Veertiende zondag door het jaar (B)
56. Je hebt genoeg aan Mijn genade
-God geeft ons zijn hulp om ons in staat te stellen alle
hindernissen, bekoringen en moeilijkheden te overwinnen. -Wilskracht. -Middelen
die wij moeten gebruiken ten tijde van bekoring.
56.1 In de tweede lezing 1 van de mis van vandaag laat de heilige Paulus ons de
diepte van zijn nederigheid zien. Na tot de Korintiërs gesproken te hebben over
zijn werken voor Christus en de inzichten en de openbaringen die hij van de
Heer had gekregen, gaat hij verder met hun over zijn eigen zwakheden te
vertellen: Ook is er -want anders
zouden die buitengewone openbaringen mij verwaand kunnen maken- ook is er een doorn in mijn vlees gestoken, als een bode van de
satan die mij moet afranselen.
Wij weten niet met enige zekerheid waarnaar de heilige Paulus
verwijst wanneer hij spreekt over deze doorn in zijn vlees.
Sommige kerkvaders, bijvoorbeeld de heilige Augustinus, denken dat het een
bijzonder pijnlijke fysieke kwelling is; anderen, bijvoorbeeld de heilige
Johannes Chrysostomus, denken dat hij naar de tegenspoed verwijst veroorzaakt
door de voortdurende vervolgingen waar hij het slachtoffer van is; en sommigen,
bijvoorbeeld de heilige Gregorius de Grote, zijn van mening dat hij naar bekoringen
verwijst die hij bijzonder moeilijk vindt om te weerstaan.2 Wat het ook moge zijn, het is iets dat de apostel
vernedert, en dat op een bepaalde manier zijn werk als brenger van het evangelie
hindert.
De heilige Paulus heeft God drie keer gevraagd deze hindernis
van hem weg te nemen. Hij kreeg dit verheven antwoord: Je
hebt genoeg aan Mijn genade. Kracht wordt juist in zwakheid volkomen.
Gods hulp is voldoende voor hem om die moeilijkheid te overwinnen;
tegelijkertijd wordt het ons gegeven de goddelijke kracht te kennen die hem in
staat stelde te overwinnen. Hij wordt sterker wanneer hij steunt op de hulp van
God, en dit brengt hem ertoe uit te roepen: Om Christus'
wil lijd ik gaarne zwakheid, smaad, nood, vervolging en benauwdheid; want als
ik zwak ben, dan ben ik sterk. In onze eigen zwakheid ervaren ook wij
voortdurend de nood ons tot God te wenden, en op de kracht van Hem te steunen
die ons ten deel valt. Hoe vaak heeft God in het diepste van ons hart tegen ons
gezegd: je hebt genoeg aan mijn genade, je hebt mijn
hulp om in staat te zijn alle beproevingen en moeilijkheden te overwinnen.
Misschien hebben wij soms een bijzonder levendige ervaring
van eenzaamheid, zwakheid of tegenspoed: «Zoek dan de steun van Hem die stierf
en verrezen is. Zoek je toevlucht in de wonden van zijn handen, Zijn voeten,
Zijn zijde. En je wil zal een impuls krijgen om weer opnieuw te beginnen, en je
zult je weg met grotere vastberadenheid en doeltreffendheid vervolgen.»3
Zelfs onze broosheid en onze zwakte kan ten goede gekeerd
worden. In zijn commentaar op deze passage legt de heilige Thomas van Aquino
uit dat God soms bepaalde kwade zaken van een fysieke of morele soort toestaat,
juist om uit hen een groter, meer onmisbaar goed te putten.4 God zal ons nooit te midden van de bekoring
verlaten. Juist onze zwakheid helpt ons groter vertrouwen te hebben, dringender
toevlucht te zoeken bij God, Hem om meer kracht te vragen en nederiger te zijn:
«Heer, stel geen vertrouwen in mij. Laat mij op U vertrouwen. Als we in onze
ziel de liefde, de erbarming en de tederheid van de blik gewaarworden, waarmee
Christus ons aanziet omdat Hij ons niet in de steek laat, zullen we de woorden
van de Apostel volledig begrijpen: virtus in infirmitate
perficitur (2 Kor 12,9), kracht wordt juist in zwakheid volkomen. Door
het geloof in de Heer zullen wij, ondanks onze ellende, beter gezegd, dank zij
onze ellende, trouw zijn aan God, onze Vader. De macht van God zal schitteren
en ons in onze zwakte steunen.»5
56.2 Een
doorn is in mijn vlees gestoken, als een bode van de satan, die mij moet
afranselen. Het ziet er hier naar uit alsof de heilige Paulus zijn
beperkingen op een zeer levendige wijze aanvoelt, en tegelijkertijd de
gebeurtenissen herleeft toen hij de grootheid van God overwoog en die van zijn
eigen zending als apostel. Soms, in de loop van ons leven, hebben ook wij een
glimp opgevangen van «edelmoedige, oprechte, volhardende bedoelingen, en nu
lijkt het wel alsof we in het diepst van onze ziel een soort radicale
onstandvastigheid bezitten, een gebrek aan sterkte, een duistere onmacht..., en
dat zorgt ervoor, dat we ons soms droevig voelen en zeggen: 'ik kan het niet'.»6 Wij kunnen inzien wat de Heer van ons wil in deze of gene
situatie, maar misschien voelen we ons verzwakt en uitgeput door de
beproevingen en moeilijkheden die ons aanstaren. «Je verstand -verlicht door
het geloof- laat je niet alleen duidelijk de weg zien, maar ook het verschil
tussen de heldhaftige en de domme manier om die te gaan. Vooral toont het je de
grootsheid en de goddelijke schoonheid van de ondernemingen die de Drieëenheid
in onze handen legt. Het gevoel daarentegen klampt zich vast aan alles wat je
afkeurt, zelfs nog op het ogenblik dat je het afkeuringswaardig vindt. Het
lijkt wel of duizend en één onbenulligheden op de loer liggen om hun kans te
grijpen. En zodra je armzalige wil -door lichamelijke vermoeidheid of gebrek
aan bovennatuurlijke visie op de dingen- verzwakt is, hopen die kleinigheden
zich op, woelen ze in je verbeelding rond tot ze een berg vormen die neerdrukt
en ontmoedigt. Het zijn bijvoorbeeld de nare aspecten van je werk; tegenzin om
te gehoorzamen; tekort aan hulpmiddelen; valse aantrekkingskracht van een
gemakkelijk leventje; kleine en grote weerzinwekkende bekoringen; opwellingen
van sentimentaliteit; vermoeidheid; de bittere smaak van je geestelijke
middelmatigheid. En soms ook de angst: angst omdat je weet dat God wil dat je
heilig bent en je het niet bent.
»Mag ik je het ongezouten zeggen? Je hebt 'redenen' te over
om achterom te kijken en je hebt te weinig durf om aan de genade te
beantwoorden die Hij je schenkt, want Hij heeft je immers geroepen om een
andere Christus te zijn, ipse Christus! - Christus zelf. Je bent de aansporing
van de Heer aan de Apostel vergeten: 'Je hebt genoeg aan Mijn genade!', wat
bevestigt dat je het kunt, als je maar wilt.»7
Je hebt genoeg aan mijn genade. De
Heer zegt deze woorden rechtstreeks tegen een ieder van ons, zodat we vervuld
zouden zijn met sterkte en met hoop wanneer we de beproevingen begrijpen die
ons te wachten staan. Juist onze zwakheid zal ons helpen ons te verheugen in de
macht van Christus; het zal ons leren lief te hebben en de noodzaak te voelen
altijd dicht bij Jezus te zijn. Precies onze mislukkingen, onze
niet-uitgevoerde plannen, zullen ons ertoe brengen uit te roepen: Als ik zwak ben, dan ben ik sterk, want Christus is met
mij.
Wanneer ook wij overvallen worden door grotere bekoringen,
tegenslagen of moeheid, zal de duivel proberen ons van de weg te doen afdwalen
door gebrek aan vertrouwen en door ontmoediging onze ziel te laten binnensluipen.
Daarom moeten we vandaag de les leren die de heilige Paulus ons wil leren: Het
is op zulke ogenblikken dat Christus speciaal met ons is en klaar staat ons te
helpen; wij hoeven ons alleen maar tot Hem te wenden: Om
Christus' wil lijd ik gaarne zwakheid, smaad, nood, vervolging en benauwdheid.
56.3 Het zou onbezonnen zijn de
bekoring te verlangen of uit te lokken, maar het zou ook verkeerd zijn bang te
zijn voor de bekoring, alsof de Heer ons niet Zijn hulp zou geven om die te overwinnen.
Wij kunnen vrijmoedig de woorden van de psalm op onszelf toepassen: Want u aangaande gebiedt Hij zijn engelen om u, wáár gij ook
gaat, te bewaren; zij zullen op de handen u dragen, dat gij niet uw voet aan
een steen stoot; treden zult gij op leeuw en op adder, leeuwenwelp vertrapt gij
en slang.' Bij Mij bergt hij zich, Ik stel hem veilig, hoog hef Ik hem: hij
kent mijn naam; zijn aanroep zal Ik verhoren, Ik ben mèt hem in de nood,
bevrijd hem, herstel hem in ere. Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen, Ik
doe hem aanschouwen mijn heil'.8
Tegelijkertijd vraagt de Heer ons klaar te zijn voor de
bekoring en alle middelen tot onze beschikking te gebruiken om die te overwinnen:
gebed en vrijwillige verstervingen; vluchten voor de gelegenheden tot zonde,
want wie het gevaar bemint komt erin om9; een leven leiden van hard en voortdurend werken;
het op voorbeeldige wijze vervullen van de verplichtingen van ons werk, en onze
bezigheden gewoon veranderen om te rusten; een grote afschuw te hebben van elke
zonde, hoe klein die ook moge schijnen; en, bovenal ons terdege in te spannen
om onze liefde tot Christus en Onze Lieve Vrouw in onszelf te doen toenemen.
Wij voeren een doeltreffende strijd wanneer we onze ziel
openstellen voor geestelijke leiding wanneer ook wij bekoord worden ontrouw te
zijn. «Erover spreken is al bijna een overwinning op de bekoring. Wie zijn
eigen bekoringen aan zijn geestelijke leidsman bekendmaakt, kan er zeker van
zijn dat God zijn leidsman de genade schenkt die hij nodig heeft om hem op de
goede weg te zetten [...].
»We mogen nooit denken dat bekoring wordt overwonnen door
ermee in debat te gaan of zelfs door haar frontaal aan te vallen [...]. Zodra
we in bekoring komen, moeten we ons ervan afwenden en onze blik richten op de
Heer, die in ons binnenste woont en aan onze zijde strijdt, die zelf de zonde
heeft overwonnen. Laten we Hem omhelzen in een daad van nederige onderwerping
aan zijn wil, in het aanvaarden van dat kruis van bekoring [...], van
vertrouwen op Hem en geloof in zijn nabijheid; en laten we Hem tegelijkertijd
smeken, dat Hij ons kracht toezendt. Dan zal bekoring ons tot gebed brengen,
tot vereniging met God en met Christus. Zij zal geen verlies zijn, maar veeleer
gewin. God bevordert in alles het heil van hen die Hem
liefhebben (Rom 8,29).»10
Wij kunnen aan onze beproevingen, onze tegenspoed en bekoringen
veel goeds ontlokken want door hen te ondergaan zullen we aan de Heer laten
zien dat we Hem nodig hebben en dat we Hem liefhebben. Zij zullen onze liefde
doen ontbranden en alle deugden in ons laten toenemen, want een vogel vliegt
niet alleen door de slag van zijn vleugels, maar ook door de stijgkracht en de
weerstand van de lucht: op een bepaalde manier hebben we behoefte aan
hindernissen en tegenslagen, opdat onze liefde kan groeien. Hoe groter de
weerstand tegen welke voooruitgang dan ook op onze weg veroorzaakt door onze
omgeving of door onze eigen zwakheid, hoe meer hulp en genade God ons zal
geven. En onze Moeder in de hemel zal altijd bijzonder dicht bij ons zijn in
die ogenblikken van grootste nood: we moeten niet nalaten haar moederlijke
bescherming te zoeken.
-1. 2 Kor 12,7-10. -2. The Navarra Bible,
St. Paulus' Epistels aan de Korintiërs, in loc. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De Kruisweg, Twaalfde
Statie, 2. -4. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de Tweede Brief aan de Korintiërs, in loc.
-5. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 194.
-6. A.G. Dorronsoro, Apuntes
de esperanza. -7. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 166.
-8. Ps 91,11 et seq. -9. Sir 3,26. -10. B. Baur, Still mit Gott.
|