Zondag na Pinksteren (2)
40. INWONING VAN DE HEILIGE DRIEËENHEID IN DE ZIEL
-Aanwezigheid van
God, één en drieënig, in de ziel die in staat van genade verkeert. -Het
bovennatuurlijke leven van de christen is gericht op kennis en omgang met de
Heilige Drieëenheid. -Tempel van God.
40.1 Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden;
mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem
nemen.1 Aldus
antwoordde Jezus bij het Laatste Avondmaal op de vraag van een van zijn
leerlingen, waarom Hij zich aan hen ging openbaren en niet aan de wereld, zoals
de Joden van die tijd dachten over de komst
van de Messias. De Heer openbaart, dat niet alleen Hij, maar de Heilige
Drieëenheid zelf verblijf zal houden in de ziel van hen die Hem beminnen, zoals in een tempel.2 Deze openbaring vormt «de substantie
van het Nieuwe Testament»3, de kern van zijn
onderricht.
God -Vader, Zoon en Heilige Geest- woont in
onze ziel, die in staat van genade verkeert,
niet alleen omdat Hij, als oneindig
Wezen, overal en in alle dingen aanwezig is, maar op een bijzondere wijze, door middel van de heiligmakende
genade.4 Deze nieuwe tegenwoordigheid vervult de
ziel, die op weg is naar heiligheid, met
liefde en onuitsprekelijke vreugde. Daar, in het middelpunt van de
ziel, moeten wij eraan gewend raken God te
zoeken in de meest verscheiden
situaties van het leven: op straat, op het werk, bij het sporten, als we
rusten... «O, allerschoonste ziel -riep de heilige Johannes van het Kruis uit-
die zozeer ernaar verlangt de plaats te kennen waar uw Geliefde is om Hem te
zoeken en Hem te aanschouwen, men zegt wel dat ge zelf de plaats bent waar Hij is en de plek en het toevluchtsoord
waar Hij verborgen is; het is voor u een grote voldoening en vreugde te zien, dat heel uw goed en heel uw hoop
zo dicht bij u is, dat het ín u is of, liever gezegd, dat u niet zonder hem
kunt. Ziet -zegt de
Bruidegom- het Rijk Gods is midden
onder u (Lc 17,21); en zijn dienaar de apostel Paulus zegt: Gij zijt tempel van God (2 Kor 6,16).»5
De
tegenwoordigheid van de Allerheiligste Drieëenheid is geen
geluk dat slechts voor uitzonderlijke mensen bestemd
is, mensen met buitengewone charisma's of kwaliteiten, maar ook voor de
gewone christen, die geroepen is tot heiligheid te midden van zijn
beroepsuitoefening en die God verlangt te beminnen met heel zijn wezen, ook al
zijn er -zoals de heilige Theresia van Avila opmerkt- «velen die zich op het
plein van de burcht (van de ziel) bevinden,
daar waar de wachters zich ophouden. Ze stellen geen belang in het naar binnengaan. Ze beseffen niet
wat er in die kostbare plaats te vinden is, ook niet wie er woont...»6 In die «kostbare
plaats», in de ziel die straalt van genade, daar is God met ons: de
Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Deze tegenwoordigheid, die de theologen
'inhabitatio', 'inwoning' noemen, verschilt
slechts door haar aard van de staat
van gelukzaligheid van degenen die reeds het eeuwige geluk in de hemel
genieten.7 En ofschoon zij eigen is aan de drie
goddelijke Personen, wordt zij toegeschreven aan de Heilige Geest, omdat het
heiligingswerk eigen is aan de Liefde.
Deze openbaring die God als in een liefdevolle
ontboezeming aan de mensen gaf, deed vanaf het begin de christenen verwonderd
staan en vervulde hun hart met bovennatuurlijke
vrede en vreugde. Wanneer wij goed bevestigd zijn in deze
bovennatuurlijke werkelijkheid -God, een en drieëen,
woont in mij- maken wij van het leven -met en zelfs juist door zijn tegenslagen-
een 'voorproef op de hemel': het is alsof wij ons in Gods intimiteit plaatsen
en het goddelijk leven, waaraan wij
deelgenoot worden, leren kennen en beminnen. «Bodemloze oceaan van het goddelijk leven, tot uw oevers ben ik gekomen met
een verlangen naar geloof. Zeg mij
waarom uw afgrond mij zozeer betovert. Bodemloze oceaan van het goddelijk
leven, uw golven trokken mij aan... en ik voel al geen vaste grond meer!»8
40.2 De christen begint zijn leven in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest; in diezelfde naam neemt hij afscheid
van deze wereld om in de volheid van gezicht
deze goddelijke Personen in de hemel te ontmoeten, met wie hij hier op aarde trachtte om te gaan. Eén God
en drie goddelijke Personen: dat is onze geloofsbelijdenis, die de
apostelen van Jezus' lippen hebben vernomen en overgeleverd; die de christenen vanaf het eerste ogenblik hebben geloofd, die het leergezag van de Kerk
altijd heeft onderwezen. Naarmate zij voortschreden
op hun weg naar God, hebben de christenen aller tijden de noodzaak gevoeld deze
eerste waarheid van ons geloof te overwegen en met ieder van de goddelijke Personen om te gaan. De heilige
Theresia van Jezus vertelt ons in
haar 'Leven' hoe zij, juist door het overwegen van een van de oudste
geloofsbelijdenissen-het zogeheten Symbolum
Athanasianum of Quicumque- bijzondere genaden verkreeg
om in deze wonderbare werkelijkheid door te dringen. «Toen ik een keer het Quicumque aan het bidden was -zo schrijft de heilige- werd mij de wijze hoe er
één God en drie Personen bestaan zo helder,
dat ik ervan schrok en tegelijk zeer getroost werd. Het was mij van het
allergrootste nut om de grootheid van God en zijn wonderen beter te leren
kennen, en wanneer ik eraan denk of wanneer het gaat over de Allerheiligste
Drieëenheid, lijk ik te begrijpen hoe dat kan, en dat strekt mij tot grote
voldoening.»9
Heel het bovennatuurlijke leven van de christen
is gericht op deze kennis van en innige omgang met de Heilige Drieëenheid, die «de vrucht en het doel van heel
ons leven» zal worden.10 Daartoe zijn wij
geschapen en tot het bovennatuurlijk plan verheven: om God de Vader, God de
Zoon en God de Heilige Geest, die in de ziel in staat van genade woont, te
leren kennen, met Hen te verkeren en Hen te beminnen.
Van deze goddelijke Personen krijgt de christen in dit leven «een
proefondervindelijke kennis» die, verre van iets buitengewoons, binnen de
normale weg tot heiligheid ligt.11 Heiligheid,
waartoe de huismoeder geroepen is die alleen maar tijd heeft om voor het gezin
te zorgen en het te onderhouden, de arbeider die voor het aanbreken van de dag
zijn werk begint, de zieke die door zijn ziekte niets kan doen... In zijn
oneindige liefde voor ieder mens wenst God vurig zich kenbaar te maken op deze
innige en liefdevolle wijze voor hen die waarachtig de voetsporen van zijn Zoon
volgen.
Op deze weg naar
de Drieëenheid, waar al onze inspanningen naar toe moeten leiden, hebben wij
de Heilige Geest als Gids en Meester. Zoals de Heer
beloofd had, en zijn woord kan niet falen: Dan zal de Vader op mijn gebed u een andere
Helper geven om voor altijd bij u te blijven: de Geest van de waarheid,
voor wie de wereld niet ontvankelijk is, omdat zij Hem niet ziet en niet kent.
Gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal
in u zijn. Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug.12 In dit 'u' zijn gelukkig ook wij ingesloten, wij
die gedoopt zijn en heel bijzonder wij die Jezus
van nabij willen volgen, vanuit de plek en de omstandigheden waar het leven
ons geplaatst heeft. Het is aangenaam te overwegen dat dit mysterie,
dat voor de menselijke rede alleen niet toegankelijk is, doorschijnend wordt
door het licht van het geloof en de hulp van de Heilige Geest: aan u is het gegeven de geheimen van het
Rijk der hemelen te kennen.13
Bidden wij Hem vandaag, dat Hij ons moge leiden op deze weg vol van licht.
40.3 Wanneer wij de Heilige Geest bidden om een groot verlangen ons hart te
zuiveren, dan moeten wij tegelijkertijd verlangen naar deze innige ontmoeting
met de Allerheiligste Drieëenheid, en dan mogen wij ons niet laten tegenhouden
door het feit, dat we soms wellicht duidelijker onze zwakheden en onze lauwheid
jegens God bespeuren. De heilige Theresia vertelt dat zij, bij het overwegen
van de aanwezigheid van de drie goddelijke Personen in haar ziel «versteld
stond zoveel grootheid te zien in zoiets kleins als mijn ziel»; toen sprak de
Heer tot haar: «Zij is niet klein, mijn dochter, want zij is gemaakt naar mijn
beeld.»14 En de heilige was vervuld van troost.
Voor ons kan het een grote weldaad zijn deze woorden te overwegen: zij zijn als
het ware tot ons gericht en ze zullen ons aanmoedigen om voort te gaan op de
weg die in God uitmondt. Eveneens moeten wij omgaan met hen die wij dagelijks
ontmoeten en spreken: zij zijn de bezitters van een onsterfelijke ziel, een
beeld van God, en zij zijn 'tempels van God' of kunnen dat worden.
De zalige Elisabeth van de Drieëenheid schreef
aan haar zus, nadat zij het bericht had
gekregen van de geboorte en de doop van haar eerste nichtje: «Ik voel mij doordrongen
van eerbied tegenover dit kleine heiligdom van de Allerheiligste Drieëenheid...
Als ik bij haar was, zou ik neerknielen om Hem die in haar woont te aanbidden.»15
De Kerk raadt ons
aan de vroomheid met stevig voedsel te voeden, en daarom dienen wij deze artikelen van
het geloof te bidden en te overwegen, evenals de gebeden tot lofprijzing van de Drieëenheid: het Quicumque of Symbolum Athanasianum (dat de
christenen oudtijds iedere zondag na de preek baden, en dat ook nu nog door
velen wordt gebeden en overwogen tot eer van de Heilige Drieëenheid), het Trisagium Angelicum (het
Driemaal Heilig der Engelen) heel bijzonder
op dit hoogfeest, het Eer aan de
Vader en de Zoon en de Heilige Geest... Wanneer wij met de hulp
van de genade leren door te dringen in deze devoties, dan is het alsof wij
weer de woorden van de Heer hoorden: gelukkig uw ogen, omdat
zij zien, en uw oren, omdat zij horen! Want voorwaar, Ik zeg u: vele
profeten en rechtvaardigen hebben verlangd te zien wat gij ziet, maar zij
hebben het niet gezien; en te horen wat gij hoort, maar zij hebben het niet
gehoord.16
Wij besluiten ons gebed door in ons hart met de
heilige Augustinus te herhalen: «Mijn Heer
en mijn God, mijn enige hoop, aanhoor mij, opdat ik niet in wanhoop
verval en U niet meer zoek. Dat ik altijd moge verlangen uw aangezicht te
zien. Geef mij kracht om U te zoeken, Gij die gezorgd hebt dat ik U mocht
ontmoeten en die me de hoop hebt gegeven tot een meer volmaakte kennis van U.
Vóór U staat mijn kracht en mijn zwakheid: genees die laatste, bewaar de
eerste. Vóór U ligt mijn kennis en mijn onwetendheid:
als Gij mij open doet, neem dan degene die binnentreedt op; als Gij de
deur voor mij sluit, open dan hem die roept. Maak dat ik mij U herinner, dat ik
U moge begrijpen en beminnen. Vermeerder in mij deze gaven tot mijn volledige
omvorming [...]. Wanneer wij voor uw aanschijn treden, zullen deze vele dingen
waarover wij nu spreken zonder ze te begrijpen, ophouden, en Gij zult alles in
allen zijn, en dan zullen we een eeuwig lied aanheffen en U eenstemmig loven,
en in U zullen ook wij één enig ding worden.»17
De beschouwing en lofprijzing van de
Drieëenheid is de kern van ons bovennatuurlijk leven, en dat is ook ons doel:
want in de hemel, bij onze Moeder de heilige Maria -Dochter van God de Vader,
Moeder van God de Zoon, Bruid van God de Heilige Geest: God alleen is groter
dan zij18- zal ons geluk en onze vreugde een
eeuwige lofprijzing van de Vader zijn, door de Zoon, in de Heilige Geest.
-1. Joh 14,23. -2. Vgl. 1 Kor 6,19. -3. Tertullianus, Contra Praxeas, 31. -4.
Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I, q.43, a.3. -5. H. Johannes van het
Kruis, Hooglied,
1,7. -6. H. Theresia van
Avila, Innerlijke Burcht, Eerste verblijf, 5. [Vert. Carmelitana, Gent, 1982] -7. Vgl. Leo xiii, Enc. Divinum illud munus, 9-V-1897. -8. Sor Cristina de Arteaga, Sembrad, lxxxv,
Sevilla, 1982. -9. H. Theresia van Avila, Het boek
van haar leven, 39,25. -10. H. Thomas van Aquino, In Sententiarum libros IV, I, d2, q1, exord. -11. Vgl. R. Garrigou-Lagrange
o.p., Het zieleleven van den christen, I. -12. Joh 14,16-18. -13. Mt 13,11. -14. H. Theresia van Avila, Cuentas de
conciencia, 41a, 2. -15.
Zalige Elisabeth van de
Drieëenheid, Brief aan
haar zuster Margaretha. -16. Mt 13,16-17. -17. H. Augustinus, Tractaat over de Drieëenheid, 15,28,51. -18. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 496.