19 januari. Tweede dag van de Bidweek
5. INTERNE EENHEID VAN DE KERK
-De eenheid met
Christus is het fundament van de eenheid van de broeders onder elkaar.
-Bevorderen wat één maakt, vermijden wat scheiding veroorzaakt. -Orde in de
naastenliefde.
5.1 De Heer heeft ons met zijn Persoon willen verbinden door de meest
hechte banden, door knopen die zo sterk zijn als die welke de verschillende
delen van een levend lichaam binden. Om de betrekking tot uitdrukking te brengen die zijn leerlingen moeten onderhouden met
Hem, het fundament van elke andere eenheid, heeft de Heer ons gesproken
over de wijnstok en de wijnranken: Ik ben de ware wijnstok.1 In de voorhof van de tempel van Jeruzalem bevond
zich een enorme vergulde wijnstok, als symbool van Israël. Wanneer Jezus
beweert, dat Hij de ware wijnstok is, zegt Hij ons hoe voorlopig de wijnstok
was die toentertijd het volk van God symboliseerde. Blijft in Mij, zoals Ik in u. Zoals de rank geen
vrucht kan dragen uit zichzelf, maar alleen als zij blijft aan de wijnstok, zo
gij evenmin, als gij niet blijft in Mij. Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Wie
in Mij blijft, zoals Ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van Mij kunt
gij niets.2 «Kijk
eens naar de ranken die, gevoed met het sap uit de oude stam, vol vrucht zijn.
Alleen zo konden de kleine knoppen van een paar maanden terug zich ontwikkelen
tot een massa zoete en rijpe vruchten die een lust is voor het oog en het hart
van de mens. Misschien blijven er een paar twijgjes verspreid op de grond
liggen of half eronder. Dat waren ook ranken, maar ze zijn uitgedroogd en
hebben de verzengende hitte van de zomer niet overleefd. Ze zijn een heel
beeldend teken van onvruchtbaarheid.3
De vereniging met
Christus is de basis van de levende eenheid van de
broeders onder elkaar; een zelfde sap stroomt door alle leden van het Mystieke
Lichaam van Christus en versterkt hen. In de Handelingen van de Apostelen lezen
wij hoe de eerste christenen, allen eensgezind bleven volharden in het gebed4; en de gelovigen waren eensgezind [...], ze waren gewoon hun bezittingen en
goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte.5 Het geloof in Christus bracht -en brengt- enkele
praktische gevolgen ten aanzien van de naaste met zich mee: een zelfde
gemeenschap van gevoelens en een gesteldheid van vrijgevigheid die zich, op
het gepaste ogenblik uit in een edelmoedig afstand doen van de eigen goederen ten gunste van degenen die zich
in meer behoeftige omstandigheden bevinden. Het geloof in Christus zet
ons ertoe aan -zoals de eerste christenen- broederlijk met elkaar om te gaan,
om een cor unum et anima una6, één hart en één ziel te hebben.
Bij een andere
gelegenheid schrijft Lucas: zij
legden zich ernstig toe op de leer
van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en
ijverig in het breken van het brood en in het gebed.7 Ons dagelijks gebed en vooral de vereniging met Christus in de eucharistie -het breken van het brood-
«moet tot uiting komen in ons dagelijks bestaan: in ons handelen,
gedrag, levensstijl en in onze betrekkingen met anderen. Voor ieder van ons is
de eucharistie een oproep tot een groeiende inspanning om ware navolgers van Jezus te worden: waarachtig in
woord, edelmoedig in daden, met belangstelling en respect voor de
waardigheid en de rechten van alle mensen, offervaardig, eerlijk,
rechtvaardig, vriendelijk, attent, barmhartig [...].
De waarheid van onze vereniging met Jezus Christus in de eucharistie wordt duidelijk als wij onze
metgezellen beminnen [...], in de wijze waarop wij met anderen omgaan, heel
bijzonder met ons gezin [...], in het verlangen ons met onze vijanden te
verzoenen, in het vergeven van hen die ons kwetsen of beledigen»8, in het beoefenen van de broederlijke
vermaning wanneer dat nodig is, in de
bereidheid anderen te helpen, in de welwillende ijver om hen dichter tot
de Heer te brengen, in de ware belangstelling voor hun gezondheid, voor hun
vorming...
De intieme omgang met Christus schept een
grootmoedige ziel, die in staat is de eenheid te bevorderen met al degenen die
wij op onze levensweg ontmoeten en in het bijzonder met wie wij door sterke
banden zijn verbonden.
5.2 Een vaste waarborg voor de oecumenische geest is die liefde met daden
ten bate van de interne eenheid van de Kerk, want «hoe kan men verlangen dat
degenen die ons geloof niet hebben, tot de heilige Kerk zullen komen, als ze
zien hoe kwetsend de mensen met elkaar omgaan die zich volgelingen van Christus
noemen?»9
Deze geest zal
zich uiten in onze naastenliefde jegens de andere
katholieken, in onze toewijding om het geloof te bewaren, in de fijngevoelige
gehoorzaamheid aan de paus en de bisschoppen, in het vermijden van alles wat
scheidt of verwijdert. «Het is niet voldoende zich katholiek te noemen: het is nodig daadwerkelijk één te zijn.
De trouwe kinderen van de Kerk moeten de opbouwers zijn van de concrete
eenheid, van de sociale band [...]. Tegenwoordig wordt vaak gesproken over het herstel van de eenheid met de
afgescheiden broeders, en dat is terecht; dit is een uiterst waardevolle
onderneming, en aan de voortgang hiervan moeten wij allen in nederigheid
meewerken, met vasthoudendheid en vertrouwen. Maar wij mogen niet vergeten -zei Paulus vi- dat wij nog
meer dienen te werken aan de interne eenheid van de Kerk, die zo noodzakelijk
is voor haar geestelijke en apostolische vitaliteit.»10
De Heer gaf ons een onderscheidingsteken
waaraan de wereld zijn volgelingen zou
kunnen herkennen, de wederzijdse liefde: hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen
zijt.11 Deze liefde vormt als het
ware de metselspecie die de levende
stenen van het gebouw van de Kerk stevig samenhoudt12, zoals de heilige Augustinus het uitdrukt. En sint
Paulus spoorde de christenen van de Kerk van
Galatië als volgt aan: laten we dus,
zolang we tijd hebben, goed doen aan allen, maar vooral aan onze geloofsgenoten.13 Sint Petrus schrijft in nagenoeg gelijke bewoordingen:
Betoont eer aan allen, bemint de
broeders14, en het hoofd der
apostelen gebruikt hier een term die allen die tot de Kerk behoren omvat.
Toen de
vervolgingen begonnen, kreeg de term 'broeder' een
aangrijpende en innige kracht, en de bede voor hen die in de grootste ellende
verkeerden werd een dringende noodzaak;
tegenover de moeilijkheden van buitenaf verenigde men zich des te
sterker. Ook wij in onze dagen moeten de noodzaak voelen om «dat gevoel te
voeden van solidariteit, vriendschap, wederzijds begrip, van respect voor het
gemeenschappelijk erfgoed van leer en zeden, van gehoorzaamheid en
eenduidigheid in het geloof, als onderscheidingsteken van het katholicisme; dát
vormt zijn kracht en schoonheid en toont zijn authenticiteit.»15 Als wij degenen moeten beminnen die niet volledig
zijn opgenomen in de Kerk, hoe zullen wij dan niet hen beminnen die wel tot de
Kerk behoren, met wie wij door zoveel bovennatuurlijke banden zijn verbonden?
De liefde tot Christus moet ons ertoe brengen,
dat wij radicaal alles vermijden dat, zelfs
van verre, de schijn kan hebben van negatief oordeel of kritiek ten
aanzien van onze broeders in het geloof, en in het bijzonder ten aanzien van degenen die door hun zending of ambt
in de Kerk met gezag zijn bekleed of de plicht hebben een bijzonder voorbeeldig leven te leiden. Als we ooit een
slecht voorbeeld tegenkomen of een gedrag dat ons verkeerd voorkomt, dan
moeten we trachten de redenen te begrijpen waarom de betrokkene tot onjuist
optreden is gekomen; we zullen hem moeten verontschuldigen, voor hem bidden en
zo nodig zullen we hem met een niet kwetsende fijngevoeligheid broederlijk
terecht wijzen, zoals de Heer ons heeft opgedragen. We moeten de heilige Maria
bidden, dat men nooit van ons zal kunnen zeggen, dat wij door roddel of kritiek
bijgedragen hebben aan de beschadiging van die diepe eenheid van het Mystieke
Lichaam van Christus. «Maak er een gewoonte van om over alles en iedereen
vriendelijk te spreken, vooral over hen die in dienst van God werken. -En als dat niet kan, houd dan je
mond! Ook bruuske en lichtvaardige commentaren kunnen uitlopen op
kwaadsprekerij en laster.»16
5.3 Bij gevaar tracht de mens haast instinctief zijn hoofd te beschermen;
deze zelfde houding moeten wij ook als christenen
bezitten. De paus en de bisschoppen beschermen, in onze eigen kring, wanneer
zij bloot staan aan kritiek en
kwaadsprekerij, wanneer zij geminacht worden... De Heer verheugt zich en
zegent ons steeds wanneer wij, in de mate waarin we kunnen, in de bres springen
voor zijn plaatsbekleder op aarde en voor hen die, zoals de bisschoppen, in de
pastorale taak delen. Omdat eenheid een positieve zaak is die dag na dag wordt
opgebouwd, zullen we dagelijks bidden voor de paus en de herders, met liefde en vroomheid: Dominus
conservet eum et vivificet eum, et beatum faciat eum in terra... De Heer behoede hem en schenke hem nieuwe kracht en moge hem gelukkig
maken op aarde...
De liefde voor de eenheid zal ons helpen de
broederlijke eendracht te bewaren, te vermijden wat scheiding teweegbrengt en
te bevorderen wat verenigt: gebed, hartelijkheid, broederlijke vermaning, gebed
voor die broeders die nu wellicht het meest onze hulp behoeven, voor hen die in
landen wonen waar het geloof wordt vervolgd of belemmerd.
De orde in de naastenliefde -die kijkt naar wie
het dichtst bij God staan- brengt ons evenzeer ertoe om in daden en werken
degenen te beminnen die de Heer ons het meest nabij heeft willen plaatsen. De
banden van het geloof, familie, verwantschap, werk, nabuurschap... roepen
plichten van naastenliefde op die wij heel bijzonder moeten betrachten.
Moeilijk kan een liefde authentiek genoemd worden die zich zou bekommeren om
hen die ver weg staan en die degenen zou vergeten die de Heer dicht bij ons
heeft geplaatst, opdat wij hen met onze zorg en gebed beschermen en helpen.
Sint Augustinus beweerde dat hij zich, zonder overigens iemand uit te sluiten,
het gemakkelijkste wijdde aan hen die hem het meest vertrouwd en familiair
waren. En hij voegde eraan toe: «in deze naastenliefde rust ik onbezorgd uit,
want daar voel ik de aanwezigheid van God, aan wie ik mij veilig overgeef en in
wie ik veilig rust...»17 En sint Bernardus bad de
Heer om zijn hulp om goed te kunnen zorgen voor de hem toevertrouwde kudde.18
De interne eenheid
van de Kerk, gebaseerd op de naastenliefde, is het beste
middel om degenen aan te trekken die nog ver zijn evenals hen die, vaak zonder
het zelf te beseffen, op weg zijn naar het vaderhuis. Onze levenswijze dient
zodanig te zijn, dat in de overigen bij het zien van de vreugde, de wederzijdse
liefde, de dienstvaardigheid, het verlangen ontbrandt tot dezelfde familie te
behoren. Gebed en ijver voor de eenheid moeten vergezeld gaan van het levende
voorbeeld in ons dagelijks leven. Juist dit voorbeeld zal een sterke
aantrekkingskracht vormen voor hen die, ook al zijn zij leden van de
katholieke Kerk, dood of slapend zijn in de naastenliefde, daar zij verre staan
van de sacramenten, van het intieme omgaan met Jezus Christus.
-1. Joh 15,1. -2. Joh 15,4-6. -3. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 254. -4. Hnd 1,14. -5. Hnd 2,44-45. -6. Hnd 4,32. -7. Hnd 2,42. -8. Johannes Paulus ii, Homilie in het Phoenix
Park, 29-IX-1979. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 751.
-10. Paulus vi, Toespraak 31-III-1975. -11. Vgl. Joh 13,35. -12. Vgl. H. Augustinus, Commentaar op psalm 44. -13. Gal 6,10. -14. 1 Pe 2,17. -15. Paulus vi, loc. cit. -16. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 90. -17. H. Augustinus, Brief 73. -18. H. Bernardus, Preek 49 over het Hooglied.