Vijftiende week. Zaterdag
9. Hij zal het geknakte riet niet breken
-De zachtmoedigheid en barmhartigheid van Christus. -Jezus
beschouwt niemand als verloren. -Ons gedrag tegenover anderen moet vol
medeleven, begrip en barmhartigheid zijn.
9.1 Het evangelie van vandaag laat ons Jezus zien die zich van de
Farizeeën terugtrekt omdat zij plannen smeedden om Hem uit de weg te ruimen.1 Ofschoon Hij zich
naar een veiliger plaats terugtrok -wellicht in Galilea- volgden velen Hem en Hij genas
ze allen. Hij drukte hun echter op het hart Hem niet bekend te maken.2 Dit is de
gebeurtenis die de heilige Matteüs, bewogen door de Heilige Geest,
vereenzelvigt met de vervulling van de voorspelling van de profeet Jesaja over
de dienaar van Jahweh, waarin de Messias -Jezus- in zeer duidelijke termen
wordt voorafgebeeld. Ziehier mijn dienstknecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, die Mij
welgevallig is. Ik heb mijn geest op hem gelegd, en hij maakt de volkeren het
recht openbaar. Hij roept niet en schreeuwt niet, hij laat zijn stem niet horen
op straat. Het geknakte riet zal hij niet breken en de kwijnende vlaspit dooft
hij niet.3
De Messias werd in zijn voorspelling door de profeet Jesaja
verwacht, niet als een veroverende koning maar als dienend en genezend voor de
mensheid. Zijn zending zal gekenmerkt worden door zachtmoedigheid, trouw en
barmhartigheid. De evangelist wijst erop dat deze voorspelling werd vervuld in
de persoon van Jezus.4 Met behulp van twee zeer
mooie beelden omschrijft de profeet de zachtmoedigheid, innemendheid en
barmhartigheid van de Messias. Het geknakte riet, de kwijnende vlaspit, vertegenwoordigen
alle soorten van ellende, lijden en straf die de mensheid ondervindt. Hij
breekt het geknakte riet ten slotte niet af; integendeel, Hij buigt er zich
over, buigt het met uiterste zorg overeind en geeft het de kracht en het leven
dat het nodig heeft. Op gelijksoortige manier dooft Hij de pit van de vlam niet
die op het punt staat uit te gaan, maar doet juist al wat Hij kan om zijn vlam
opnieuw helder te laten branden. Dat is Jezus' manier om mensen tegemoet te
treden.
In het leven van elke dag zeggen wij soms 'er is geen
genezing bekend' voor een bepaalde ziekte, en genezing wordt voor onmogelijk
gehouden. Zo is het niet in het geestelijk leven. Jezus is de Dokter die nooit
degenen wiens ziel ziek is als onherroepelijk verloren beschouwt. Voor Hem is
niemand een hopeloze zaak. De meest geharde misdadiger, de meest verstokte
zondaar wordt nooit door de Meester verlaten. Hij komt te hulp met een
geneesmiddel dat kan genezen. Christus kan de ontvankelijkheid tot bekering
bemerken die in de ziel van elke persoon verborgen ligt. Met zijn geduld en
liefde schrijft Hij niemand af; wij van onze kant zouden ons nu kunnen afvragen
of wij ooit iemand beschouwen als 'buiten bereik van verlossing'? Als wijzelf
ooit ongelukkig genoeg zouden afdwalen, gaan wij dan ons vertrouwen opzeggen in
de Ene die zei dat Hij gekomen was om te zoeken en te redden wat verloren was?
Maria Magdalena was als het geknakte riet, en zo ook de goede
moordenaar en de vrouw die op overspel werd betrapt. Petrus wordt teruggewonnen
wanneer hij radeloos is door zijn verloocheningen in die ongelukkige nacht, en
hij wordt zelfs niet verplicht te beloven dat hij de Heer niet opnieuw zal
verloochenen. Hem wordt alleen gevraagd: Simon, zoon van Johannes, houd je van Mij? Dat
is de vraag die aan ons allen gesteld wordt wanneer ook wij niet trouw zijn
geweest. Houd je van Mij? Elke biecht is ook, en boven alles, een daad van
liefde. Laten wij vandaag bedenken hoe wij liefhebben, en hoe wij antwoorden op
die vraag van Jezus.
9.2 Het
geknakte riet zal hij niet breken en de kwijnende vlaspit dooft hij niet... Jezus' barmhartigheid voor mensen aarzelde nooit een moment, ondanks alle
ondankbaarheid, moeilijkheden en haat die Hij tegenkwam. Zijn liefde voor
mensen is zo groot omdat hij bovenal bezorgd is voor hun zielen, en om hen met
zijn machtige hulp tot het eeuwige leven te brengen; zij kent geen grenzen en
strekt zich uit naar de gehele mensheid. Hij is de Goede Herder van onze
zielen, die ons allemaal kent, ieder van ons bij de naam noemt5, en niemand verlaten op de berghelling achterlaat.
Hij heeft zijn leven gegeven voor elke man en voor elke vrouw. Als een ziel
verdwaalt, is de onmiddellijke reactie van Christus alles te doen wat Hij kan
om haar te helpen terug te keren, en wij kunnen ons Hem voorstellen dagelijks
in de verte uitkijkend naar een glimp van bekering. Wanneer ook iemand Hem
ernstig beledigt, probeert Hij hem aan zijn barmhartig hart te drukken. Hij
knakt het gekwetste riet niet, Hij breekt niet af en gooit niet weg. In plaats
daarvan herstelt Hij het met grote zorg, met alle aandacht die het nodig heeft.
Wat zegt Hij tegen hen die door de zonde zijn verwoest, of die
geen licht meer geven omdat het goddelijke vuur in hun ziel uit is gegaan? Komt allen tot Mij die uitgeput
zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken.6 «Hij heeft medelijden over het grote ongeluk dat hun
is overkomen vanwege de zonde, en brengt hen tot berouw zonder hen hardvochtig
te veroordelen. Hij is de vader die de berouwvolle zoon omhelst nadat hij in
ongenade is gevallen door zijn eigen schuld. Hij is het die de overspelige
vrouw vergeeft als die met steniging wordt bedreigd. Hij ontvangt de
boetvaardige Magdalena en laat haar onmiddellijk het geheim van zijn
persoonlijk leven zien. Hij spreekt over eeuwig leven tot de Samaritaanse vrouw
niettegenstaande haar eigenzinnigheid. Hij belooft de hemel aan de goede
moordenaar. In Hem zijn de woorden van de profeet Jesaja werkelijk vervuld: Het geknakte riet zal hij niet
breken en de kwijnende vlaspit dooft hij niet.»7
Niemand heeft ons ooit liefgehad, of zal ons liefhebben zoals
Christus; niemand begrijpt ons beter dan Hij. Toen de gelovigen van Korinte
onderling verdeeld rondliepen terwijl ze tegen elkaar zeiden: 'Ik behoor tot
Paulus, ik behoor tot Apollo, ik behoor tot Kefas, ik behoor tot Christus',
schreef Paulus hun: Is
Paulus voor u gekruisigd? 8
Dit is de uiteindelijke reden.
We mogen nooit de hoop verliezen. God wil dat wij heiligen
zijn, en stelt zijn macht en zijn voorzienigheid in dienst van zijn
barmhartigheid. Daarom kunnen wij de tijd niet laten voorbijgaan met te blijven
stilstaan bij ons ongeluk, God uit het zicht te verliezen, ontmoedigd te raken
wegens onze misstappen, in de verleiding zijn te zeggen: 'Wat voor zin heeft
het om te proberen als je ziet hoe erg ik gezondigd heb, hoe erg ik bij mijn
Heer te kort ben geschoten,?' Nee, wij moeten vertrouwen hebben in de liefde en
in de macht van onze Vader God, en in zijn Zoon, in de wereld gezonden om ons
te verlossen en aan te moedigen.9
Het is zeer goed voor onze ziel om ons zelf te zien vanuit
het oog van de Heer, als een gekwetste rietstengel die veel verzorging nodig
heeft, zoals een kwijnende vlaspit die lampolie van goddelijke liefde nodig
heeft om te kunnen branden zoals God verlangt! Wij verliezen de hoop nooit
zolang als wij beseffen dat wij zwak zijn, vol gebreken en ellende. De Heer
verlaat ons nooit; we moeten alleen zijn middelen gebruiken en niet de hand
afwijzen die Hij ons biedt.
9.3 Jezus' mildheid en barmhartigheid voor de zwakken zijn voor ons een
wegwijzer naar het pad dat wij moeten volgen om onze vrienden bij Hem te
brengen, want op
zijn naam zullen de volkeren hopen.10 Christus is de reddende hoop van de
wereld.
We mogen niet verbaasd staan over de onwetendheid, de
vergissingen, de hardheid van het hart en de weerstand die kenmerkend zijn voor
de gang van veel mensen naar God. Onze houding ten opzichte van hen moet er een
zijn van oprecht respect, begrip en geduld. Want «hij, die geen hand uitsteekt
naar de zondaar noch de last van zijn broeder draagt; breekt de gekwetste
rietstengel, en hij die degenen die nog geloven, al is het weinig, minacht,
dooft de smeulende toorts, de uiterst kleine vonk van het geloof.»11
Onze vriend, al de verschillende mensen die we tegenkomen,
behoren door onze vriendschap of onze houding een vastberaden steun te vinden
voor hun geloof. Als wij voor hen een bron van kracht willen zijn, dan moeten
wij dichtbij hen zijn in hun zwakheid. Wij moeten met ogen vol erbarmen naar
hen kijken, zoals Christus doet, met oprecht respect, het clair-obscur
aanvaarden -het spel van licht en schaduw- van hun sterke punten en zwakheden.
Van de ene kant moeten wij in gedachten houden dat «om Christus' wil anderen te
dienen een grote menselijkheid vereist... Wij moeten begrip hebben voor allen,
met iedereen kunnen omgaan; we moeten iedereen vergeven.»12 Van de andere kant «mogen wij niet zeggen dat
onrecht recht is, dat God beledigen geen belediging is, dat kwaad goed is. Maar
kwaad zullen wij niet beantwoorden met ander kwaad, doch met heldere leer en
goede daden. Zo zullen wij het kwaad verstikken in een overvloed van goed (vgl.
Rom 12,21). Dan zal Christus heersen in onze ziel en in de ziel van hen die ons
omringen.»13
Deze houding van ons, vol begrip en tegelijkertijd
vastberaden, ten aanzien van de mensen die wij ontmoeten is de moeite waard en
brengt rijke vruchten voort, zowel voor onszelf als voor hen. Daardoor zal het
ons niet moeilijk vallen hen te zien als zielen in nood, zoals de Heer deed.
Het is niet voldoende om geniale mensen te waarderen omdat
zij geniaal zijn, of goede mensen omdat zij goed zijn.14
Wij moeten iedere mens waarderen omdat hij mens is, of hij nu onwetend is,
ongevormd of onbetekenend. En wij zullen niet in staat zijn dat te doen tenzij
onze opvatting over wat de mens is, hem tot voorwerp maakt van onze achting.
Veelvuldige overweging van deze waarheid zal ons helpen ons niet van anderen af
te sluiten, in het bijzonder als hun gebreken, hun tekort aan een goede
opvoeding en hun slecht gedrag duidelijker is. In navolging van het voorbeeld
van de Heer zullen wij nooit het gekwetste riet breken. Zoals de goede Samaritaan
in de parabel zullen wij naar de gewonde reiziger toegaan, en zijn wonden
verbinden en zijn lijden verlichten met de balsem van onze naastenliefde. En
eens zullen wij deze zoete woorden horen van de lippen van Jezus: Al wat gij gedaan hebt voor een
dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan.15
Niemand kent het mysterie van de goddelijke barmhartigheid zo
goed als Maria. Zij kent er de prijs van en weet hoe hoog die is. In die zin
noemen wij haar Moeder van
barmhartigheid... Moeder van goddelijke barmhartigheid.16 Aan het slot van deze overweging komen we bij haar,
in de zekerheid dat zij ons altijd naar Jezus brengt en aanspoort vol begrip te
zijn en barmhartig, zoals haar Zoon.
-1. Vgl. Mc 3,6. -2. Mt 12,15-16. -3. Jes 42,1-4. -4. Vgl. A Catholic Commentary on Holy Scripture,
Londen 1953, 696 d. -5. Mt 11,5. -6. Mt 11,28. -7. R. Garrigou-Lagrange o.p., De Verlosser. -8. 1 Kor 1,13.
-9. Vgl. B. Perquin, Abba, Vader. -10. Mt 12,21. -11. H. Hiëronymus, in Catena Aurea. -12.
H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt,
182. -13. Ibidem. -14. Vgl. F.J. Sheed,
Society and Sanity,
bl. 30-31. -15. Vgl. Mt
25,40. -16. Vgl.
Johannes Paulus ii, Enc. Dives in misericordia, 9.
|