Drieëndertigste week. Donderdag
43. Jezus' tranen
-Jezus blijft niet onverschillig tegenover het
lot van de mensen. -Allerheiligste menselijkheid van Christus. -Dezelfde
gevoelens als Jezus koesteren.
43.1 Jezus daalde over de westhelling van
de Olijfberg af naar de tempel. Hij werd vergezeld door een enthousiaste
menigte die de Messias lof toezwaaide. Op een gegeven moment hield Jezus halt
en liet zijn blik gaan over de stad Jeruzalem die zich voor zijn voeten
ontvouwde. En bij het zien van de stad weende Hij over haar.1 Het is een onverwachte jammerklacht die ieders
vreugde doorbrak. Op dat ogenblik zag de Heer hoe de stad die Hij zozeer
liefhad, jaren later verwoest zou worden, omdat zij de tijd waarin barmhartig op haar werd neergezien, niet had erkend. De Messias had door de straten van de stad gewandeld, haar de Blijde
Boodschap onderricht, haar inwoners hadden zijn wonderen gezien..., en toch was
er niets in hen gebeurd. Mocht ook gij
op deze dag inzien wat u tot vrede strekt! Maar nu is dat voor uw ogen
verborgen. Er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal tegen u
opleggen, u omsingelen en u van alle kanten insluiten; zij zullen u met uw
kinderen die in u wonen neersmakken, omdat gij de tijd waarin barmhartig op u
werd neergezien, niet hebt erkend.2
In deze regels kan men de angst die Jezus' hart
bedrukte aflezen. «Maar waarom begreep Jeruzalem die heel bijzondere genade van
bekering niet, die haar werd aangeboden op die dag met de stralende triomf van
Jezus? Waarom bleef zij hardnekkig de ogen sluiten voor het licht? Zij had
kansen genoeg gehad om Jezus als haar Messias en Verlosser te erkennen; de kans
die haar nu geboden wordt, is de laatste. Als zij deze laatste weldaad afwijst,
zal alle onheil dat in de profetie is beschreven, onherroepelijk over haar
heenkomen. En, ach wee, ze heeft ze verworpen en alles is letterlijk in
vervulling gegaan.»3 De Heer wordt vervuld van
droefheid, want Hij staat niet onverschillig tegenover het lot van de mensen.
Zijn smart is zo groot, dat zijn ogen betraand raken. De voorafgaande woorden
zullen met een bijzondere toon van pijn en droefheid uitgesproken zijn.
De heilige
Johannes spreekt ons bij een andere gelegenheid over
Jezus' tranen, die zo troostrijk voor onze ziel kunnen zijn. De Meester kwam in Betanië, waar zijn vriend Lazarus
was gestorven. Daar trof Hij de zuster van Lazarus,
Maria, aan. Toen Jezus haar zag wenen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: Waar
hebt gij hem neergelegd? Zij zeiden Hem: Kom en zie, Heer. Op dat ogenblik liet Jezus zijn
verdriet om de dood van zijn vriend de vrije loop en begon te wenen. De
joden die aanwezig waren riepen uit: Zie
eens hoe Hij van hem hield.4
Jezus -volmaakt God en volmaakt mens5- weet zijn vrienden, zijn naasten en alle mensen,
voor wie Hij zijn leven gaf, te beminnen. De liefde die Jezus in zijn droefenis
toont, is de menselijke uitdrukkingsvorm van Gods liefde voor de mensen, de
tastbare openbaring van het medelijden waarmee Hij ons beziet. En vandaag
kunnen wij in dit gebedsuur de diepte en fijnzinnigheid van Jezus' gevoelens overwegen en begrijpen hoe Hij niet
onverschillig blijft bij ons antwoord op zijn aanbod van vriendschap en
heil. Hij staat niet onverschillig tegenover het feit, dat wij Hem dagelijks
komen opzoeken en enkele minuten bij Hem blijven voor het tabernakel; Hij
blijft niet neutraal tegenover onze dagelijkse inzet om onze vriendschap met
Hem te vermeerderen, tegenover onze inspanningen om ijverig de liefde te beleven,
Hem te dienen te midden van de wereld... Hoe vaak komt Hij ons niet tegemoet!
«De mens kan niet leven zonder liefde. Hij
krijgt nooit inzicht in zichzelf, en zijn leven is zinloos als hem de liefde
niet geopenbaard wordt, als hij de liefde niet ontmoet, als hij haar niet ondervindt
en zich eigen maakt, als hij er niet levendig deel aan heeft [...]. Wie zichzelf
ten diepste wil begrijpen [...] moet met zijn angst en onzekerheid, ook met zijn
zwakheid en zondigheid, met zijn leven en dood naar Christus gaan. Hij moet met
heel zijn wezen als het ware in Christus binnentreden. Om zichzelf te vinden
moet de mens zich de hele werkelijkheid van de Menswording en Verlossing 'eigen
maken' en ze in zich opnemen. Wanneer hij dat innerlijk proces diep aan zich
laat voltrekken, brengt het niet alleen een aanbiddende liefde tot God teweeg,
maar tevens diepe verwondering over zichzelf. Hoe waardevol moet de mens wel
zijn voor de Schepper als hij zulk een
grote Verlosser heeft verdiend (Romeins Missaal,
Hymne Exsultet van de Vigilie van Pasen), en als God zijn Zoon heeft gegeven, opdat de mens niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal
hebben (vgl. Joh 3,16).»6
Laten we daarom dagelijks omgaan met Jezus die op ons wacht. In Hem ligt het
doel van ons leven.
43.2 Het christelijk leven bestaat in een
toenemende vriendschap met Christus, in een navolgen van Hem, in het ons eigen
maken van zijn leer. Jezus volgen is niet: stil blijven staan bij moeilijke
theoretische speculaties noch alleen maar strijd tegen de zonde, maar Hem metterdaad
beminnen en ons door Hem bemind voelen, «want Christus leeft: Christus is niet
een gestalte die ooit geleefd heeft, voorbijgegaan en verdwenen is, en die ons
slechts een wonderbare herinnering en een ontroerend voorbeeld heeft achtergelaten.»7 Hij leeft nu te midden van ons: wij zien Hem met de
ogen van het geloof, wij spreken tot Hem in het gebed, Hij hoort ons als we nog
maar nauwelijks de stem of het hart tot Hem hebben verheven; Hij staat niet
onverschillig tegenover onze vreugde of ons verdriet, want «Hij heeft zich door
zijn menswording in zekere zin met iedere mens verenigd. Met menselijke handen
heeft Hij arbeid verricht, met een menselijke geest heeft Hij gedacht, met een
menselijke wil heeft Hij gehandeld, met een menselijk hart heeft Hij liefgehad.
Geboren uit de maagd Maria, is Hij werkelijk een van de onzen geworden, in
alles aan ons gelijk, behalve in de zonde. Als een onschuldig lam heeft Hij
vrijwillig zijn bloed gestort en daarmee voor ons het leven verdiend; in Hem
heeft God ons met zichzelf en met elkaar verzoend en ons aan de dienst van
duivel en zonde ontrukt, zodat ieder van ons met de apostel kan zeggen: De Zoon van God heeft mij liefgehad en zichzelf
voor mij overgeleverd (Gal 2,20)8, voor ieder van ons, alsof er niet meer mensen op
aarde zouden zijn. Zijn allerheiligste Menselijkheid is de brug die ons tot God
de Vader leidt.
Wij overwegen vandaag de tranen van Jezus over
de stad die Hij zozeer beminde, maar die niet het voornaamste van haar
geschiedenis kende: het bezoek van de Messias en de gaven die Hij voor ieder
van haar bewoners meebracht. En we zullen ook de gelegenheden moeten overwegen,
waarin wij persoonlijk Hem tot droefheid hebben gestemd vanwege onze zonden,
ons gebrek aan meewerken met de genade, omdat we niet hebben weten te antwoorden
op zovele blijken van vriendschap. En ook de gelegenheden waarin Hij ons gemist
heeft, zoals die dag waarop Hij de terugkeer verwachtte van negen melaatsen die
echter, eenmaal genezen, via een andere weg vertrokken en niet meer terugkwamen.
Hoe vaak heeft Jezus misschien wel niet op ons staan wachten.
Als wij Jezus niet liefhebben, kunnen we Hem
niet volgen. En om Hem lief te hebben, zullen we veelvuldig het evangelie
moeten overwegen, waarin Hij zich zo diep menselijk aan ons vertoont en zo
dicht bij al wat van ons is. Soms zullen we Hem vermoeid van de tocht aantreffen, gezeten
bij de put van Jakob, na een lange reis op een warme dag, werkelijk dorstig, hetgeen
Hem de kans geeft een vrouw uit Samaria en vele inwoners uit het dorp Sukar te
bekeren. We zullen Hem hongerig zien, zoals op die dag toen Hij op weg van
Betanië naar Jeruzalem bij een vijgeboom met alleen maar dorre bladeren kwam10, of afgemat na een dag van intensieve prediking tot
de mensen die maar naar Hem bleven toesnellen, en Hij zo vermoeid was dat Hij
zelfs midden op het woeste water in slaap viel op een kussen aan de achtersteven.11
Tijdens zijn leven zal Hij het lijden
verzachten van hen die Hij op zijn weg ontmoet: Hij zag een grote menigte en kreeg diep medelijden met hen en Hij genas
hun zieken.12 Ook al kwam Hij om onze ziel te redden, Hij vergeet het lichaam niet.
Om Hem te beminnen en te volgen zullen we Hem moeten aanschouwen: zijn leven is
een onuitputtelijke bron van liefde, die overgave en edelmoedigheid in het navolgen
van Hem gemakkelijk maakt. «Als we moe worden -van het werk, de studie,
apostolische activiteiten- als de hemel betrekt, dan moeten we onze blik opslaan
naar Christus. Naar Jezus die goed is, naar Jezus die moe is, naar Jezus die
honger en dorst heeft. Heer, wat laat Gij U gemakkelijk begrijpen! Wat maakt U
het ons gemakkelijk U te beminnen! U toont Uzelf als een van de onzen, geheel
aan ons gelijk behalve in de zonde, opdat we voelen dat wij met uw hulp onze
kwade neigingen kunnen overwinnen en al onze fouten te boven kunnen komen.
Vermoeidheid, honger, tranen... Het is allemaal van geen belang. Christus heeft
ook vermoeidheid gekend, Hij heeft honger gehad, Hij heeft dorst gehad, Hij
heeft geweend. Het enige dat van belang is, is de strijd -een gevecht dat we
graag aangaan, want de Heer is steeds aan onze zijde- om de wil te volbrengen
van de Vader die in de hemel is (vgl. Joh 4,34).»13
43.3 Jezus' tranen over Jeruzalem bevatten
een diep mysterie. Hij heeft duivels uitgedreven, zieken genezen, doden opgewekt,
tollenaars en zondaars bekeerd, maar bij deze stad stuit Hij op de
hardvochtigheid van haar inwoners. We kunnen iets zien van wat in zijn hart gebeurde,
als wij vandaag de dag te maken krijgen met het verzet van velen die zich
afsluiten voor de genade, voor de goddelijke roepstem. «Als je soms te maken
krijgt met zielen die slapen, kun je een enorme behoefte in je voelen opkomen
om hun toe te schreeuwen, hen door elkaar te schudden, hen te laten reageren,
zodat ze uit die vreselijke versuftheid ontwaken waar ze zich in bevinden. Het
is zo triest, als je ze ziet lopen als een blinde die met zijn stok overal
tegenaan tikt, zonder dat hij de weg vindt! Hoe begrijp ik dit wenen van Jezus
over Jeruzalem als een uiting van zijn volmaakte liefde...»14
Wij, christenen, zetten het werk van de Meester
voort en delen in de gevoelens van zijn erbarmingsvolle Hart. Wanneer wij naar
Hem opzien, moeten we daarom onze broeders, de mensen, leren lief te hebben,
door iedereen te behandelen zoals hij is, in zijn eigen omstandigheden, door
begrip te hebben voor zijn gebreken, als die er zijn, door altijd hartelijk te
zijn en bereid tot helpen, tot dienen. Van Christus moeten we leren, dat we
uiterst menselijk dienen te zijn door te verontschuldigen, te bemoedigen om
verder te gaan, door iedere dag het leven aangenamer en vriendelijker te maken
voor hen die hetzelfde gezin, hetzelfde werk, gelijke genegenheid delen, door
het opofferen van de eigen smaak, hoe gerechtvaardigd die ook is, wanneer deze
het samen leven schade toebrengt, door oprechte belangstelling te hebben voor
hun gezondheid en ziekte... En voor alles zullen we ons bijzonder bekommeren om
de staat waarin de ziel verkeert van hen met wie we dagelijks omgaan, die we
willen helpen in hun opgang naar Christus: hen die dicht bij Hem zijn, opdat
zij nog meer tot Hem naderen; hen die nog ver af staan, opdat zij de weg terug
naar het huis van de Vader kunnen vinden. «Er is geen signaal, geen merkteken
dat de christen beter onderscheidt dan de zorg die hij heeft voor zijn broeders»15, verzekerde de heilige Johannes Chrysostomus.
Wij bidden vandaag tot onze heilige Moeder
Maria, dat zij ons een hart mag geven, gelijkend op dat van haar Zoon; dat dit
hart nooit onverschillig mag blijven tegenover het lot van hen die elke dag met
ons omgaan.
-1. Lc 19,41. -2. Lc 19,41-44. -3. L.Cl. Fillion, Vida de Nuestro Señor Jesucristo, Madrid 1966, bl. 713. -4. Joh 11,33-36. -5. Symbolum
Athanasianum. -6. Johannes
Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 4 maart 1979, 10. -7. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 102. -8. Vaticanum ii, Past.
const. Gaudium et spes, 22. -9. Joh 4,4. -10. Vgl. Mc 11,12-13. -11. Mc 4,38. -12. Mt 14,14. -13. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 201. -14.
Idem, De Voor, 210. -15. H. Johannes Chrysostomus, Homilie 6, 3.
|