient.
In een commentaar op deze passage uit het evangelie zegt de
heilige Ambrosius dat «vanaf het begin van de Kerk Jezus al de massa's opzocht.
En waarom? Omdat [...] er geen vastgestelde plaatsen of tijden zijn om mensen te
genezen. Het medicijn moet altijd en op alle plaatsen worden toegediend.»3 Het evangelie laat Christus' onvermoeibare activiteit
zien. Het leert ons hoe wij ons op onze beurt dienen te gedragen tegenover
degenen die ver staan van het geloof, tegenover al die zielen die nog niet bij
Christus zijn gekomen om genezen te worden. «Geen enkel kind van de heilige
Kerk kan in vrede leven, zonder onrust te voelen tegenover de onpersoonlijke
massa's: kudde, roedel, troep, schreef ik bij een bepaalde gelegenheid. Er zijn
zoveel edele hartstochten die naar de schijn onverschillig zijn. Zoveel
mogelijkheden!
»Het is noodzakelijk allen te dienen, iedereen de handen op
te leggen -singulis manus imponens,
zoals Jezus deed- om hen tot leven te brengen, om hun verstand te verlichten en
hun wil te sterken, opdat zij nuttig zijn.»4
Allen dienen betekent hen behandelen zoals Christus in onze
plaats gedaan zou hebben, met dezelfde achting, met dezelfde hoffelijkheid,
ieder individueel, rekening houdend met hun bijzondere omstandigheden, hun
manier van doen, de toestand waarin ze zich bevinden, zonder op iedereen
dezelfde formule toe te passen. Het zijn de mensen die we ontmoeten tijdens ons
werk, door betrokkenheid in onze woonomgeving, reizen of gemeenschappelijke
belangen. En anderen zullen we zoeken waar ze ook mogen zijn, om ze bij God te
brengen, «zoals een dokter op een patiënt past. Een enkele ziel die door bemiddeling
van een ander gered is, kan bron zijn van vergeving voor vele zonden.»5
Laten we ons nu in ons gebed voornemen om net zo bezorgd te
zijn om het welzijn van onze naasten als degenen die voor de deur
samenstroomden om de zieken bij Jezus te brengen, opdat Hij ze genas. Laten we
nu in zijn aanwezigheid onderzoeken of wij hen met dezelfde aandacht behandelen
als Hij deed.
6.2 Om
bij Christus te komen moeten we een weg gaan, soms een lange weg, van geduld en
volharding. Hij wacht erop dat wij onze vrienden komen brengen, onze
studiegenoten, onze collega's, onze kinderen, onze broers en zussen. We kunnen
hen allemaal helpen zoals Jezus deed -een voor een, rekening houdend met ieders
individuele omstandigheden, leeftijd of gezondheidstoestand, steeds in gedachte
houdend dat ze vrijgekocht zijn voor de oneindige prijs van Christus'
verlossend Bloed. Wanneer we hen naar Christus begeleiden, ontmoeten we altijd
weerstand, misschien lange tijd. Dit is eenvoudigweg een consequentie van de
moeite die de mens heeft om Gods plannen te volgen, vanwege de gevolgen van de
erfzonde, daarna vermeerderd met de eigen zonden. Soms is de tegenstand te
wijten aan onwetendheid, hetgeen ons een reden zou moeten zijn om te bidden, om
verstervingen te doen en uren van werk of studie op te dragen, om misschien
onze vriendschap te versterken, alles naar de mate van tegenstand die we
tegenkomen. Dank zij ons geloof zijn we goed in staat mensen die in zulke
moeilijkheden verkeren te begrijpen en ze ruimhartig te verontschuldigen, maar
we moeten blijven beseffen dat het doel is hen Jezus Christus te doen kennen en
liefhebben. Dat is het grootste goed dat we hun kunnen doen, de grootste van
alle gunsten en voordelen die ze kunnen ontvangen.
In alle apostolaat is het noodzakelijk een geduldige houding
te hebben. Geduld is niet hetzelfde als berusting of zorgeloosheid, maar een
bijdrage aan de hoofddeugd van de sterkte. Het veronderstelt een taaie
volharding om de verlangde resultaten te bereiken. Het is vaak nodig stapje voor
stapje voort te gaan, als ware het over een hellende vlakte, zonder ooit
ontmoedigd te raken door het feit dat onze vrienden geen enkele vooruitgang
lijken te maken of zelfs achteruit lijken te gaan. God houdt rekening met deze
situaties en geeft ons alle noodzakelijke genade; vanaf het allereerste moment
dat we, voor het Tabernakel, beslissen hen naar Hem te leiden, heeft Hij elk
van hen de handen al opgelegd. Helemaal vanaf het begin zegent Christus ons
apostolisch verlangen om alle zielen die we in ons dagelijks leven tegenkomen,
bij Hem te brengen.
Als mensen traag zijn in hun reactie moeten we denken aan het
geduld dat God met ons gehad heeft, hoeveel Hij ons vergeven heeft, en de
ontelbare keren dat we Hem hebben laten wachten. Wat heeft God veel moeten
wachten! Hoe lang heeft Hij gewacht voor de deur van onze ziel? Als de Heer ons
verlaten had toen we niet opendeden, toen we niet naar zijn kloppen wilden
luisteren, stel je eens voor hoe ver we dan nu van Hem verwijderd zouden zijn!
Onze inspanning is nooit onvruchtbaar, want in het apostolaat worden we bewogen
door de liefde van God. Sommige mensen bereiken Hem al na een paar dagen
contact, anderen na vele jaren; sommigen bij het eerste gesprek, anderen na
lang uitstel; sommigen zijn in staat om helemaal vanaf het begin te rennen,
anderen zijn nauwelijks sterk genoeg om een kleine stap te zetten. We moeten
elke persoon nemen zoals hij is, volgens zijn eigen menselijke en
bovennatuurlijke omstandigheden, zonder vermoeid te raken, zonder op te geven. Een
dokter gebruikt niet voor iedereen hetzelfde voorschrift en een kleermaker niet
dezelfde maten of pasvorm. Hebt
dus geduld, broeders, zegt de heilige Jakobus ons, tot de komst van de Heer. De boer die
uitziet naar de kostelijke vrucht van zijn land, kan alleen maar geduldig
wachten, totdat de winter- en voorjaarsregens gevallen zijn. Gij moet ook
geduldig zijn, en moedig, want de komst van de Heer is nabij.6
We moeten bij onze vrienden, verwanten en collega's
aandringen met een bovennatuurlijke hardnekkigheid, zonder overdreven
voorzichtig te zijn of 'prudent' in de negatieve betekenis, en alles met grote
barmhartigheid en begrip, want we willen alleen wat goed voor hen is. Als Gods
vijanden zo hun best doen om de mensen van Hem af te houden, waarom zouden wij
dan niet minstens zo hard werken, als we het beste voor hen willen? U weet,
Heer, dat wij alleen willen wat het beste voor hen is! En dat 'beste' bent U,
die Uzelf geeft aan degenen die U aanvaarden.
6.3 Die
namiddag werden velen genezen en ontvingen een woord van bemoediging, een
gebaar van begrip, van de Meester: Bij
zonsondergang brachten allen hun zieken naar Hem toe; die zieken leden aan
velerlei kwalen. Hij genas hen door ze een voor een de handen op te leggen.
Hoe blij moeten de zieken geweest zijn; en hoe blij ook degenen die hen naar
Jezus gebracht hadden! Apostolaat vraagt offer, maar is tegelijkertijd een
immens vreugdevolle onderneming. Wat prachtig om onze vrienden naar Jezus te
brengen, zodat Hij hun de handen kan opleggen en hen kan genezen!
De volgende ochtend vroeg trok Jezus zich terug naar een
eenzame plaats, zoals hij gewoon was te doen. De mensen zochten Hem echter, kwamen waar Hij was en poogden
Hem vast te houden om te verhinderen dat Hij hen zou verlaten. Maar Hij sprak
tot hen: 'Ik moet ook aan andere steden de Blijde Boodschap van het Godsrijk
brengen, want daarvoor ben Ik gezonden.' En Hij predikte in de synagogen van
het Joodse Land.
Ook vandaag vinden we veel mensen die Christus niet kennen.
God wil ons bezielen met een gevoel van drang om al die onwetendheid te
overwinnen en overal de goede leer te verspreiden, gebruik makend van alle
soorten methoden en initiatieven. Zoals paus Johannes Paulus ii ons herinnert: «Deze
missie is niet het exclusieve gebied van gewijde dienaren of religieuzen, maar
moet de seculiere maatschappij, het gezin en de school omvatten in totaliteit.
Elke christen moet deelnemen aan de taak van christelijke vorming, de dringende
behoefte voelen te evangeliseren -iets, zegt de heilige Paulus, 'dat me geen
reden geeft tot grootspraak. Want de noodzaak is me opgelegd'.»7 Alleen als we naar Christus kijken, als we Hem
beminnen, zullen we de luiheid en gemakzucht overwinnen, zullen we ontsnappen
uit de ivoren toren die elk van ons geneigd is voor zichzelf te bouwen, zullen
we vele blinde mensen Christus laten zien, vele doven Hem laten horen en vele
kreupelen naast Hem laten lopen. God heeft onze samenwerking nodig.
Laten we nu in ons gebed naar Christus kijken, en laten we
ook de mensen om ons heen beschouwen. Wat hebben we tot nu toe gedaan om hen
naar God te brengen? Laten we naar ons eigen gezin kijken, onze collega's op
het werk of onze studievrienden, naar hen die naast ons leven, de mensen met
wie we een gemeenschappelijk belang hebben en de mensen die we ontmoeten als we
onderweg zijn. Is het niet waar dat we geen erg goed gebruik gemaakt hebben van
heel wat van de gelegenheden die we gehad hebben? Zijn we niet moe geworden?
Zou op zekere dag niet tegen ons gezegd kunnen worden, dat we niet over
Christus gesproken hebben tot deze naasten van ons, toen zij dit heel hard
nodig hadden?
Een overweging die ons moet helpen om standvastig te zijn in
het apostolaat is het grote vermenigvuldigende effect van al het goede of kwade
dat in de wereld gebeurt. De mensen die die avond Christus bij zich voelden
stilhouden en de handen opleggen, wisten in hun hart dat hun leven niet meer
zou kunnen blijven zoals het tot dan toe geweest was. Ze werden nieuwe
apostelen en gingen overal rond om het goede nieuws te verspreiden over de Weg, de Waarheid en het Leven,
die ze zelf hadden ontmoet. Zij verkondigden het in hun gezinnen, in hun dorpen
-kortom, waar ze ook maar kwamen. Dat is wat ook wij moeten doen.
-1. Lc 4,38-44.
-2. Vgl. Mc 1,33.
-3. H. Ambrosius, Verhandeling over de maagdelijkheid, 8,10. -4.
H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 901. -5. H. Johannes Chrysostomus, in Catena Aurea, vol. 5, bl. 238. -6. Jac 5,7-8. -7. Johannes Paulus ii, Toespraak in Granada, 15
november 1982; vgl. Christifideles
laici, 30 december 1988, 33.
|