Drieëndertigste week. Vrijdag
44. Huis van gebed
-Jezus verdrijft de kooplui uit de tempel. -De
tempel, plaats van gebed. -De ware eredienst.
44.1 Een van de lezingen van de heilige Mis
van vandaag1 vertelt ons een passage uit het
Boek van de Makkabeeën: na de vijanden overwonnen te hebben, besluiten Judas en
zijn broeders om het heiligdom van de Heer te zuiveren en opnieuw in te wijden;
het was immers ontheiligd door de heidenen en door hen die niet trouw aan het
geloof van hun vaderen waren gebleven. Zij begaven zich dus op weg, vol
vreugde, onder het zingen van lofliederen,
begeleid door citers, lieren en cimbalen. Al het volk wierp zich in aanbidding
ter aarde neer en loofde de hemel die hun ondernemingen had doen slagen. Acht dagen lang vierden zij het feest van de altaarwijding en droegen
onder groot gejubel brandoffers op, alsmede lof- en dankoffers. Zij versierden de voorgevel van de tempel met
gouden kransen en schilden, herstelden de poorten en de zalen en plaatsten
nieuwe deuren. Er heerste een zeer grote vreugde onder het volk, omdat de
smaad, hun door de heidenen aangedaan, was weggenomen. Judas de Makkabeeër bepaalde, dat deze dag ieder jaar met een grote
plechtigheid zou worden gevierd. Na zovele jaren van smaad, betoonde het volk
Gods zijn godsvrucht en liefde tot zijn God met uitbundig vreugdebetoon.
Het evangelie van
deze heilige Mis2 toont ons, hoe Jezus in heilige verontwaardiging uitbarstte
toen Hij de toestand rond de tempel
zag. Hij werd zo vertoornd dat Hij degenen die daar handel stonden te
drijven, verdreef. In het Boek Exodus3 had Mozes
reeds bepaald, dat niemand zich in de tempel mocht vertonen zonder iets aan te
bieden. Om het vervullen van deze bepaling te vergemakkelijken voor degenen die
van ver kwamen, was er in de voorhof van de tempel een soort service-centrum
gevestigd waar offerdieren gekocht en verkocht werden. Na verloop van tijd
echter was het uitgegroeid tot een ware veemarkt voor de offerdiensten. Wat aanvankelijk acceptabel en
zelfs gepast was, was zodanig verworden, dat de godsdienstige bedoeling
van de begintijd ondergeschikt was geraakt aan de economische belangen van de
handelaren, die misschien wel tevens de bedienaren van de tempel waren. En die
tempel leek uiteindelijk meer op een veemarkt dan op een plaats van ontmoeting
met God.4
De Heer, gedreven
door zijn ijver voor het huis van zijn Vader5, door een
godsvrucht die uit het diepst van zijn hart kwam, kon dit
beklagenswaardige schouwspel niet verdragen en gooide allen naar buiten, met
tafels, vee en al. Jezus onderstreept het doel van de tempel met een tekst van
Jesaja, die bij iedereen wel bekend was: Mijn huis moet een huis van gebed zijn. En
Hij voegde eraan toe: maar gij hebt er een rovershol van gemaakt. De Heer wilde allen
ervan doordringen welke de eerbied en de houding moest zijn die men in de
tempel diende te tonen vanwege het gewijde karakter ervan. Hoe zal dan onze
eerbied en godsvrucht moeten zijn in onze kerken, waar het eucharistisch offer
wordt gevierd en waar Jezus Christus, God en Mens, werkelijk tegenwoordig is in
het tabernakel! «Er bestaat een etiquette van de vroomheid. -Leer die! -Het is
zielig 'vrome' lieden te zien, die niet weten hoe zij de Mis behoorlijk moeten
bijwonen, ook al doen zij het elke dag. Noch hoe zij een kruisteken moeten
maken -zij maken overhaast een paar vreemdsoortige bewegingen. Noch hoe zij een
kniebuiging voor het tabernakel moeten maken -hun lachwekkende kniebuigingen
zijn een aanfluiting. Noch hoe zij eerbiedig het hoofd moeten buigen voor een
afbeelding van onze lieve Vrouw.»7
44.2 Mijn huis moet een huis van gebed zijn. Hoe
helder is die uitdrukking die de tempel als het huis van God betitelt. Als zodanig moeten
wij het beschouwen. Wij moeten ernaar toe gaan met liefde, met vreugde en ook
met een grote eerbied, zoals dat past bij de plaats waar God zelf is; en... Hij
wacht er op ons!
Dikwijls horen we van handelingen en
plechtigheden -of wonen die bij- uit het politieke, academische leven of uit de
sportwereld: een receptie, een optocht, de Olympische Spelen... En men bemerkt
aanstonds, dat het protocol en een zekere plechtigheid niet overbodig zijn.
Deze, vaak minieme, details -de volgorde van opkomst, de kleding, het trage
loopritme...- komen op ons netvlies terecht en verlenen de handeling een groot
stuk van zijn waarde en karakter.
Ook onder de mensen toont de genegenheid zich
in kleine onderdelen, in attenties en zorg. De trouwring of andere cadeaus die
de toekomstige echtgenoten elkaar schenken, vormen op zichzelf niet de liefde,
maar zijn er wel uitingsvormen van. De mens heeft de eenvoudige rite nodig om
het diepste van zijn wezen uit te drukken. De mens, die niet alleen lichaam of
alleen ziel is, heeft ook de behoefte zijn geloof te uiten in uiterlijke en
tastbare handelingen, die goed tot uitdrukking brengen wat in zijn hart leeft.
Wanneer men bij voorbeeld iemand vroom voor het tabernakel ziet knielen, zal
men makkelijk denken: die man of vrouw heeft geloof en bemint God. En dit
gebaar van aanbidding, als resultaat van wat men in het hart draagt, helpt
jezelf en anderen om meer geloof en meer liefde te bezitten. Paus Johannes
Paulus II wijst in deze zin op de invloed die de eenvoudige en oprechte
godsvrucht van zijn vader op hem heeft uitgeoefend: «Het simpele feit hem te
zien neerknielen heeft een beslissende invloed op mijn jonge jaren gehad».8
Wierook, een buiging maken, knielen, het
stemgeluid dat bij de plechtigheden past, de waardigheid van de gewijde muziek,
van de ornamenten en de gewijde voorwerpen, de omgang met en het versieren van
deze elementen van de eredienst, hun reinheid en verzorging, dat alles zijn
steeds de vormen geweest waarmee een gelovig volk zich heeft geuit. Juist de
glans van de liturgische benodigdheden maakt het makkelijker te begrijpen, dat
het hierbij vooral gaat om een eerbetoon aan God. Als men een van die antieke
monstransen van nabij bekijkt, dan bemerkt men hoe bijna altijd de
kunstzinnigheid rijker en kostbaarder wordt naarmate men dichter bij de plaats
komt waar de geconsacreerde Hostie wordt bewaard. Soms gaat het zelfs om
details die men pas van heel dichtbij opmerkt: de beste kunst bevindt zich
daar, waar -zo zou men kunnen zeggen- alleen God die kan waarderen. Deze zorg,
tot in het allerkleinste toe, is een machtige steun om de tegenwoordigheid van
God zelf te herkennen.
De Heer is het evenmin onverschillig als we Hem
begroeten -Hem als eerste!-, wanneer we een kerk binnengaan, of onze zorg om
stipt op tijd voor de Mis te zijn -beter enkele minuten voor het begin ervan
komen!-, een behoorlijke kniebuiging voor Hem, tegenwoordig in het tabernakel,
maken; de houdingen of de ingetogenheid die we in zijn aanwezigheid bewaren... Is
de tempel voor ons de plaats waar we God eer bewijzen, waar we Hem vinden in
een ware, werkelijke en substantiële tegenwoordigheid?
44.3 Een groot gedeelte van de
voorschriften die de Heer aan Mozes gaf op de Sinaï, beogen tot in detail de
waardigheid van alles wat op de eredienst betrekking heeft, vast te leggen. Zo
wijzen ze erop hoe het tabernakel moet worden vervaardigd, de ark, de gebruiksvoorwerpen,
het altaar, de priesterkleding; hoe de
offerdieren dienen te zijn; welke feesten men moet houden; welke stam en
welke personen de priesterlijke functies moeten vervullen...
Al deze aanwijzingen tonen aan, dat de gewijde
dingen op een bijzondere wijze verbonden zijn met de goddelijke Heiligheid; de
Heer doet er de volheid van zijn rechten mee gelden. In dat volk, dat zo
dikwijls bekoord werd door de heidense riten, trachtte God altijd een diepe
eerbied voor het gewijde in te gieten. Jezus Christus heeft dit onderricht door
een nieuwe geest onderstreept. Juist de ijver voor het huis van God, voor zijn eer
en heerlijkheid, vormt een centraal onderricht van de Messias, en Christus verwezenlijkt
dit door krachtdadig de handelaren de tempel uit te jagen. En in zijn prediking
zal Hij nadruk blijven leggen op de eerbied waarmee men met de goddelijke gaven
moet omgaan; soms doet Hij dat met uiterst krachtige bewoordingen: Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw
paarlen niet voor de zwijnen.10
Tegenwoordig ervaren we op veel plaatsen een
sfeer van ontheiliging. In zulke houdingen is een atheïstische mensopvatting
latent aanwezig. Volgens zulk een opvatting moet «de religieuze betekenis die
de natuur in de mensen heeft ingegoten, beschouwd worden als louter verzinsel
of verbeelding, en daarom moet zij volledig uit de geest worden uitgebannen
omdat zij absoluut tegengesteld is aan het karakter van onze tijd en de
vooruitgang van de beschaving.»11 Tegelijkertijd
zien we hoe, ook bij mensen die zich ontwikkeld noemen, waarzeggerspraktijken
groeien, evenals de ongeordende en ziekelijke 'eredienst' aan de statistieken,
de plannenmakerijen...: het ongeloof komt aan alle kanten naar buiten. En dat
komt, omdat de mens in het diepst van zijn bewustzijn het bestaan bespeurt van
Iemand die het heelal regeert en die onbereikbaar is voor de wetenschap. «Zij
hebben geen geloof. -Maar bijgelovig zijn ze wel.»12
De Kerk wijst ons er op, dat God onze enige
Heer is. En Hij heeft vele details en vormen willen bepalen van de eredienst,
die de uitdrukking zijn van de aan God verschuldigde eer en van een waarachtige
liefde. Zij leert ons niet slechts, dat de heilige Mis het middelpunt is van
geheel de Kerk en van het leven van iedere christen, en dat zij haar liturgie
heeft vastgesteld; zij heeft eveneens gewild, dat onze kerken ware huizen van gebed zijn.
Zij heeft bepaald, dat de kerken op gepaste uren open moeten zijn «opdat de
gelovigen gemakkelijk voor het allerheiligste Sacrament kunnen bidden.»13 Zij heeft gewezen14
op iets wat alle eeuwen door een blijvende praktijk is geweest: het tabernakel
moet van stevig materiaal zijn, het moet zich op een in het oog vallende maar
tegelijk ook ingetogen plaats bevinden, zodat de christenen het allerheiligste
Sacrament ook met een persoonlijke eredienst kunnen eren. Men moet, door
duidelijke tekenen, bij binnenkomst in een kerk weten waar het tabernakel zich
bevindt; daarom is er de Godslamp die voortdurend bij het Sacramentsaltaar moet
branden. We moeten wel bedenken, dat deze details in de eerste plaats uitingen
zijn van liefde en aanbidding voor Jezus Christus, die daar werkelijk
tegenwoordig is, en pas in de tweede plaats aanduidingstekenen van zijn
aanwezigheid. Wij, alle gelovigen, priesters en leken, moeten «zoveel zorg
dragen voor de eredienst en de eer aan God, dat zij met recht eerder ijveraars
dan minnaars genoemd kunnen worden... om Jezus Christus zelf na te volgen, van
wie de woorden zijn: De ijver voor uw
huis zal mij verteren.»15
-1. Eerste lezing (oneven jaren), 1 Mak 4,36-37;52-59. -2.
Lc
19,45-48. -3. Vgl. Ex 23,15. -4. Vgl. The Navarre
Bible,, aantekening bij Mt 21,12-13. -5. Vgl. Joh 2,17. -6. Jes 56,7. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 541. -8. A.
Frossard, Wees
niet bang, Antwerpen 1983, bl. 12-13. -9. Vgl. Ex 25,1 e.v. -10. Mt 7,6. -11. Johannes xxiii, Enc.
Mater et Magistra, 15 mei 1961, 214. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, o.c., n. 587. -13. Paulus vi, Instr. Eucharisticum mysterium,
25 mei 1967; vgl. CIC, 937. -14.
Ibidem, vgl. CIC, 938. -15. Romeinse Katechismus, II,
2, 27.
|