38. JEZUS
CHRISTUS, EEUWIGE HOGEPRIESTER*
Heel de Kerk deelt in het verlossingswerk
van Christus, de Priester. Door de sacramenten van de christelijke initiatie
delen de lekengelovigen in dit priesterschap van Christus en worden zij in
staat gesteld de wereld door hun taken op deze aarde te heiligen. Op een wijze
die hiervan wezenlijk verschilt, niet slechts in graad, delen de priesters in
het priesterschap van Christus en worden zij tot middelaars tussen God en de
mensen, met name door het sacrament van de heilige mis, die zij 'in Persona
Christi' opdragen.
-Jezus,
Hogepriester voor altijd. -De priesterlijke ziel van iedere christen. De waardigheid
van het priesterschap. -De priester, werktuig van eenheid.
38.1 De Heer
heeft gezworen en zal het niet herroepen: Gij zijt priester voor eeuwig op de
wijze van Melchisedek.1
De Brief aan de Hebreeën omschrijft de priester
heel nauwkeurig, wanneer gezegd wordt, dat
hij genomen wordt uit de mensen en aangesteld voor de
mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God en om gaven en offers op te dragen voor de zonden.2 Daarom is de
priester als middelaar tussen God en de mensen innig verbonden met het Offer dat hij aanbiedt, want dat is de voornaamste
eredienst waarin de aanbidding die het schepsel aan zijn Schepper
brengt, tot uitdrukking komt.
In het Oude Testament waren offers de gaven die
men God aanbood als erkenning van zijn soevereiniteit en als dank voor de
ontvangen gaven; dit gebeurde door het geheel of gedeeltelijk vernietigen van
het slachtoffer op een altaar. Zij waren het symbool en beeld van het ware
offer dat Jezus Christus op Calvarië zou aanbieden, toen de volheid van de
tijden was aangebroken. Op Calvarië bood
Jezus, aangesteld als Hogepriester voor altijd, zichzelf aan als
slachtoffer van oneindige waarde, dat God zeer welgevallig was: Hij wilde
tegelijkertijd priester, slachtoffer en altaar zijn.3 Op Calvarië
bracht Jezus, de Hogepriester, het aan God meest welgevallige offer van
lof en dankzegging, dat men zich kan voorstellen. Dit offer van Christus was zo volmaakt, dat men geen groter offer kan
bedenken.4 Tegelijkertijd was het een
offergave van boete en verzoening voor onze
zonden. Eén druppel van het door Christus vergoten bloed zou voldoende
zijn geweest om alle zonden van de mensheid aller tijden vrij te kopen. Aan het
kruis werd de bede van Christus voor zijn broeders, de mensen, door de Vader
met de grootste welwillendheid verhoord, en
nu blijft Hij in de hemel altijd
leven om voor ons te pleiten.5
«Jezus Christus is waarlijk priester, maar priester voor ons, niet voor
zichzelf, omdat Hij aan de eeuwige Vader de godsdienstige wensen en gevoelens
van het menselijk geslacht aanbiedt. Evenzo is Hij slachtoffer, maar voor ons, omdat Hij zichzelf aanbiedt in
plaats van de mens die aan schuld onderworpen is. Welnu, het woord van de apostel: koestert in uw harten dezelfde gevoelens die Jezus Christus in zijn hart koesterde,
eist van alle christenen dat zij in
zichzelf, voor zover dat voor de mens mogelijk is, dat gevoel hernemen dat de goddelijke Redder koesterde, toen
Hij zich als offer aanbood, dat wil zeggen, dat zij zijn nederigheid navolgen en tot de verheven majesteit van God
hun aanbidding, eerbetoon, lofprijzing en dankzegging verheffen. Het vereist
eveneens, dat zij op een of andere wijze tot slachtoffer worden, door
zelfverloochening overeenkomstig de geboden van het evangelie en door zich
vrijwillig en vreugdevol over te geven aan boetedoening en ieder zijn eigen
zonden te verachten en te belijden [...].»6 Dat is
vandaag ons voornemen.
38.2 In het verlossingswerk van Christus, de Priester, deelt heel de Kerk, «en de vervulling daarvan wordt toevertrouwd aan alle leden van het volk van God,
die door de initiatiesacramenten deelgenoot
worden aan het priesterschap van Christus om God een geestelijk offer
te brengen en bij de mensen van Jezus Christus te getuigen.»7 Alle lekengelovigen delen in dit priesterschap van
Christus, hoewel dit priesterschap wezenlijk verschilt -en niet alleen in
graad- van dat van de geestelijken. Met een waarlijk priesterlijke ziel
heiligen zij de wereld door hun taken in deze wereld, die zij met menselijke
volmaaktheid verwezenlijken, en zoeken zij in alles Gods heerlijkheid: de
huismoeder door haar huishoudelijke taken te vervullen, de militair door een
voorbeeld van vaderlandsliefde te geven, de ondernemer door de onderneming te
doen floreren en de sociale rechtvaardigheid
te oefenen... Allen, door de zonden goed te maken die iedere dag begaan
worden, door in de heilige mis hun leven en hun dagelijks werk aan te bieden.
De priesters -bisschoppen en geestelijken- zijn
uitdrukkelijk door God geroepen «niet om van het volk of van welke mens dan ook
gescheiden te worden, maar om totaal te worden toegewijd aan het werk waartoe
God hen heeft geroepen. Dienaren van Christus zouden zij alleen kunnen zijn
door getuigen en uitdelers te zijn van een ander dan het aardse leven, maar zij
zouden de mensen werkelijk niet van dienst kunnen zijn, als zij ver van hun
leven en levensomstandigheden af zouden blijven staan.»8
De priester is uit de mensen
genomen om bekleed te worden met een waardigheid die zelfs bij de
engelen verwondering wekt, en hij wordt opnieuw aan de mensen teruggegeven om
hen te dienen, met name in de
zaken die God aangaan, met een eigen en unieke heilstaak. De
priester vervult in vele omstandigheden de rol van Christus op aarde: hij bezit
de macht van Christus om de zonden te vergeven, hij wijst de weg naar de
hemel..., en vooral leent hij Christus' stem en handen op het hoogtepunt van de
heilige mis: in het offer van het altaar consacreert hij in persona Christi, vervult hij de rol van
Christus. Geen enkele waardigheid is te vergelijken met die van de priester.
«Slechts het goddelijk moederschap van Maria overstijgt dit goddelijk ambt.»9
Het priesterschap is een onmetelijke gave van
Jezus Christus aan zijn Kerk. De priester is
«een rechtstreeks en dagelijks werktuig van deze verlossende genade die
Christus voor ons gewonnen heeft. Als dat begrepen wordt, als dat in de actieve stilte van het gebed overwogen
wordt, wie durft het priesterschap dan nog te zien als afstand doen? Het is een
winst die niet becijferd kan worden. Onze heilige moeder Maria, heiligste van
alle schepsels -heiliger dan zij is alleen God- heeft Jezus slechts eenmaal ter
wereld gebracht. Priesters brengen Hem elke dag op aarde, in onze ziel en
lichaam. Christus komt om ons voedsel te zijn, leven te geven en om zelfs nu
onderpand te zijn voor het eeuwig leven.»10
Heden is het een dag om Jezus dank te brengen
voor zulk een grote gave. Dank U, Heer, voor de roepingen tot het priesterschap
die U iedere dag tot de mensen richt! En wij nemen ons voor om hen met meer
liefde, met meer eerbied te behandelen, omdat wij in hen Christus die langs komt zien, die ons de
kostbaarste gaven brengt die een mens kan wensen. Hij brengt ons het eeuwige
leven.
38.3 De heilige Johannes Chrysostomus, zich zeer bewust van de waardigheid
en de verantwoordelijkheid van de priesters, verzette zich aanvankelijk tegen
zijn wijding, en hij rechtvaardigde dit verzet met de volgende woorden: «Als de
kapitein van een groot schip, vol roeiers en belast met kostbare koopwaar, mij aan het roer zou zetten en me opdracht
zou geven de Egeïsche of de Tyrreense Zee over te steken, zou ik me vanaf het
eerste moment daartegen verzetten. En als iemand me zou vragen waarom, dan zou ik meteen antwoorden: omdat ik het schip niet
schipbreuk wil laten leiden.»11 Zoals de
heilige echter heel goed begreep, is
Christus de priester altijd zeer nabij, is Hij heel dicht bij het schip.
Bovendien heeft Hij gewild, dat de priesters zich voortdurend bijgestaan weten
door de achting en het gebed van alle gelovigen van de Kerk: «zij moeten hen
met een kinderlijke liefde als hun herders en vaders bejegenen -zo benadrukt
het Tweede Vaticaans Concilie-; eveneens moeten zij hun priesters, als deelgenoten
in hun zorgen, naar vermogen te hulp komen met gebed en goede werken, zodat zij
des te beter de moeilijkheden kunnen overwinnen en des te vruchtbaarder hun
taken kunnen vervullen»12; opdat zij altijd
voorbeeldig zijn en hun werkzaamheid op het gebed doen steunen, opdat zij de
heilige mis met grote liefde vieren en voor Gods heilige zaken zorgen met de
zorgvuldigheid en eerbied die zij verdienen, opdat zij de zieken bezoeken en
ijverig zorgen voor de katechese, opdat zij altijd de vreugde bewaren die
voortkomt uit de overgave en die allen zoveel steun geeft, ook hen die het
verst van de Heer verwijderd zijn...
Vandaag is een dag waarop wij meer in het
bijzonder mogen bidden, dat de priesters
altijd open staan voor allen en onbaatzuchtig zijn, «want de priester
behoort niet zichzelf toe, en evenmin behoort hij zijn verwanten en vrienden of
zelfs een bepaald vaderland toe: het is de universele liefde die hij dient uit
te ademen. Zelfs de gedachten, de wil, de gevoelens zijn niet van hemzelf, maar
van Christus, zijn leven.»13
De priester is een werktuig van eenheid. De
wens van de Heer is ut omnes unum sint14,
dat allen één zijn. Hij zelf merkte op, dat elk rijk dat in zichzelf
verdeeld is, vernietigd zal worden en dat er geen stad of huis kan voortbestaan,
als de eenheid verloren gaat. De priesters dienen zich te beijveren de eenheid te behouden15; en deze aansporing van de heilige Paulus «richt
zich vooral tot degenen die tot het heilig ambt zijn verkoren juist om de
zending van Christus voort te zetten.»16 Het is
de priester die met name dient te waken over de eendracht onder de broeders;
die erover waakt, dat de eenheid in het geloof sterker is dan de tegenwerkingen
die worden veroorzaakt door verschil van inzicht in ondergeschikte en aardse
zaken.17 Aan de priester komt het toe om met
zijn voorbeeld en woord onder zijn broeders het bewustzijn in stand te houden,
dat niets op aarde zo belangrijk is om daarvoor de prachtige werkelijkheid te
vernietigen van het cor unum et anima una18, dat de eerste christenen hebben beleefd en
dat ook wij dienen te beleven. Deze zending
tot eenheid zal hij gemakkelijker kunnen volbrengen, indien hij door
zijn broeders geacht wordt. «Bid voor de priesters van nu en voor de
toekomstige priesters, dat zij waarlijk, ieder dag meer en zonder onderscheid,
hun broeders, de mensen, beminnen en dat zij zich bij dezen bemind weten te
maken.»19
Zich richtend tot
alle priesters ter wereld, spoorde paus Johannes Paulus ii hen aan met de volgende woorden: «Als
wij de eucharistie vieren, op alle altaren
in de wereld, danken wij de eeuwige Priester voor de gave die Hij ons
in het sacrament van het priesterschap heeft geschonken. En mogen in deze
dankzegging dan de woorden vernomen worden, die de evangelist Maria in de mond
legde bij gelegenheid van haar bezoek aan haar nicht Elisabeth: Hij deed aan mij zijn wonderwerken, die
machtig is, en heilig is zijn naam (Lc 1,49). Laten wij ook Maria danken
voor de onuitsprekelijke gave van het priesterschap, waardoor wij in de Kerk
iedereen mogen dienen. En moge deze dank ook onze ijver opwekken [...].
»Laten wij hiervoor onophoudelijk dankzeggen;
met geheel ons leven; met alles waartoe wij
in staat zijn. Laten wij samen Maria danken, de Moeder van de priesters.
Kan ik ooit vergelden de Heer
alwat Hij voor mij heeft volvoerd? De beker des heils wil ik heffen, aanroepen
de naam van de Heer (Ps 116,12-13).»20
-1. Introitus,
Ps 109,4. -2. Heb 5,1. -3. Altaarmissaal, Prefatie van Pasen V. -4. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q48, a3. -5. Heb 7,25. -6. Pius xii, Enc. Mediator Dei, 20 februari 1947, 2. -7. A. del Portillo, Escritos sobre el sacerdocio, bl. 39. -8. Vaticanum ii, Decr. Presbyterorum ordinis, 3. -9. R. Garrigou-Lagrange o.p., La unión del sacerdocio con
Cristo, Sacerdote y Víctima, 2e ed., Madrid
1962, bl. 173. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de Kerk, 39. -11. H. Johannes Chrysostomus, Tractaat
over het priesterschap, III,
7. -12. Vaticanum ii,
loc. cit., 9. -13. Pius xii, Postume toespraak, gecit. door Johannes xxiii in Sacerdotii nostri primordia, 4 augustus 1959. -14. Joh 17,21. -15. Ef 4,3. -16. Vaticanum ii, Decr. Unitatis redintegratio,7. -17. Vgl. F. Suárez, El sacerdote y su ministerio, Rialp, Madrid 1969, bl. 24-25. -18. Hnd 4,32. -19. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 964. -20. Johannes Paulus ii, Brief aan
de priesters, 25 maart 1988.