Zevenentwintigste zondag door het jaar (A)
46. In de wijngaard van de geliefde
-De parabel van de wijngaard. -Wrange vruchten. -De vruchten
die God verwacht.
46.1 De
liturgie van vandaag1 spreekt in zeer mooie
symbolische voorstellingen tot ons over Gods liefde voor zijn volk en over het
tekortschieten in het beantwoorden aan die liefde. Wij lezen in de eerste
lezing het zogeheten lied van de wijngaard van de profeet Jesaja. Israël wordt
gesymboliseerd door Gods beplanting die vol belofte is. Ik wil zingen van mijn
vriend, het lied van mijn vriend en zijn wijngaard. Mijn vriend had een
wijngaard op een vruchtbare helling. Hij spitte hem om, verwijderde de stenen
en beplantte hem met edele wingerd. Hij bouwde er een wachttoren en kapte er
ook een wijnpers uit. Nu verwachtte hij dat deze druiven zou dragen, maar hij
bracht slechts wilde bessen voort. Ook al waren de wijnstokken
geplant in goede grond, zij droegen zure vruchten. De profeet Jesaja vervolgt: Welnu, bewoners van Jeruzalem, mannen
van Juda, doet uitspraak tussen Mij en mijn wijngaard. Wat kon Ik nog voor mijn
wijngaard doen dat Ik niet heb gedaan? Waarom bracht hij slechts wilde bessen
voort, waar Ik verwachtte dat hij druiven zou dragen?
Palestina was een land van wijngaarden. De profeten van het
Oude Testament grepen telkens terug naar dit geliefde beeld van het uitverkoren
volk. Israël is de wijngaard van God, het werk van de Heer, de vreugde van zijn
hart.2 Ik had u geplant als een edele wijnstok van de fijnste
soort.3 Uw moeder was in de tijd van haar bloei als een wijnstok,
aan het water geplant...4 In het
evangelie van vandaag haalt de Heer de woorden van Jesaja aan in de parabel van
de wijngaard.5 Jezus laat ons het eindeloze
geduld zien van God, de eigenaar van de wijngaard, die de ene dienaar na de
ander stuurt om de opbrengst in ontvangst te nemen. Dit zijn de profeten van
het Oude Testament. De vader stuurt uiteindelijk zijn geliefde zoon en de pachters vermoorden hem: Zij grepen hem vast, wierpen hem de
wijngaard uit en doodden hem. Hier wordt onmiskenbaar verwezen
naar de komende kruisiging buiten de muren van Jeruzalem.
De wijngaard is Israël. Zij beantwoordde niet aan haar goddelijke roeping. De wijngaard is ook een
symbool van de Kerk en daarom van ieder van ons. «De ware wijnstok is Christus, die leven en groeikracht schenkt aan de
ranken, dat wil zeggen aan ons, die door de Kerk in Hem blijven en
zonder Wie wij niets kunnen doen (Joh 15,1-5).»6
Laten wij vandaag nadenken of de Heer overvloedige vruchten
van heiligheid en apostolaat in ons leven kan vinden. Zij behoren overvloedig
te zijn, omdat wij al zoveel hebben ontvangen. De vruchten kunnen komen in de
vorm van daden van liefde, of werk dat goed gedaan is, of uit apostolaat onder
vrienden en familie, of uit daden van liefde en eerherstel aan God en uit het
vanuit het geloof aanvaarden van tegenslagen. Of produceren wij in plaats van
het bovenstaande wilde bessen, symbool voor die zonden, lauwheid, geestelijke
middelmatigheid, tekortkomingen enzovoorts?
46.2 Er was een landeigenaar die een
wijngaard aanlegde; hij zette er een heining omheen, hakte een wijnpers erin
uit en bouwde een wachttoren. De heilige Ambrosius merkt op: «De
heg staat voor de goddelijke bescherming tegen geestelijke plunderaars... De
wijnpers is om de wijnoogst te winnen van de goddelijke druif.»7 Wij hebben zoveel geestelijke gunsten ontvangen. De
heg, de wijnpers en de wachttoren betekenen, dat God veel zorg heeft besteed
aan de ontginning van zijn wijngaard. Toen ik verwachtte dat hij druiven zou dragen, waarom bracht
hij toen slechts wilde bessen voort?
Zonde is de wrange vrucht van ons leven. De ervaring van de mensheid en die van ieder individu is
boordevol met de werkelijkheid van zonde. «Niemand wordt door zichzelf
en uit eigen kracht van de zonde bevrijd en boven zichzelf verheven; niemand
wordt geheel en al verlost van zijn zwakheid, eenzaamheid of slavernij, maar
allen hebben Christus nodig. Toonbeeld, Leraar, Bevrijder, Verlosser en
Levendmaker.»8 Onze zonden zijn innig verbonden
met de dood van de geliefde zoon,
Jezus. En zij grepen hem vast,
wierpen hem de wijngaard uit en doodden hem.
Als wij goede vruchten voor de Heer willen voortbrengen,
moeten wij Hem vragen om een sterke afkeer van alle zonden, inclusief de
dagelijkse zonden. Fouten, zoals gebrek aan liefde, een kritische geest ten
opzichte van anderen, ongeduld, het koesteren van wrok, losheid van de zinnen,
werk dat afgeraffeld is... «Dagelijkse zonden brengen de ziel veel schade toe.
Daarom zegt de Heer in het Hooglied: Capite nobis vulpes parvulas, quae demoliuntur vineas- Vang
de kleine vossen, die de wijngaard vernielen.»9 Telkens opnieuw is het nodig dat wij al wat de Heer
niet bevalt afwijzen. De ziel die met toewijding dagelijkse zonden uitsluit zal
tot een diepere vriendschap met de Meester komen.
Onze zwakheden moeten ons aansporen tot meer daden van
eerherstel en diepe spijtbetuigingen. Zoals wij met een goede daad het trachten
goed te maken met iemand die wij gekwetst hebben, zo zullen wij met meer
inspanning onze vriendschap met Christus herstellen. Hij zal glimlachen bij
onze pogingen en vrede aan onze ziel geven. Zo zullen wij de vrucht terugvinden
die verloren was. «Vraag de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, vraag je
Moeder, dat Zij je helpen jezelf te kennen, en te huilen om die berg afval,
jouw verleden, dat -helaas- zoveel droesem naliet... En zeg Hem tegelijkertijd,
zonder deze gedachte van je af te zetten: geef mij, Jezus, een Liefde als een
louterend vuur, waarin mijn arme vlees, mijn arme hart, mijn arme ziel, mijn
arme lichaam verteerd worden en daardoor gezuiverd van alle aardse ellende... En
als mijn ik dan ontledigd is, vul ik het met U: opdat ik me nooit meer hecht
aan iets van hier beneden. Moge de Liefde mij altijd schragen.»10
46.3 Wij
lezen vandaag in de tweede lezing deze woorden van de heilige Paulus aan de
christenen van Filippi: Ten
slotte, broeders, houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel
is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd
heet en lof verdient.11
De dingen van deze wereld zijn in zichzelf goed. Zij kunnen
een goddelijke waarde krijgen. Zoals de heilige Irenaeus heeft geschreven:
«Door de werking van het Woord van God is alles onderdeel van zijn heilswerk
geworden. De Zoon van God is voor iedereen gekruisigd. Hij heeft het teken van
het kruis boven alle dingen geplaatst.»12 Onze
dagelijkse bezigheden behoren omgevormd te worden tot goede vruchten voor God.
«Wij kunnen niet zeggen dat er zaken zijn -goed, edel of neutraal- die
uitsluitend wereldlijk zijn. Dat is onmogelijk nadat het Woord Gods onder ons
gewoond heeft, honger en dorst heeft gevoeld, met zijn handen heeft gewerkt,
vriendschap en gehoorzaamheid heeft beleefd en lijden en dood heeft ondergaan.»13 Al het menselijke, als het een eerbare zaak is, mag
geheiligd worden en aan God geofferd.
Iedere dag van ons leven zijn er talloze gelegenheden om
goede vruchten te geven aan de Heer. Bij het krieken van de dag kunnen wij Hem
die heldhaftige minuut offeren van het op tijd opstaan. Wij kunnen aan Hem het
zonder tegenstribbelen aanvaarden van bijvoorbeeld frustrerende verkeersdrukte
of een lichte ziekte wél aanbieden. Er zijn heel veel gelegenheden gedurende de
dag om een glimlach, een vriendelijk woord, een daad van vergiffenis te
offeren... Bij onze arbeid verwacht de Heer dat die goede vrucht aanwezig is in
werk dat goed gedaan is, in stiptheid, in orde, in geconcentreerde aandacht...
Wij moeten ons bewust zijn van de levende aanwezigheid van God om te volharden
in deze kleine offers gedurende de dag. Een blik op de beeltenis van Maria of
op een kruisbeeld kan helpen. Wij kunnen aan de Heer denken in het
dichtstbijzijnde bedehuis... Wie in
Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt gij
niets... Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt, dat gij rijke vruchten draagt;
zo zult gij mijn leerlingen zijn.14
Onze moeder Maria zal ons leren hoe belangrijk het is goede
vruchten voor God voort te brengen. Zij zal ons helpen te zorgen geen slechte
vruchten aan God te geven.
-1. Jes
5,1-7. -2. Vgl. Johannes
Paulus ii, Apost. exhort. Christifideles laici, 30 december 1988, 8. -3.
Jr 2,21. -4. Ez 19,10. -5. Mt 21,33-43. -6. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen gentium, 6. -7. H. Ambrosius, Commentaar op het evangelie van Lucas, 20,9.
-8. Vaticanum ii, Decr. Ad gentes, 8. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 329. -10. idem, De Smidse, 41. -11. Fil 4,8. -12. H. Ireneüs, Voorbeelden van apostolisch preken.
-13. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 112.
-14. Joh 15,5-8.
|