Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Zondag na Pinksteren (2)

40. INWONING VAN DE HEILIGE DRIEËENHEID IN DE ZIEL

-Aanwezigheid van God, één en drieënig, in de ziel die in staat van genade verkeert. -Het bovennatuurlijke leven van de christen is gericht op kennis en omgang met de Heilige Drieëenheid. -Tempel van God.

40.1 Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onder­houden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen.1 Aldus antwoordde Jezus bij het Laatste Avondmaal op de vraag van een van zijn leerlingen, waarom Hij zich aan hen ging openbaren en niet aan de wereld, zoals de Joden van die tijd dachten over de komst van de Messias. De Heer openbaart, dat niet alleen Hij, maar de Heilige Drieëenheid zelf verblijf zal houden in de ziel van hen die Hem beminnen, zoals in een tempel.2 Deze openbaring vormt «de substantie van het Nieuwe Testament»3, de kern van zijn onderricht.

God -Vader, Zoon en Heilige Geest- woont in onze ziel, die in staat van genade verkeert, niet alleen omdat Hij, als oneindig Wezen, overal en in alle dingen aanwezig is, maar op een bijzondere wijze, door middel van de heiligma­kende genade.4 Deze nieuwe tegenwoordigheid vervult de ziel, die op weg is naar heiligheid, met liefde en onuitspre­kelijke vreugde. Daar, in het middelpunt van de ziel, moe­ten wij eraan gewend raken God te zoeken in de meest ver­scheiden situaties van het leven: op straat, op het werk, bij het sporten, als we rusten... «O, allerschoonste ziel -riep de heilige Johannes van het Kruis uit- die zozeer ernaar verlangt de plaats te kennen waar uw Geliefde is om Hem te zoeken en Hem te aanschouwen, men zegt wel dat ge zelf de plaats bent waar Hij is en de plek en het toevluchts­oord waar Hij verborgen is; het is voor u een grote voldoe­ning en vreugde te zien, dat heel uw goed en heel uw hoop zo dicht bij u is, dat het ín u is of, liever gezegd, dat u niet zonder hem kunt. Ziet -zegt de Bruidegom- het Rijk Gods is midden onder u (Lc 17,21); en zijn dienaar de apostel Paulus zegt: Gij zijt tempel van God (2 Kor 6,16).»5

De tegenwoordigheid van de Allerheiligste Drieëenheid is geen geluk dat slechts voor uitzonderlijke mensen be­stemd is, mensen met buitengewone charisma's of kwalitei­ten, maar ook voor de gewone christen, die geroepen is tot heiligheid te midden van zijn beroepsuitoefening en die God verlangt te beminnen met heel zijn wezen, ook al zijn er -zoals de heilige Theresia van Avila opmerkt- «velen die zich op het plein van de burcht (van de ziel) bevinden, daar waar de wachters zich ophouden. Ze stellen geen be­lang in het naar binnengaan. Ze beseffen niet wat er in die kostbare plaats te vinden is, ook niet wie er woont...»6 In die «kostbare plaats», in de ziel die straalt van genade, daar is God met ons: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Deze tegenwoordigheid, die de theologen 'inhabitatio', 'inwoning' noemen, verschilt slechts door haar aard van de staat van gelukzaligheid van degenen die reeds het eeuwi­ge geluk in de hemel genieten.7 En ofschoon zij eigen is aan de drie goddelijke Personen, wordt zij toegeschreven aan de Heilige Geest, omdat het heiligingswerk eigen is aan de Liefde.

Deze openbaring die God als in een liefdevolle ontboezeming aan de mensen gaf, deed vanaf het begin de chris­tenen verwonderd staan en vervulde hun hart met boven­natuurlijke vrede en vreugde. Wanneer wij goed bevestigd zijn in deze bovennatuurlijke werkelijkheid -God, een en drieëen, woont in mij- maken wij van het leven -met en zelfs juist door zijn tegenslagen- een 'voorproef op de he­mel': het is alsof wij ons in Gods intimiteit plaatsen en het goddelijk leven, waaraan wij deelgenoot worden, leren kennen en beminnen. «Bodemloze oceaan van het godde­lijk leven, tot uw oevers ben ik gekomen met een verlangen naar geloof. Zeg mij waarom uw afgrond mij zozeer beto­vert. Bodemloze oceaan van het goddelijk leven, uw golven trokken mij aan... en ik voel al geen vaste grond meer!»8

40.2 De christen begint zijn leven in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest; in diezelfde naam neemt hij afscheid van deze wereld om in de volheid van gezicht deze goddelijke Personen in de hemel te ontmoeten, met wie hij hier op aarde trachtte om te gaan. Eén God en drie goddelijke Personen: dat is onze geloofsbelijdenis, die de apostelen van Jezus' lippen hebben vernomen en overge­leverd; die de christenen vanaf het eerste ogenblik hebben geloofd, die het leergezag van de Kerk altijd heeft onderwe­zen. Naarmate zij voortschreden op hun weg naar God, hebben de christenen aller tijden de noodzaak gevoeld deze eerste waarheid van ons geloof te overwegen en met ieder van de goddelijke Personen om te gaan. De heilige Theresia van Jezus vertelt ons in haar 'Leven' hoe zij, juist door het overwegen van een van de oudste geloofsbelijdenissen-het zogeheten Symbolum Athanasianum of Quicumque- bijzondere genaden verkreeg om in deze wonderbare werkelijkheid door te dringen. «Toen ik een keer het Quicumque aan het bidden was -zo schrijft de heilige- werd mij de wijze hoe er één God en drie Personen bestaan zo helder, dat ik ervan schrok en tegelijk zeer getroost werd. Het was mij van het allergrootste nut om de grootheid van God en zijn wonderen beter te leren kennen, en wanneer ik eraan denk of wanneer het gaat over de Allerheiligste Drieëenheid, lijk ik te begrijpen hoe dat kan, en dat strekt mij tot grote voldoening.»9

Heel het bovennatuurlijke leven van de christen is ge­richt op deze kennis van en innige omgang met de Heilige Drieëenheid, die «de vrucht en het doel van heel ons leven» zal worden.10 Daartoe zijn wij geschapen en tot het boven­natuurlijk plan verheven: om God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest, die in de ziel in staat van genade woont, te leren kennen, met Hen te verkeren en Hen te beminnen. Van deze goddelijke Personen krijgt de christen in dit leven «een proefondervindelijke kennis» die, verre van iets buitengewoons, binnen de normale weg tot heilig­heid ligt.11 Heiligheid, waartoe de huismoeder geroepen is die alleen maar tijd heeft om voor het gezin te zorgen en het te onderhouden, de arbeider die voor het aanbreken van de dag zijn werk begint, de zieke die door zijn ziekte niets kan doen... In zijn oneindige liefde voor ieder mens wenst God vurig zich kenbaar te maken op deze innige en liefdevolle wijze voor hen die waarachtig de voetsporen van zijn Zoon volgen.

Op deze weg naar de Drieëenheid, waar al onze inspan­ningen naar toe moeten leiden, hebben wij de Heilige Geest als Gids en Meester. Zoals de Heer beloofd had, en zijn woord kan niet falen: Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere Helper geven om voor altijd bij u te blijven: de Geest van de waarheid, voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent. Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet verweesd achter­laten: Ik keer tot u terug.12 In dit 'u' zijn gelukkig ook wij ingesloten, wij die gedoopt zijn en heel bijzonder wij die Jezus van nabij willen volgen, vanuit de plek en de omstan­digheden waar het leven ons geplaatst heeft. Het is aange­naam te overwegen dat dit mysterie, dat voor de mense­lijke rede alleen niet toegankelijk is, doorschijnend wordt door het licht van het geloof en de hulp van de Heilige Geest: aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk der hemelen te kennen.13 Bidden wij Hem vandaag, dat Hij ons moge leiden op deze weg vol van licht.

40.3 Wanneer wij de Heilige Geest bidden om een groot verlangen ons hart te zuiveren, dan moeten wij tegelijkertijd verlangen naar deze innige ontmoeting met de Allerheiligste Drieëenheid, en dan mogen wij ons niet laten tegenhouden door het feit, dat we soms wellicht duidelijker onze zwakheden en onze lauwheid jegens God bespeuren. De heilige Theresia vertelt dat zij, bij het overwegen van de aanwezigheid van de drie goddelijke Personen in haar ziel «versteld stond zoveel grootheid te zien in zoiets kleins als mijn ziel»; toen sprak de Heer tot haar: «Zij is niet klein, mijn dochter, want zij is gemaakt naar mijn beeld.»14 En de heilige was vervuld van troost. Voor ons kan het een grote weldaad zijn deze woorden te overwegen: zij zijn als het ware tot ons gericht en ze zullen ons aanmoedigen om voort te gaan op de weg die in God uitmondt. Eveneens moeten wij omgaan met hen die wij dagelijks ontmoeten en spreken: zij zijn de bezitters van een onsterfelijke ziel, een beeld van God, en zij zijn 'tempels van God' of kunnen dat worden.

De zalige Elisabeth van de Drieëenheid schreef aan haar zus, nadat zij het bericht had gekregen van de geboor­te en de doop van haar eerste nichtje: «Ik voel mij door­drongen van eerbied tegenover dit kleine heiligdom van de Allerheiligste Drieëenheid... Als ik bij haar was, zou ik neerknielen om Hem die in haar woont te aanbidden.»15

De Kerk raadt ons aan de vroomheid met stevig voedsel te voeden, en daarom dienen wij deze artikelen van het ge­loof te bidden en te overwegen, evenals de gebeden tot lofprijzing van de Drieëenheid: het Quicumque of Symbolum Athanasianum (dat de christenen oudtijds iedere zondag na de preek baden, en dat ook nu nog door velen wordt gebeden en overwogen tot eer van de Heilige Drieëenheid), het Trisagium Angelicum (het Driemaal Heilig der Engelen) heel bijzonder op dit hoogfeest, het Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest... Wanneer wij met de hulp van de genade leren door te dringen in deze devo­ties, dan is het alsof wij weer de woorden van de Heer hoorden: gelukkig uw ogen, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen! Want voorwaar, Ik zeg u: vele profeten en rechtvaardigen hebben verlangd te zien wat gij ziet, maar zij hebben het niet gezien; en te horen wat gij hoort, maar zij hebben het niet gehoord.16

Wij besluiten ons gebed door in ons hart met de heilige Augustinus te herhalen: «Mijn Heer en mijn God, mijn eni­ge hoop, aanhoor mij, opdat ik niet in wanhoop verval en U niet meer zoek. Dat ik altijd moge verlangen uw aange­zicht te zien. Geef mij kracht om U te zoeken, Gij die gezorgd hebt dat ik U mocht ontmoeten en die me de hoop hebt gegeven tot een meer volmaakte kennis van U. Vóór U staat mijn kracht en mijn zwakheid: genees die laatste, bewaar de eerste. Vóór U ligt mijn kennis en mijn onwe­tendheid: als Gij mij open doet, neem dan degene die binnentreedt op; als Gij de deur voor mij sluit, open dan hem die roept. Maak dat ik mij U herinner, dat ik U moge begrijpen en beminnen. Vermeerder in mij deze gaven tot mijn volledige omvorming [...]. Wanneer wij voor uw aanschijn treden, zullen deze vele dingen waarover wij nu spreken zonder ze te begrij­pen, ophouden, en Gij zult alles in allen zijn, en dan zullen we een eeuwig lied aanheffen en U eenstemmig loven, en in U zullen ook wij één enig ding worden.»17

De beschouwing en lofprijzing van de Drieëenheid is de kern van ons bovennatuurlijk leven, en dat is ook ons doel: want in de hemel, bij onze Moeder de heilige Maria -Dochter van God de Vader, Moeder van God de Zoon, Bruid van God de Heilige Geest: God alleen is groter dan zij18- zal ons geluk en onze vreugde een eeuwige lofprij­zing van de Vader zijn, door de Zoon, in de Heilige Geest.

-1. Joh 14,23. -2. Vgl. 1 Kor 6,19. -3. Tertullianus, Contra Praxeas, 31. -4. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I, q.43, a.3. -5. H. Johannes van het Kruis, Hooglied, 1,7. -6. H. Theresia van Avila, Innerlijke Burcht, Eerste verblijf, 5. [Vert. Carmelitana, Gent, 1982] -7. Vgl. Leo xiii, Enc. Divinum illud munus, 9-V-1897. -8. Sor Cristina de Arteaga, Sembrad, lxxxv, Sevilla, 1982. -9. H. Theresia van Avila, Het boek van haar leven, 39,25. -10. H. Thomas van Aquino, In Sententiarum libros IV, I, d2, q1, exord. -11. Vgl. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, I. -12. Joh 14,16-18. -13. Mt 13,11. -14. H. Theresia van Avila, Cuentas de conciencia, 41a, 2. -15. Zalige Elisabeth van de Drieëenheid, Brief aan haar zuster Margaretha. -16. Mt 13,16-17. -17. H. Augustinus, Tractaat over de Drieëenheid, 15,28,51. -18. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 496.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 18 mei 2012